• Mijn account
  • Shop
  • Winkelmand
  • Log in

    Wachtwoord vergeten?

    Historisch Nieuwsblad 1/2000

    De missionaris

    Gé Buurman, een leven lang in dienst van de moederkerk

    Door: Mar Oomen

    Al bijna veertig jaar stelt Gé Buurman zijn leven in dienst van de Katholieke Kerk. Het klein- en grootseminarie volgt hij in de tijd vóór het Tweede Vaticaans Concilie. Priester is hij in de tijd erna. Hij opereert op het snijvlak van twee werelden, de oude en de nieuwe kerk. Eerst als missionaris in Ghana, de Ivoorkust en Tanzania. Tegenwoordig als priester van de Franstalige parochie in Amsterdam. ‘Dat conformeren aan wat de kerk van je eist, zit zo ingebakken in je systeem. Dat heeft wel doorgewerkt in het latere leven.’


    Steen en steenkoud is het, de 28ste december van 1962. Het zal de koudste winter van de eeuw worden, met een elfstedentocht waar nog decennia lang over gesproken wordt. Toch is het hele dorp uitgelopen, overal zijn erehagen gebouwd. Scholieren en onderwijzers, koorleden en voetballers, schutters en winkeliers, boeren en tuinders, iedereen staat opeengepakt langs de kant van de weg te zwaaien, terwijl de verkenners, nota bene in korte broek, trompetteren. Het Gelderse Huessen heeft weer een priesterzoon, een missionaris nog wel. De wijding heeft een week tevoren in Heerlen plaatsgevonden en nu zal Gé Buurman in zijn geboortedorp zijn eerste mis opdragen. Vooral zijn eigen buurt, de tuindersbuurt, is heel trots op hem. Dat heeft Gé toch mooi voor elkaar gekregen.
            Meer dan dertig jaar was Gé Buurman (1938) missionaris in achtereenvolgens Ghana, de Ivoorkust en Tanzania. Terugkijken met hem op zijn leven is moeilijk. Buurman is een type priester zoals er zoveel zijn. Ze kijken om, maar ze weten niet of ze trots, gelukkig, verdrietig of vrolijk moeten worden van wat ze zien. Een heel leven heeft hij in dienst gesteld van de Moederkerk en zie wat ervan over is. De ene na de andere kerk moet haar deuren sluiten; er zijn geen priesters meer en ook de parochianen blijven weg. De gelovigen die nog over zijn, zijn oud. Als er al Nederlandse ‘jongeren’ of mensen van middelbare leeftijd in de kerk komen, is dat meestal om, zoals Buurman het zegt, ‘te consumeren’. Ze komen om te trouwen of voor het doopsel van hun kinderen. Maar het diepe verhaal achter de doop kennen ze niet meer en willen ze ook niet meer kennen, want ook na de doop komen ze niet naar de kerk. Soms vraagt Buurman zich af of hij er verstandig aan doet, deze mensen te bedienen. Het geloof lijkt voor hen een gebruiksvoorwerp, een wegwerpartikel. Terwijl ze, net als Buurman, van hun ouders geleerd hebben dat het katholicisme een levensweg is, een katholiek heeft voorrechten, maar ook plichten: ’s zondags naar de kerk, op gezette tijden bidden, regelmatig biechten en op vrijdag geen vlees.

    Twee werelden
    Ondanks de stormachtige ontwikkelingen in de katholieke kerk, komt Buurman er goed af. Zijn leven lang werkt hij daar waar de effecten het mildst zijn. Als in de jaren zestig de volkstaal voortaan de voertaal wordt in de kerk, heeft hij jaren de tijd om aan dat idee te wennen en zijn Ghanese gelovigen daarop voor te bereiden – de liturgieboekjes moeten eerst vertaald worden, in Fanti, in Ga, in Twi en noem maar op. In Nederland moeten de gelovigen en de priesters van de ene op de andere dag omschakelen van het Latijn naar het Nederlands.
             Ook terug in Nederland heeft Buurman geluk, in plaats van voorganger van een Nederlandse kerk met vrijwel alleen zestig- en zeventig-plussers, wordt hij voorganger van de internationale, Franstalige parochie in Amsterdam. Zijn parochianen zijn Fransen, Malinezen, Burkina Bé, Zaïrezen, mensen uit Benin, de Ivoorkust en andere Afrikaanse landen, maar ook uit Oost-Europa, Indonesië en Zuid-Amerika. Bijna elke zondag is zijn kerk vol. De bezoekers zijn jong. Hun mentaliteit is religieus, ze laten nog hun huizen wijden en vragen de zegen voordat ze op reis gaan. Ze kijken niet meteen op hun horloge als de mis wat uitloopt. De missen zijn traditioneler dan de Nederlandse, maar tegelijkertijd veel levendiger, er wordt nog echt gebeden en echt gezongen.
            Buurman zit op het snijvlak van twee werelden. Zijn opleiding geniet hij in de tijd vóór het Tweede Vaticaans Concilie, als Latijn nog de liturgische taal is, de priester zijn handelingen verricht met zijn rug naar het volk en nog echt bóven het volk staat. Hem wordt geleerd: een priester is in laatste instantie altijd trouw aan de kerk.
            Zijn vak oefent Buurman uit in de tijden van en na het Tweede Vaticaans Concilie (het grote geloofsonderzoek gehouden van 1962 tot 1965 onder leiding van paus Johannes XXIII). Als de volkstaal voertaal wordt, als de lekenkerk zijn intrede doet, als in Nederland op kerkgebied allerlei experimenten plaatsvinden – vrouwen als voorgangers, priesters die trouwen – en als het katholieke bolwerk, in Nederland althans, langzaam maar zeker lijkt in te storten.

    Engelbewaarder
    Gé Buurman is de jongste uit een gezin met dertien kinderen, waarvan twee op heel jonge leeftijd overlijden. Zijn ouders zijn heel katholiek, heel vroom: het is bidden voor en na het eten en voordat je naar bed gaat. De kinderen gaan iedere dag naar de kerk, en op zondag twee keer. Niet allemaal tegelijk, want de kerk verhuurt haar zitplaatsen, en de familie Buurman kan zich maar twee plaatsen veroorloven. De missen zijn in het Latijn, de priester heeft zijn gezicht van het volk afgewend. Zo eens in de twee, drie weken gaat Gé te biecht, bij de pastoor. God is een oude vader ‘daarboven ergens, die het goed met je voorheeft’. De duivel heeft ‘van die bokkenoortjes en wordt verkondigd als de tegenhanger van de goede engelbewaarder’.
            De juf van de tweede klas, ‘zeer strikt en behoudend, zeer Rome-trouw’, legt de basis. Ze bereidt hem voor op de eerste communie, de eerste biecht en laat hem de catechismus ‘met uitleg’ uit het hoofd leren. Ze is zeer streng. Ze houdt Gé ook later nog in de gaten als hij op het seminarie – klein en groot – zit en ze ziet erop toe dat hij als priester de mis opdraagt, precies zoals het hoort. ‘Na de mis kreeg ik dan te horen dat ik niet alleen moest knielen hij het opheffen van de wijn, maar ook bij het opheffen van de hostie.’
            Hoe het nu precies zo gekomen is, weet Buurman niet meer, misschien kwam het door die bevriende missionaris die weleens over de vloer kwam (‘dat was, als ik me goed herinner, géén propagandist’), misschien kwam het door die missietentoonstelling in een café in het centrum, maar nog voor zijn tiende weet Gé: ik word priester in Afrika. Als De Gelderlander een prijsvraag uitschrijft met het thema: Wat wil je later worden, stuurt Gé een tekening op van zichzelf in een lange witte toga met een kruis in de hand, te midden van allemaal zwarte mensen. ‘Het was iets van: het geloof verbreiden, ook bij de heidenen en de arme zwartjes. In onze streek, in onze familie was geloof belangrijk. Het was goed om te geloven, dus het was ook belangrijk dat anderen geloofden.’
            Als zijn moeder het hoort, schrikt ze zich een hoedje. Maar het kan. Gé is de jongste. Er is al genoeg hulp in de tuinderij en hij is er slim genoeg voor – hij kon zo een klas overslaan en hij zit altijd met zijn neus in de boeken. En, natuurlijk, het is toch een hele eer, een priester in de familie. Ook zijn broers en zussen zijn trots. ‘Mijn zussen waren ook heel betrokken bij de opleiding. Ze wilden steeds mijn rapport zien en zagen erop toe dat ik geen gekke dingen deed.’
            Najaar 1950 vertrekt Gé naar het kleinseminarie in Cadier en Keer, het seminarie van de Sociëteit der Afrikaanse Missiën, de SMA, in 1856 opgericht in Lyon door een Franse missiebisschop en, zoals veel Franse ordes, eind van die eeuw naar Nederland uitgeweken vanwege de anticlericale houding van de Franse regering. Gé kiest voor de SMA omdat de bevriende missionaris had gezegd dat ‘je dan zeker in Afrika terechtkomt’. En zo wordt hij opgeleid tot een van de negenduizend missionarissen die Nederland begin jaren zestig rijk is. Nederland levert op dat moment relatief de meeste missionarissen van alle landen in de wereld. Het Groot Missie-uur is op zijn hoogtepunt.
            Maar het verval is dan al in zicht. Met 29 anderen begint Gé aan het kleinseminarie, door samenvoegingen met andere klassen blijft dat aantal op dertig, twaalf daarvan zullen uiteindelijk priester worden. En dat is veel. ‘Later zijn er niet meer van die grote klassen geweest.’ Na zes jaar Cadier en Keer studeert Gé nog zeven jaar op het grootseminarie in Aalbeek. ‘Het laatste jaar, het noviciaat, was net als apart jaar ingevoerd.’

    Biechtvader
    Het kleinseminarie is eigenlijk een gewone gymnasiale alfa-opleiding met veel aandacht voor de klassieke talen. Een verschil: de jongens zijn intern, drie keer per jaar mogen ze naar huis. Het reglement is strak, de discipline groot. Om zes uur opstaan, ‘toilet klaarmaken’: aan rijen wastafels handen en gezicht nat maken. Een keer per week douchen. Tien minuten meditatie. Om half zeven naar de mis, ontbijt, lessen, recreatie. Om vier uur thee met een boterham, dan huiswerk maken in de studiezaal. ‘Je moest kalm houden, er werd gesurveilleerd. Als je niet stil was of niet de boel netjes opruimde, kreeg je een klets, of moest je strafregels schrijven.’ Om zes uur een boterham of pap. ’s Avonds een uurtje lezen en daarna recreatie: ping pongen, kaarten, spelletjes doen. Om tien uur naar bed met vijftig jongens op een slaapzaal. De enige plek waar je alleen kunt zijn, is de kerk. Op woensdagmiddag wandelen, allemaal in een rij, drie aan drie. ‘Met zijn tweeën mocht niet, voor bijzondere vriendschappen moest je oppassen.’ Af en toe komt er een missionaris op verlof praten, vooral de sterke verhalen zijn interessant. Aan de dagelijkse praktijk van het missiewerk wordt weinig aandacht besteed. Gé praat er soms over met zijn biechtvader. ‘Vaak waren dat priesters die zo’n beetje op halve kracht functioneerden. Hij keurde je of je niet te licht was en hij benadrukte dat je in de vakanties veel moest bidden en naar de kerk gaan. Hij waarschuwde voor de meisjes. Ik kan me herinneren: beneden aan de weg was een meisjespensionaat. Die meisjes gingen bij ons weleens naar de Lourdesgrot. Toen ik ze weer eens zag, riep ik: moet je daar die groep meiden zien! Onmiddellijk werd ik bij de biechtvader geroepen, of ik nog wel roeping had.’
            Voor Gé, een intelligente, maar ook heel verlegen leerling – ‘ik had angst om ergens tegenin te gaan’ – is het niet de rotste tijd van zijn leven, maar zeker ook niet de beste. ‘Alleen in het voetbalteam was ik in mijn element, ik was de steunpilaar van het elftal.’ Van de kuddegeest heeft hij het meeste last, van dat altijd alles samen moeten doen. Die was, vindt hij nu, weinig initiatief bevorderend. ‘Dat conformeren aan het systeem zit zo ingebakken in je eigen systeem. Dat heeft wel doorgewerkt in het latere leven. Je houdt er een tamelijk onkritische houding ten opzichte van de kerkelijke wet aan over. Hoewel: geheel zonder eigen mening was je ook weer niet, want je zag hoe het doorwerkte in Afrika. Maar dan toch liet je de kerkelijk wet prevaleren.’

    Missiekoffertje
    Eind november 1963 is het zover. Buurman heeft het klein- en grootseminarie met succes afgerond, hij is gewijd, ‘zo’n dag is toch net zoiets als een huwelijk’, hij heeft een aantal maanden in Engeland doorgebracht om de Engelse taal goed machtig te worden en nu zit hij dan samen met zes voormalige klasgenoten in het vliegtuig naar Accra, Ghana, het land waar traditioneel de Nederlandse missionarissen van de SMA, een internationale orde, naartoe gaan. Eindelijk actie. Eindelijk kan Buurman kerken stichten, het evangelie verkondigen, het katholieke geloof over de wereld verbreiden, de opdracht van Christus uitvoeren zoals die hem op het seminarie voortdurend is voorgehouden. Maar, Buurman heeft nog een ander motief om naar Afrika te gaan. ‘Daar ligt het allemaal nog niet zo vast. Alles moet nog opgebouwd worden, er zijn meer mogelijkheden om een nieuw soort kerk op te bouwen.’ Het zijn de tijden van het Tweede Vaticaans Concilie, ook op de seminaries hebben de roerige jaren zestig hun invloed. Tijdens activiteiten met andere seminaries vinden verhitte discussies plaats over afschaffing van het Latijn, veranderingen in de liturgie, de introductie van een landskerk, meer onafhankelijkheid voor de bisschoppen en noem maar op. Buurman denkt: er wordt veel mogelijk.
            Maar de praktijk valt tegen. In Afrika komt Buurman knel te zitten tussen twee werelden. De structuur van de kerk ter plaatse is al zo hecht, zo Rooms, dat veranderingen nauwelijks mogelijk zijn. En als het eropaan komt, als een modern standpunt vereist is, laat Buurman zich toch weer leiden door zijn Roomse achtergrond. Als iemand met twee vrouwen gedoopt wil worden, moet hij van hem toch echt een van de twee vrouwen kiezen. ‘Je mag iemand niet in een polygame situatie de kerk in loodsen.’ En ongeveer tachtig procent van de paren in zijn kerk mag niet ter communie, omdat ze niet officieel voor de kerk getrouwd zijn. ‘De meeste paren waren wel volgens de traditie getrouwd, maar het standpunt van de kerk in Ghana was: als je de communie wilt ontvangen moet je ook voor de kerk getrouwd zijn. Veel mannen wilden daar niet aan. Ze hadden angst om zich voor eeuwig aan een en dezelfde vrouw te binden. Als ik ze vroeg: “Wordt het niet eens tijd dat jullie trouwen”, zeiden zij: “I must first study the character of my wife.”‘ Buurman zou veel flexibeler willen zijn, graag zelfs, hij schrijft er zelfs een artikel over. Ook niet-kerkelijk getrouwden zouden de sacramenten moeten kunnen ontvangen. ‘Wat nu’, reageert de Ghanese bisschop schertsend, ‘Buurman is een voorstander van veelwijverij.’
            De bevolking zelf heeft weerstand tegen alle veranderingen die de Katholieke Kerk wil doorvoeren. Waarom moet het Latijn worden afgeschaft? Juist door dat Latijn is het katholicisme zo bijzonder, dat hebben die andere kerken niet. En de priester die met zijn rug naar het volk allemaal geheimzinnige handelingen verricht, dat mysterieuze, waarom mag dat niet meer? De traditionele priesters doen het ook zo. Avond aan avond moet Buurman uitleggen wat er gaat veranderen en waarom.
            Buurman woont op dat moment op de centrale missiepost in Elmina, de hoofdstaatsie. Hij werkt in de buitenstaatsie, dat betekent dat hij priester is voor alle dorpen in de omgeving, veertig in totaal. Door de week rijdt hij van dorp naar dorp, missiekoffertje, kampeerbed en klamboe in de auto.


    Roomse achtergrond
    Ook in Tanzania – hij verblijft daar van 1990 tot 1995 – loopt Buurman tegen hechte, hiërarchische Roomse structuren aan. Van het missieblad African Ecclesial Review dat hij gewoon was in Ghana te lezen, had hij het idee gekregen: in Oost-Afrika gebeurt het, daar is een kerk in beweging, daar is een progressieve kerk. ‘Er werd veel geschreven over basic Christian communities en over het engagement van het volk in de kerk. Als lezer kreeg je echt het idee: daar leven de nieuwe opvattingen. Maar toen ik daar kwam, weliswaar 25 jaar later, was de kerk sterk hiërarchisch gestructureerd. Het bisdom wilde zijn autoriteit koste wat kost laten gelden – zo mochten er in ons ziekenhuis op last van de bisschop géén condooms uitgedeeld worden. En ook hier werd weer erg gehamerd op het christelijk huwelijk. Zelfs familieleden van paren die samenleefden, maar niet voor de kerk getrouwd waren, mochten niet aan de communie deelnemen!’
            In de Ivoorkust, standplaats van 1974 tot 1988, krijgt Buurman de gelegenheid om alles naar eigen inzicht te doen. Hij komt in een gebied waar nog niet één procent van de bevolking katholiek is. Hij moet dus als een missionaris van de oude stempel echt zieltjes gaan winnen. Hij neemt daar de tijd voor. Hij loopt of fietst een beetje rond, werkt in zijn tuintje, verbouwt wat groenten en wacht tot de mensen nieuwsgierig worden.
            ‘De mensen vroegen: “waarom ben je hier gekomen”? Om over God te praten. “Wij hebben ook een God, en we hebben onze voorouders en alles.” Om te leren bidden. “Wij bidden al, wij praten op onze eigen manier met God.” En dan zei ik: Wij hebben een speciale invalshoek voor onze God. Wij hebben Jezus. Nou, die kenden ze niet, over hem kon ik dan wel praten. Want de zusters van het ziekenhuis hoorden ook bij Jezus. Vanwege Hem waren ze hier goede werken komen doen. Vanaf dat moment werd ik weleens aangesproken met “hé, Jezu”. Ik hoorde bij de Jezus-mensen.’
            Buurman kan nergens op terugvallen in de Ivoorkust, er is geen kerk, geen gemeenschap, er is helemaal niets. Hij moet bij het begin beginnen: bij Jezus, hij moet letterlijk het evangelie verkondigen. En dat bevalt hem wel, Buurman heeft het naar zijn zin in de Ivoorkust. En toch zit ook hier zijn Roomse achtergrond, zijn opvoeding en opleiding, hem in de weg. Als hij zijn hart laat spreken zou hij eerst willen uitzoeken of er wel plek is voor Jezus in de eigen gebruiken en tradities, hij zou willen wachten met eucharistievieringen en het dopen van mensen. ‘Maar in de praktijk ben je dan toch te gehaast. Dan houd je toch iedere week een eucharistieviering. Dan wil je toch zo snel mogelijk gaan dopen, dan ga je toch een kerk bouwen.’
            
    En elke keer als Buurman op verlof komt in Nederland – eerst om de vijf jaar, later om de drie – wordt het minder. Elke keer als hij ergens een missiepreek wil houden om wat geld te verzamelen voor zijn kerk in Afrika, moet hij zich eerst goed informeren: hoe doen jullie de mis hier? ‘Dan hadden ze zelf eucharistieteksten gemaakt en die op stencil gezet. Soms moest je improviseren. Stond er op zo’n vel: gebed. En verder niets. Kon je zelf iets gaan verzinnen. De missaal werd in de kast gehouden.’
            En elke keer denkt Buurman: wat zit er toch een klein groepje in de kerk. In de kerk wordt het minder, en in zijn familie: eerst gaan neefjes en nichtjes niet meer naar de kerk en dan zelfs een paar broers niet meer – alleen voor speciale gelegenheden bezoeken ze Gods huis. ‘Op een gegeven moment vonden ze het niet eens meer een probleem om op zondag te moeten werken. Ja, zeiden ze dan, de maandagse veiling is vervroegd van zeven naar vijf uur. We kunnen toch moeilijk midden in de nacht al bloemen gaan bossen.’

    In 1995 besluit Ge Buurman voorgoed terug te keren naar Nederland. Hij is dan nog redelijk jong, in de vijftig. De Nederlandse kerk heeft hem meer dan dertig jaar afgestaan aan Afrika. Nu wordt het tijd, vindt hij, om iets terug te doen. En dat kan, bij de Franstalige, internationale parochie in Amsterdam is hij meer dan welkom. Maar bij de Nederlandse kapper moet Buurman uitleggen wat een missionaris is.