Al duizenden jaren leven mensen samen met huisdieren. Soms is het contact vooral functioneel, maar dikwijls ontstaat er een diepe band. Veel dieren zijn vertrouwde huisgenoten die een vaste plek innemen in het dagelijks leven.
De oude Egyptenaren hielden behalve honden en katten, ook bavianen, gazellen en soms zelfs jonge leeuwen. Hun honden vervulden praktische taken, zoals jacht en bewaking. Terwijl katten onmisbaar waren in de strijd tegen muizen en slangen. Toch draaide het niet alleen om het nut van de dieren. De Egyptenaren hadden er ook een band mee. Ze gaven hun dieren namen, vereeuwigden ze op grafwanden en mummificeerden ze soms samen met hun eigenaar.

Heersers en elites omringden zich graag met exotische dieren om macht, rijkdom en wereldse contacten te etaleren. De Romeinen hielden apen, pauwen en zelfs cheeta’s. Soms als huisdier, soms voor het spektakel. In middeleeuws Europa verschenen aan vorstenhoven menagerieën met beren, luipaarden, struisvogels en papegaaien. Karel de Grote bezat volgens tijdgenoten een olifant, Abul-Abbas, een diplomatiek geschenk uit het Abbasidische rijk. En de Engelse koning Hendrik III hield in de dertiende eeuw een ijsbeer in de Tower of London, die aan een lange ketting in de Theems mocht zwemmen.

In de vroegmoderne tijd gingen dieren nog meer deel uitmaken van het huishouden. Ze werden steeds vaker als gezelschap gehouden. Behalve honden en katten waren ook zangvogels, schildpadden, eekhoorns en exotische aapjes geliefd. Schilderijen uit de zeventiende eeuw tonen papegaaien en parkieten in deftige woonkamers, vaak als teken van verfijning en nieuwsgierigheid naar de wijde wereld.


In de negentiende en twintigste eeuw werden gezelschapsdieren onderdeel van het burgerlijke gezin. Ze golden als teken van huiselijkheid. Tegelijkertijd kwamen dierenshows en fokverenigingen op. Eerst draaiden die om jacht- en sporthonden, later ook om sier- en gezelschapsdieren. Inmiddels is er steeds meer kritiek op het doorfokken van uiterlijke kenmerken die het welzijn van dieren schaden.



Argos bleef Odysseus trouw tot het einde
In Homerus’ Odyssee speelt Argos, de jachthond van Odysseus, een kleine maar memorabele rol. Wanneer Odysseus na twintig jaar afwezigheid vermomd als bedelaar terugkeert naar Ithaka, herkent alleen zijn oude hond hem. Argos ligt er verwaarloosd en vol vlooien bij, maar spitst zijn oren en kwispelt wanneer hij zijn meester ziet. Odysseus kan zijn ontroering nauwelijks verbergen, maar moet zijn identiteit nog geheimhouden. Kort nadat hij zijn baas heeft herkend, sterft Argos. De loyaliteit van honden en de intense emotionele band tussen mens en dier was in de Oudheid al een thema.

Huisdieren worden steeds vaker als gezinsleden beschouwd, wat heeft geleid tot een groeiende aandacht voor hun welzijn. De keerzijde van al die liefde en zorg is dat ze ook steeds meer worden vermenselijkt. Inmiddels worden honden en katten uitgedost met kleertjes en sieraden, hebben ze eigen parfums en worden ze rondgereden in speciale wagentjes. Ook bestaan er acupunctuur voor huisdieren, hondenhotels en dierenspa’s. Die getuigen van een intense emotionele band, tegelijk dreigen de dieren zelf te verdwijnen achter menselijke projecties en verlangens. En dan verkeert de liefde in het tegendeel. Want of ze nu moeten werken, een statussymbool of een gezinslid zijn, dieren moeten zich nog wel als dier kunnen gedragen.



