Veel jonge moeders overleden aan de kraamvrouwenkoortsKraamvrouwenkoorts was een gevreesde ziekte. In het begin van de negentiende eeuw overleed bijna een kwart van de vrouwen die in ziekenhuizen bevielen eraan. Dokters dachten dat deze bijna altijd fatale ziekte werd veroorzaakt door miasma’s, raadselachtige rottingsstoffen in de lucht. Maar in feite tastten ze in het duister. Totdat Ignaz Semmelweis, een in Wenen werkzame Hongaarse arts, omstreeks 1850 ontdekte dat dokters zélf de besmettingsbron waren. In een kliniek waar alleen vroedvrouwen werkten kwam kraamvrouwenkoorts amper voor, maar in een andere kliniek was de sterfte vele malen hoger. Daar werden jonge dokters opgeleid en die gingen rechtstreeks uit de snijzaal - waar ze in lijken snijdend het menselijk lichaam onderzochten - naar de kraamafdeling. Handen wassen? Ho maar! Zo brachten ze infecties over. Semmelweis dacht dat het om ‘lijkstof’ ging. Pas later zou Louis Pasteur met zijn bacteriën voor de juiste theoretische onderbouwing zorgen. Toch was het door Semmelweis voorgeschreven middel effectief. De sterfte aan kraamvrouwenkoorts daalde spectaculair toen iedereen die naar de kraamzaal ging eerst zijn handen desinfecteerde. Semmelweis wilde dat dat met bleekwater gebeurde. Rubberen handschoenen waren er in het Wenen van toen nog niet. ‘Mijn voorganger deed de bevallingen nog zonder handschoenen. Uiteraard wél met schone handen,’ zegt Gerben (1944). Hij vestigde zich in de jaren zeventig als huisarts. Zelf heeft hij altijd bevallingen met handschoenen gedaan.

