• Afrekenen
  • Mijn account
  • Shop
  • Winkelmand
  • Log in

    Wachtwoord vergeten?

    Historisch Nieuwsblad 12/2012

    Abortus: in vergetelheid geraakte tegenbeweging

    Door: Stefan Bekedam

    Dolle Mina, Provo – de jaren zestig en zeventig staan vooral bekend vanwege de ludieke acties van links. Maar in deze jaren roerde ook een conservatieve tegenbeweging zich, bijvoorbeeld in de strijd tegen de legalisering van abortus en het verval van de goede zeden. ‘Wie gingen er in die tijd de straat op? Studenten en provo’s. Niet keurige burgers als wij!’

    Op een vrijdagmiddag in de zomer van 1974 staat een groepje demonstranten op de stoep van de abortuskliniek aan de Ebenhaëzerstraat in Rotterdam. De leuzen laten aan duidelijkheid weinig te wensen over; teksten als ‘Abortus is moord!’ en ‘Baas in eigen schepping’ domineren. De leider van de groep is een opvallende verschijning: zijn lange, magere gestalte is gehuld in een lange zwarte priesterpij en op zijn hoofd prijkt een grote zonnebril. Pater Jan Koopman is een van de kopstukken van een nieuwe beweging die zich verzet tegen de liberalisatie van abortus.

    Al enkele dagen staat hij samen met een aantal sympathisanten voor de kliniek te posten. Deze vrijdagmiddag wordt de actie echter verstoord door een tegenactie van feministen en links-radicalen. Beseffend dat ze in de minderheid zijn maken Koopmans sympathisanten zich op voor vertrek.

    De pater daarentegen weet van geen wijken en begint op een kistje de groep toe te spreken. Hij neemt haar het pro-abortusstandpunt niet kwalijk; dat komt namelijk voort uit onwetendheid. De werkelijke schuldigen zijn volgens de pater de media, omdat die het vermoorden van duizenden kinderen zouden verbloemen. Tot slot spreekt hij de zegen uit over de onwillige kudde en vertrekt.

    De dolle mina’s staan in het collectieve geheugen van Nederland gegrift; de kreet ‘Baas in eigen buik!’ is ook veertig jaar later nog steeds bekend. Voor de activisten van de tweede feministische golf was legalisatie van abortus cruciaal voor de verdere emancipatie van de vrouw. In bredere zin was de vrouwenbeweging onderdeel van een culturele revolutie die vanaf midden jaren zestig in de hele westerse wereld plaatsvond. Veel minder bekend is dat zowel de legalisatie als het veranderde normenpatroon ten opzichte van abortus ook een tegenbeweging uitlokte.

    Wetenschappers breken taboe

    In de loop van de jaren zestig werd het taboe op abortus langzaam afgebroken. Opvallend is dat het niet zozeer feministen, maar juist wetenschappers waren die abortus het eerst bespreekbaar maakten. Vaak worden als het begin van het debat over abortus in Nederland de dissertatie van de arts Pieter Treffers (1965) en een artikel van de jurist Ch.J. Enschedé (1966) in het Nederlands Juristenblad genoemd.

    Treffers argumenteerde dat in het geval dat het uitdragen van een zwangerschap de mentale gezondheid van de vrouw zou aantasten, abortus provocatus mogelijk moest zijn. En Enschedé verklaarde dat zolang een arts medisch correct handelde bij de uitvoering van een abortus deze vrijgesteld was van rechtsvervolging.

    In 1967 bracht een uitzending van het VARA-programma Achter het Nieuws deze boodschap in de Nederlandse huiskamer. Tijdens een thema-uitzending over abortus gaf gynaecoloog Kloosterman – in lijn met Treffers en Enschedé – aan dat abortus wel degelijk legaal mogelijk was. Toen hij de volgende ochtend een volle wachtkamer met zwangere vrouwen aantrof, besloot hij een abortusteam op te zetten.

    In de jaren hierna volgden de ontwikkelingen elkaar in een hoog tempo op en in februari 1971 werd de eerste abortuskliniek in Nederland geopend.

    Politieke strijd

    Omdat de liberalisatie van het Nederlandse abortusbeleid niet het gevolg was geweest van een wetswijziging, lag de politieke strijd over nieuwe abortuswetgeving nog in het verschiet. Een ongemakkelijke coalitie van de linkse partijen en de VVD – een soort Paars avant la lettre – streefde een vergaande liberalisering van abortus na. Dit monsterverbond vond de drie grote christen-democratische partijen (KVP, ARP en CHU) tegenover zich, die – hoewel bereid tot concessies – zich bleven verzetten tegen volledige legalisatie. Tot slot waren de kleine christelijke partijen fel tegen elke versoepeling van de abortuswetgeving.

    Dat het ondanks de progressief liberale meerderheid tot 1982 duurde voordat nieuwe wetgeving werd aangenomen heeft twee redenen. Ten eerste droegen christen-democratische partijen gedurende de hele jaren zeventig regeringsverantwoordelijkheid. Hierdoor was hun minderheidspositie niet onbelangrijk. Bovendien werd samenwerking tussen de VVD en de PvdA op het punt van abortus bemoeilijkt doordat beide partijen elkaars ideologische aartsvijanden waren.

    Tegen de achtergrond van openende klinieken en een steeds luider wordende vrouwenbeweging ontstond tussen 1970 en 1973 voorzichtig een tegenbeweging. Opnieuw namen artsen en juristen het initiatief, zij het dat deze hooggeleerde heren (en een enkele dame) juist tegen legalisatie pleitten.

    Een aantal medici liet zich niet onbetuigd en keerde zich in 1971 tegen het liberale standpunt van het Koninklijk Nederlands Medisch Genootschap (KNMG) met de oprichting van Artsen Actie Eerbiediging Menselijk Leven. Snel erna ondertekenden 2200 artsen een door de groep opgestelde petitie tegen de afschaffing van het verbod op abortus.

    Een jaar later leidde dit tot de oprichting van een vereniging die tot doel had het instandhouden dan wel het bevorderen van een ‘absoluut respect’ voor het menselijk leven: het Nederlandse Artsenverbond (NAV). Hoewel officieel niet religieus, werd het verbond gedomineerd door orthodoxe christenen.

    In het NAV-nieuwsbulletin werd regelmatig uitgehaald naar een rationalistische wetenschappelijke instelling die volgens het NAV aan de basis van het geconstateerde morele verval van de samenleving zou liggen. Het verwerpen van een hogere macht lag dan ook volgens een van de bestuursleden aan de basis van abortus. Doordat alleen artsen lid konden worden en de interne discussie gedomineerd werd door doorwrochte onleesbare medisch-ethische stukken zou het NAV nooit uitgroeien tot een massaorganisatie.

    Deze positie werd al snel ingenomen door de in 1971 opgerichte Vereniging voor de Bescherming van het Ongeboren Kind (VBOK). De vereniging ontplooide zich in de loop der jaren tot een grote organisatie met duizenden leden, die zowel het voeren van een brede maatschappelijke campagne tegen – de in de ogen van haar leden – illegale abortuspraktijk als het geven van hulp aan ‘onverwacht zwangere vrouwen’ tot doel had.

    Tegelijkertijd begonnen ook orthodoxe katholieken zich te roeren: zo besloot de in Brazilië woonachtige Nederlandse missionaris pater Jan Koopman na het horen van ‘verontrustende verhalen’ over de ontwikkelingen in het vaderland terug te komen om de sluiting van alle klinieken te bewerkstelligen. Op 12 september 1973, de heilige dag van Maria, richtte hij de Stichting Recht Zonder Onderscheid op. Afgekort tot Stirezo was alleen de naamgeving al een duidelijke sneer naar Stimezo, de overkoepelende organisatie van de abortusklinieken.

    In het voorjaar van 1974 stond Koopman voor het eerst langdurig voor verschillende abortusklinieken te demonstreren, een methode die hij nog vele jaren zou volhouden. De pater had een neus voor publiciteit en zijn vaak opvallende en ludieke acties maakten hem al snel een landelijke bekendheid.

    Zo beklom Koopman in de aanloop naar de verkiezingen van 1977 een kerktoren in Purmerend met het doel de bevolking vanaf grote hoogte over te halen voor de bescherming van het ongeboren leven te stemmen. Ook bezette hij in november 1978 een Amsterdamse hijskraan. Dankzij steun uit orthodox-katholieke kring was Stirezo ondanks haar beperkte omvang in staat intensief campagne te voeren.

    Polarisatie

    Vanaf 1973 groeide de media-aandacht voor de abortusstrijd. De polarisatie werd gevoed door de toename van klinieken en ingrepen (grotendeels het gevolg van de explosieve groei van het ‘abortustoerisme’). Ook de kerken lieten zich niet onbetuigd: de gereformeerde synode sprak zich genuanceerd uit over abortus, tot verontwaardiging van conservatieve gelovigen. Binnen de hervormde kerk was er sprake van een patstelling tussen voor- en tegenstanders.

    De Nederlandse bisschoppen hadden zich al eerder fel negatief uitgelaten over abortus. Vooral de uitspraken van de in 1972 benoemde bisschop van Roermond, mgr. Gijsen, baarden opzien: consequent stelde hij abortus op één lijn met moord en vergeleek hij protest tegen vrije abortus met het verzet tegen de Duitse bezetter.

    In het voorjaar van 1974 mengde de Evangelische Omroep zich in het abortusdebat door de omstreden documentaire ’t Kind dat geen stem krijgt uit te zenden. In de jaren erna zou de EO nog regelmatig campagne voeren tegen vrije abortus.

    De polarisatie bereikte een nieuw hoogtepunt als gevolg van de eerste Bloemenhove-crisis. Die ontstond nadat minister van justitie Dries van Agt op 20 juni 1974 zijn voornemen openbaar had gemaakt om de Bloemenhove-kliniek in Heemstede te sluiten. Reden was dat in de kliniek ook abortussen na de twaalfde week werden uitgevoerd. In de Kamer verklaarde Van Agt: ‘Dat wil zeggen dat, terwijl de patiënte onder narcose is, de vrucht in delen met instrumenten wordt verwijderd, waarbij het hoofd wordt stukgekraakt.’ Toch moest Van Agt onder druk van zowel het parlement als de ministerraad voorlopig inbinden.

    Naar aanleiding van het Bloemenhove-debat verenigden alle belangrijke pro-life-organisaties zich in het Comité Red het Ongeboren Kind (CROK), om zo gezamenlijk een vuist te kunnen maken. Onmiddellijk begon het comité met de organisatie van een nationale petitie tegen de legalisatie van abortus.

    Een weinig verhullende kleurenfolder werd naar alle huishoudens in Nederland gestuurd en kon ondertekend als steunbetuiging worden geretourneerd. Ook gingen zo’n 150 groepen van plaatselijke vrijwilligers de deuren langs. De petitie werd al snel een groot succes: in enkele maanden werden 400.000 handtekeningen opgehaald.

    Met uiteindelijk 700.000 verzamelde steunbetuigingen was de petitie een van de grootste in de parlementaire geschiedenis; wat laat zien dat de anti-abortusbeweging niet slechts een klein groepje fanatiekelingen was. De activisten konden rekenen op steun vanuit de samenleving. De prestatie is des te indrukwekkender als men bedenkt dat het comité Wij Vrouwen Eisen slechts 60.000 handtekeningen onder een tegenpetitie wist in te zamelen.

    De aanbieding van de zo succesvolle CROK-petitie aan de Tweede Kamer op 31 maart 1976 was een grote overwinning voor de anti-abortusbeweging. In een grote stoet voorgegaan door de nationale driekleur liepen de initiatiefnemers, gevolgd door ruim honderd man met kratjes vol handtekeningen, trommels en nog meer vlaggen, naar het parlement. De initiatiefnemers interpreteerden de petitie als het bewijs dat het Nederlandse volk achter hen stond. Voor de verzamelde pers maakten ze hun punt; de meerderheid van keurig burgerlijk Nederland was het verval van de goede zeden meer dan beu.

    Een analyse van de herkomst van het aantal handtekeningen geeft echter een ander beeld: de grote meerderheid van de handtekeningen was verzameld door de – merendeels orthodox-christelijke – vrijwilligers van de VBOK. Ook kwam de grote meerderheid van de handtekeningen uit kleine gemeenten van boven de rivieren, waarbij plaatsen in de ‘Bible Belt’ extra hoog scoorden. Zo werden er in het kleine Oudekerk aan de IJssel meer handtekeningen opgehaald dan in de drie grote steden gezamenlijk. De slechtste score had Amsterdam: de behoorlijk actieve VBOK-afdeling in de hoofdstad wist slechts tachtig handtekeningen in te zamelen.

    De achterban bestond uit een minderheid van streng orthodox-protestanten, aangevuld met een klein aantal traditionele katholieken die Gijsen en Simonis volgden. Dat het de beweging niet lukte de meerderheid van de Nederlandse bevolking voor zich te winnen had ook te maken met haar radicale en religieuze retoriek. Want hoewel veel activisten hun best deden niet te extreem over te komen, waren verwijzingen naar nazi-Duitsland niet ongebruikelijk en werd er regelmatig gedreigd met goddelijke vergelding.

    Van een Amerikaanse moral dan wel silent majority was dan ook geen sprake. Het leek eerder te gaan om een aanzienlijke minderheid, die onderdeel was van een breder verzet tegen de progressieve dominantie.

    De verpersoonlijking van dit verlangen naar restauratie van oude waarden en normen was Dries van Agt, die hiervoor al snel de term ‘Ethisch Reveil’ ging gebruiken. In mei 1976 probeerde de minister nogmaals de Bloemenhove-kliniek te sluiten, maar zwichtte een tweede keer voor de druk van progressief Nederland; de bezetting van de kliniek door de vrouwenbeweging, parlementaire pressie en gebrekkige steun in de ministerraad maakten verder verzet onmogelijk.

    Ondanks zijn nederlaag werd Van Agt de held van behoudend Nederland; zo ontving hij vele honderden steunbetuigingen voor zijn optreden tegen Bloemenhove. Uiteindelijk kon hij hierdoor uitgroeien tot een succesvol lijsttrekker, die het nieuwe CDA een eigen christen-democratisch geluid gaf.

    Demonstreren in Den Haag

    Voor de tegenstanders van vrije abortus was een vaag ethisch reveil niet genoeg en zij bleven zich dan ook zowel tegen het christen-democratische – dat een gedeeltelijke legalisatie voorstond – als tegen het gezamenlijk wetsvoorstel van de PvdA en VVD verzetten. Op 11 september verzamelden zo’n 20.000 mensen zich in den Haag om te protesteren tegen legalisatie van abortus.

    De demonstratie was ontegenzeggelijk een groot succes, zeker als men bedenkt dat de achterban van de beweging niet gewoon was de straat op te gaan. Jaren later verwoordde een VBOK-bestuurslid de verbazing: ‘Wie gingen er in die tijd de straat op? Studenten en provo’s. Niet keurige burgers als wij!’

    De belangrijkste landelijke kranten besteedden echter weinig aandacht aan het protest; zo gaf de Volkskrant een veel kleinere actie van de vrouwenbeweging evenveel aandacht en negeerde NRC Handelsblad de actie vrijwel geheel. Voor de verspreiding van de boodschap waren de activisten grotendeels afhankelijk van orthodox-christelijke media als de EO, het Nederlands Dagblad en het Reformatorisch Dagblad.

    Vanaf 1976 begon de EO zelf actief verschillende bidacties en congressen te organiseren waarop sprekers als de christelijke-gereformeerde prof. W.H. Velema uiteenzetten waarom abortus in strijd was met de Heilige Schrift en Gods verbod. De goede samenwerking van de EO met conservatieve katholieken – zo was de conservatieve bisschop Simonis een graag geziene spreker op EO-evenementen – laat nogmaals zien dat de in orthodox-protestantse kring nog aanwezige antipaapse gevoelens moesten wijken voor de gezamenlijke conservatieve strijd tegen abortus.

    Toen op 14 december 1976 het ruimhartige PvdA-VVD-wetsvoorstel onverwachts door muitende VVD-senatoren werd weggestemd, zagen de anti-abortusactivisten hierin de hand van God. Toch markeerde dit succes ook het begin van het einde van de Nederlandse anti-abortusbeweging. Hoewel er nog vele acties volgden, werden de successen van 1976 nooit meer geëvenaard.

    Het uitblijven van resultaten leidde uiteindelijk tot demoralisering van de achterban. Langzaam ging de VBOK zich richten op christelijk geïnspireerde voorlichting en hulpverlening, en deed afstand van het actieverleden.

    Nadat in 1982 uitgerekend het eerste kabinet-Van Agt een wetsvoorstel door het parlement had geloodst dat abortus definitief legaliseerde – deze legalisatie zorgde trouwens voor een kleine beperking van de tot dan toe geheel vrije praktijk –, was het met de actiebereidheid gedaan. Abortus kon moeilijk nog illegaal genoemd worden. Een enkeling – pater Koopman voorop – bleef doorgaan met protestacties, maar men kon niet meer spreken van een ‘beweging’.

    Niet toevallig was in diezelfde jaren ook het abortusactivisme van de vrouwenbeweging – dat zich tegen elke beperking van het vrouwelijk zelfbeschikkingsrecht verzette – op zijn retour.

    Dat abortus toch altijd een beladen onderwerp zou blijven blijkt wel uit het feit dat de VBOK aan het einde van de jaren negentig uitgroeide tot een van de grootste verenigingen van Nederland en net voor de millenniumwisseling haar honderdduizendste lid mocht verwelkomen.

    De anti-abortusbeweging is heden ten dage grotendeels in vergetelheid geraakt, maar was evenzeer een product van de polarisatie van de jaren zestig en zeventig als de Kabouters of Dolle Mina. Anders dan de pro-lifebeweging in bijvoorbeeld de Verenigde Staten was ze altijd vreedzaam en soms zelfs ludiek. Ze laat zien dat maatschappelijk engagement en idealisme indertijd niet alleen van links kwamen en was een opmerkelijk en kleurrijk onderdeel van een bredere conservatieve tegenbeweging.

    Meer weten
    De meest recente literatuur over de anti-abortusbeweging stamt uit de jaren zeventig en tachtig. Het beste overzicht Joyce Outshoorns De Politieke strijd rondom de abortuswetgeving in Nederland 1964-1984 (1986) Dit is wel geschreven vanuit een feministische achtergrond en doet de anti-abortus beweging weinig recht.
    Andere interessante boeken zijn Geschiedenis van de abortus in Nederland (1979) door Jan de Bruijn, De Abortus Brieven. Een analyse van post aan politici over het abortusvraagstuk (1977) van Lodewijk Brunt en het recente Van Agt Biografie. Tour de Force (2008) door Johan van Merriënboer, Peter Bootsma, Peter van Griensven. Van deze boeken besteden vooral Brunt en van Merriënboer aandacht aan een nieuwe conservatieve tegenreactie (beiden gaan in op de rol van Van Agt), terwijl de Bruin gewoon een goed overzicht geeft van abortus in door de eeuwen heen.