Tijdens de Duitse bezetting probeerde de collaborerende overheid heemkundig onderwijs in te voeren. Maar het plan verzandde in procedures.
De Nederlandse jeugd moest vertrouwd gemaakt worden met de eigen regio, zijn geschiedenis, cultuur en natuur. Heemkundelessen op de middelbare school waren hiervoor het beste middel, dacht Jan van Dam, die in november 1940 aantrad als secretaris-generaal op het departement van Onderwijs. De tijd was er rijp voor: ‘Op dit punt bestaat geen verschil van gevoelens met de bezettingsautoriteiten,’ zei hij tegen zijn afdelingshoofden. Toch werd de invoering van heemkundig onderwijs geen succes, zo blijkt uit het proefschrift van historicus Nienke Altena.
Al voor de oorlog waren er in Nederland voorstanders van heemkunde, met name in katholieke onderwijskringen. Kennis over eigen plaats en regio zou het gemeenschapsgevoel versterken. De Nederlandse Unie, een kortstondige politieke beweging die de Duitsers aan het begin van de bezetting gedoogden, zag er een middel in tegen het ‘onvruchtbaar intellectualisme’ in het onderwijs. Ook de NSB was voorstander, omdat heemkunde zou leiden tot liefde voor alles wat ‘volkseigen’ was. In nazi-Duitsland bestond Heimatkunde als schoolvak.
Juist deze nationaal-socialistische agenda wekte bij onderwijzers en bestuurders in Nederland weerstand tegen de invoering van heemkundeonderwijs. Bovendien maalden de molens op het departement traag. Het afdelingshoofd Jan Karel van der Haagen probeerde volgens Altena het proces te vertragen door te adviseren een commissie in te stellen. Hetzelfde advies kreeg Van Dam van zijn zogenaamde Gevolmachtigde voor de Volkscultuur.
Op deze post had Van Dam een fanatieke nationaal-socialist benoemd, die was bevangen door het bloed-en-bodemdenken. Toch maakte ook deze Herman van Houten weinig haast. Datzelfde gold voor Van Dam zelf, wiens enthousiasme leek te bekoelen. Pas op 10 augustus 1942 stelde de secretaris-generaal een ambtelijke commissie samen, onder voorzitterschap van een NSB’er, die moest onderzoeken of heemkunde een apart schoolvak moest worden of als basis voor het hele onderwijs zou moeten dienen. Van die commissie is niets meer vernomen.
Geen nazi-onderwijs
De Duitse bezetter deed volgens Nienke Altena weinig moeite om het onderwijs in Nederland te nazificeren. Na het nemen van een aantal repressieve maatregelen, zoals het ontslaan van Joodse leraren en het zuiveren van leermiddelen, lieten de Duitsers het onderwijsbeleid over aan de Nederlandse instanties. Op lokaal niveau oefenden sommige NSB-burgemeesters druk uit op scholen om propagandaposters op te hangen of ideologisch ingestoken tentoonstellingen te bezoeken. Maar behalve verplichte gymnastieklessen op de lagere school en extra uren Duits in het middelbare onderwijs, veranderde er nauwelijks iets in het curriculum.

