• Inloggen
  • Shop
  • Winkelmand
  • Log in

    Wachtwoord vergeten?

    Historisch Nieuwsblad 10/2015

    200 jaar Staten-Generaal: 5 hoogte- en 5 dieptepunten

    Door: Rob Hartmans

    Op 16 oktober 1815 kwam de Staten-Generaal voor het eerst bijeen. Dat was het begin van ons huidige parlementaire stelsel. Wat waren de belangrijkste hoogte- en dieptepunten in die twee eeuwen vaderlandse politiek?


    Hoogtepunten
     
    1 1866-1868: de vertrouwensregel
     
    Met de Grondwet van 1848 was het beginsel van de ministeriële verantwoordelijkheid ingevoerd. Dit houdt in dat de ministers verantwoording moeten afleggen aan het parlement. Maar er staat niet in de Grondwet wat er dient te gebeuren als de Tweede Kamer geen genoegen neemt met die uitleg en geen vertrouwen heeft in de minister. De zogenoemde ‘vertrouwensregel’, die inhoudt dat in een dergelijk geval een individuele minister of de gehele regering dient af te treden, behoort tot het ongeschreven staatsrecht en is in de jaren 1866-1868 door de Tweede Kamer afgedwongen.

    In 1866 trad minister Mijer van Koloniën onverwacht af, omdat hij tot gouverneur-generaal van Nederlands-Indië was benoemd. Omdat de indruk was ontstaan dat dit van tevoren bekokstoofd was, diende het antirevolutionaire Kamerlid Keuchenius een motie in waarin het optreden van het conservatieve kabinet- Van Zuylen van Nijevelt werd afgekeurd. Nadat de Tweede Kamer de motie had aangenomen ging het kabinet over tot ontbinding van de Kamer, wat echter een nieuwe Kamer opleverde die niet wezenlijk verschilde van de vorige.
    Kort daarna had de Kamer wederom scherpe kritiek op de regering. Willem III had zijn groothertogdom Luxemburg namelijk aan de Franse keizer Napoleon III willen verkopen, waarna de Pruisische regeringsleider Bismarck met oorlog had gedreigd. Nadat de Kamer tot tweemaal toe haar ongenoegen had laten blijken door de begroting van Buitenlandse Zaken af te keuren, trad het kabinet eindelijk af. Sindsdien geldt de regel dat een kabinet niet kan regeren zonder vertrouwen van het parlement.
     
     
    2 1886: parlementaire enquête
     
    Na de staatsrechtelijke hervormingen uit de periode 1848-1868 waren veel politici van mening dat het politiek bestel nu wel op orde was, en dat het aan de samenleving zelf was om de rest te regelen. Zo gruwden veel liberalen van ingrijpen in de economische verhoudingen. Toen het vooruitstrevende liberale Kamerlid Samuel van Houten voorstelde een wet te maken die kinderarbeid tegen moest gaan, voelde de liberale regeringsleider Thorbecke daar dan ook niets voor.Niettemin werd in 1874, twee jaar na de dood van Thorbecke, een sterk uitgeklede versie van de wet tegen kinderarbeid aangenomen. Omdat de jaren erna de ‘sociale quaestie’ – de enorme sociale misstanden en de ten hemel schreiende armoede onder de arbeidersklasse – hoog op de agenda kwam te staan, maakte in 1886 de Tweede Kamer gebruik van haar enquêterecht. Onderzocht werd in hoeverre het ‘kinderwetje van Van Houten’ werd nageleefd, en of er geen aanvullende wetgeving noodzakelijk was. De deftige Kamerleden – meestal van adel of uit de gegoede burgerij – spraken niet alleen met werkgevers, maar hoorden ook arbeiders. Na deze vaak schokkende verhalen nam de Kamer in 1890 de Arbeidswet aan, waarin de arbeid van kinderen en vrouwen beperkt werd en de Arbeidsinspectie werd ingevoerd. In de jaren erna zou meer wetgeving volgen. Het parlement liet zien dat ingrijpen in de relatie tussen werkgever en werknemer niet alleen mogelijk, maar ook wenselijk was.
     

    3 1939: motie-Deckers
     
    De verkiezingen van 1937 waren een groot succes voor premier Colijn, die hierna voor de vierde keer een regering kon vormen. Binnen het kabinet-Colijn IV waren er voortdurend enorme spanningen, die vooral werden veroorzaakt door verschillende opvattingen over de wijze waarop de werkloosheid bestreden moest worden. Op 30 juni 1939 – terwijl internationaal de spanningen hoog opliepen – bood Colijn het ontslag van zijn kabinet aan.

    Koningin Wilhelmina droeg Colijn op een nieuw kabinet te formeren. Nadat Colijn er met de fractievoorzitters niet uit was gekomen, formeerde hij een kabinet dat naast ministers uit de twee protestantse partijen (ARP en CHU) ook zes partijloze liberalen telde. Dat waren meer liberalen dan er in de Tweede Kamer zaten, terwijl de twee andere partijen slechts 25 van de 100 zetels hadden.

    Onmiddellijk na beëdiging van het vijfde kabinet-Colijn diende de katholieke fractievoorzitter L.N. Deckers een motie in waarin het optreden van het kabinet werd afgekeurd. Deze werd met 55 tegen 27 stemmen aangenomen, waarna Colijn aftrad.

    Met de motie-Deckers werd voorkomen dat koningin Wilhelmina, die per se wilde dat Colijn weer premier werd, een grotere greep op de politiek kreeg, terwijl tevens een einde werd gemaakt aan het steeds eigenmachtiger optreden van Colijn. In het hierna geformeerde kabinet-De Geer werden voor het eerst sociaal-democraten opgenomen, die al decennia bijna een kwart van het electoraat vertegenwoordigden.
     

    4 1972: de Drie van Breda
     
    Een parlement behoort niet zomaar een doorgeefluik voor ‘de publieke opinie’ te zijn, maar een volksvertegenwoordiging die volstrekt doof is voor wat ‘de samenleving’ wil verliest haar legitimiteit. Dit spanningsveld tussen populisme en regentesk optreden is niet van vandaag of gisteren.

    In de loop van de jaren zestig waren onder juristen en politici steeds meer stemmen opgegaan om de drie Duitse oorlogsmisdadigers vrij te laten die nog in Breda gevangenzaten. In 1972 wilde minister van Justitie Dries van Agt daartoe dan ook overgaan, maar dat stuitte op veel verzet. Hoewel de Tweede Kamer niet over gratieverlening kan beslissen, organiseerde zij wel een hoorzitting, waar voormalige verzetsmensen en overlevenden van de kampen aan het woord kwamen.

    Tijdens deze zeer emotionele bijeenkomst, en in vele commentaren in de pers, werd duidelijk dat de samenleving nog niet toe was aan de vrijlating van oorlogsmisdadigers die aanvankelijk ter dood waren veroordeeld. In de jaren vijftig waren enkelen van hen zonder veel problemen vrijgelaten, maar vanaf de jaren zestig namen de belangstelling en gevoeligheid voor de oorlogsjaren sterk toe. Het parlement liet zien dat het begreep wat een dergelijk besluit zou losmaken bij de bevolking.

    Na de hoorzitting en het debat in de Kamer zag het kabinet-Biesheuvel af van zijn voornemen de Drie van Breda vrij te laten. In 1989 kwamen Franz Fischer en Ferdinand Aus der Fünten uiteindelijk vrij; Joseph Kotälla was inmiddels overleden.
     

    5 1999: de Nacht van Wiegel
     
    Dat het parlement dient te luisteren naar de bevolking zal niemand ontkennen, maar moeten de kiezers zich ook rechtstreeks kunnen uitspreken over afzonderlijke beleidsmaatregelen? Voorstanders van het ‘correctief referendum’, waarbij kiezers beleidsvoornemens kunnen verwerpen of maatregelen kunnen terugdraaien, vinden van wel. Voor D66 gold dit zelfs als een van haar ‘kroonjuwelen’ en de partij had invoering van het referendum in 1998 als voorwaarde gesteld voor deelname aan het tweede paarse kabinet.

    Nadat de Tweede Kamer in 1999 met de vereiste twee derde meerderheid een wetsvoorstel had aangenomen dat de betreffende wijziging van de Grondwet mogelijk moest maken, sneuvelde dit alsnog in de Eerste Kamer, omdat een van de senatoren van regeringsfractie VVD tegenstemde: voormalig VVD-leider Hans Wiegel verzette zich tegen dit voorstel. Hij vond dat een referendum – een vorm van directe democratie – op gespannen voet staat met het stelsel van de vertegenwoordigende democratie zoals dat in Nederland functioneert.

    Nadat minister van Binnenlandse Zaken Bram Peper had verklaard dat de burgers een beetje uitgekeken waren op die vertegenwoordigende democratie, stelde Wiegel de retorische vraag of dit aan het bestel lag, of aan de wijze waarop politici ermee omgingen. Volgens Wiegel moest het stelsel niet worden veranderd, maar dienden volksvertegenwoordigers zich duidelijker en moediger te gedragen, ook als er onaangename beslissingen genomen moesten worden. Het systeem was goed, maar de kwaliteit van de parlementariërs kon een stuk hoger.
     

    Dieptepunten
     
    1 1888: Kamerleden weigeren Domela Nieuwenhuis te begroeten
     
    Doordat het algemeen (mannen)kiesrecht pas in 1917 werd ingevoerd, was het niet vreemd dat de Tweede Kamer lange tijd het karakter van een herensociëteit bleef houden. Hoewel men heftig kon debatteren, beschouwde men politiek tegenstanders als beschaafde heren die wisten hoe het hoorde en die de bestaande orde niet rigoureus op zijn kop wilden zetten.

    Hoewel in 1885 met de meubelmaker B.H. Heldt de eerste handwerksman in de Kamer was gekozen, werd dit niet als een bedreiging gezien. Heldt kwam weliswaar op voor de belangen van de werklieden, maar was als brave liberaal allesbehalve een revolutionair. Dit werd anders toen drie jaar later Ferdinand Domela Nieuwenhuis voor het district Schoterland in de Tweede Kamer werd gekozen.
     

    De parlementariërs zagen Domela als een ex-bajesklant, die de revolutie predikte


    Domela Nieuwenhuis was niet alleen de leider van de Sociaal-Democratische Bond, maar was in 1886 wegens majesteitsschennis ook tot een jaar gevangenisstraf veroordeeld. Hoewel deze voormalige lutherse predikant een echte ‘heer’ was, zagen de overige parlementariërs hem dus als een ex-bajesklant, die bovendien de revolutie predikte.

    Toen Domela in mei 1888 voor het eerst de vergaderzaal van de Tweede Kamer betrad, werd hij door alle Kamerleden genegeerd. Niemand kwam op hem af om hem welkom te heten, niemand gaf hem een hand. Ook mannen die hij goed kende en die zelfs bij hem gelogeerd hadden, ontweken hem. ‘Allen schuwden mij als de pest,’ schrijf Domela in zijn memoires. De enige die het fatsoen opbracht de socialist een hand te geven, was de antirevolutionaire minister van Koloniën L.W.C. Keuchenius, dezelfde die in 1866 een belangrijke rol had gespeeld bij de invoering van de vertrouwensregel.
     
     
    2 1939: handgemeen in de Kamer
     
    In de jaren dertig rees de criminaliteit in Oss de pan uit, zodat hier een speciale brigade van de Koninklijke Marechaussee werd ingezet. Al snel werden honderden misdrijven opgelost, waarna de marechaussees door koningin Wilhelmina werden gedecoreerd. Door het onderzoek was echter een beerput opengegaan, en in 1938 werd een fabriekseigenaar gearresteerd wegens ontucht met vrouwelijk personeel, terwijl tevens enkele katholieke geestelijken werden verdacht van seksueel misbruik van minderjarigen. Groot was de verbazing toen de katholieke minister van Justitie, mr. Carel Goseling, hierop de marechausseebrigade ontbond.
     

    Wilt u meer geschiedenisverhalen lezen?

    Ontdek de duizenden verhalen die we voor onze abonnees beschikbaar stellen, lees de nieuwste artikelen uit Historisch Nieuwsblad en ontvang iedere week leestips van de redactie in uw mailbox. Met Historisch Nieuwsblad Online krijgt u altijd de juiste historische context om het nieuws van nu te begrijpen.
    Registreer nu en lees de eerste maand voor slechts 1 euro!

    Al abonnee? Log dan in en lees direct alle geschiedenisverhalen online. Heeft u nog geen account of is uw emailadres niet bij ons geregistreerd? Lees dan hier hoe u verder kunt lezen.

    Word lidInloggen