Home In Suriname is het geld aan de macht

In Suriname is het geld aan de macht

  • Gepubliceerd op: 23 augustus 2000
  • Laatste update 07 apr 2020
  • Auteur:
    Joep Auwerda

Suriname kiest deze maand een nieuwe volksvertegenwoordiging en herdenkt dit jaar de revolutie van 1980 en 25 jaar onafhankelijkheid. Aanleiding om met drie journalisten door de geschiedenis van de republiek Suriname te wandelen: Iwan Brave, Nita Ramcharan en John Jansen van Galen. ‘Welke partij er ook wint, Bouterse blijft achter de schermen aan de touwtjes trekken.’


Waarom ze me had meegenomen naar de Waterkant wist ik niet. Ik had Nita Ramcharan (41), hoofdredacteur van het dagblad de Ware Tijd, gevraagd een paar plekken in Paramaribo uit te zoeken die voor haar verbonden zijn met de geschiedenis van Suriname sinds 1975, het jaar van de onafhankelijkheid. Het zou geen stadswandeling worden, meer een stadszit, op de kademuur, onder de schaduw van een amandelboom, boven de kleine houten bootjes die je naar Commewijne kunnen brengen aan de overkant van de Surinamerivier. Als je haast hebt of als de grote veerpont niet vaart. Zoals Nita dat soms deed, toen ze van 1977 tot 1981 voor de klas stond in Meerzorg.
        Ze moppert op onderwijzers die doodleuk thuis blijven als de veerpont niet vaart, omdat een klein bootje ze te duur is. ‘Ná een schooldag willen diezelfde mensen voor de terugreis wél een klein bootje betalen – dan zijn ze een half uurtje eerder thuis.’
Wijst naar de overkant van de straat: ‘Kijk, daar staat het Monument van de Revolutie – op de plek waar vroeger het politiebureau stond.’

25 Februari 1980. Nita wil haar brommertje tegen het politiebureau zetten, zoals altijd, om dan met pont en bus de school aan de overkant te bereiken. Een politieman schreeuwt tegen haar dat ze de bromfiets daar niet mag neerzetten. Ze zet hem een paar meter verder neer. ‘Nee, je moet weg, weg!!’ Vreemd, denkt ze, en parkeert een paar straten verderop.
        Terug bij het veer klinken er schoten. Losse flodders, denkt ze nog. Een pantserwagen en de patrouilleboot op de Surinamerivier, met aan boord het enige kanon van het land, beschieten het hoofdpolitiebureau, waar politiemannen wanhopig proberen de militairen op afstand te houden. Zo’n vijfhonderd toegestroomde nieuwsgierigen belanden in een kruisvuur.
        ‘Ik ben de broodjeswinkel Shambinda binnen gevlucht omdat ik de eigenaar kende. Stampvol was het – de deuren gingen al snel op slot. Tot er buiten twee mensen werden geraakt; eentje werd er naar binnen gebracht. We hebben nog geprobeerd zijn wonden te stelpen, maar we zagen hem onder onze ogen doodbloeden. Als je de dood ziet dan wil je geen getuige meer zijn. Trillend op mijn bromfiets ben ik naar huis gereden, waar ik even later de rookwolken zag van het politiebureau dat in vlammen opging.’
        Desi Bouterse en nog vijftien andere onderofficieren hebben hun ‘ingreep’ gepleegd. In één nacht krijgen ze Paramaribo in handen en dus heel Suriname. Pas later noemen ze het de revo.
        Wie weet is dit wel een omwenteling voor Suriname, had Nita gemeend, indachtig de lessen marxisme-leninisme die ze had gevolgd bij het Democratisch Volksfront, onderdeel van de Kommunistische Partij Suriname.
        Haar verloofde opperde daags na de staatsgreep: ‘Misschien kun je je diensten aanbieden?’ Maar toen ze de Memre Boekoe-kazerne had gebeld was het antwoord geweest: ‘Luistert u goed. Blijft u thuis en wacht u de berichten af.’

‘Een wandeling? Momenten uit de geschiedenis van de republiek Suriname? Daarvan weet ik weinig af, want ik ben hier niet opgegroeid. Van de onafhankelijkheidsdag op 25 november gaat mijn hart niet sneller kloppen. Wat dat betreft zegt Koninginnedag me veel meer. Ik zal erover nadenken, bel me terug.’
        Een week later staat de journalist Iwan Brave, auteur van Enkele reis Paramaribo. Terug in Suriname, met zijn auto voor de poort. Hij is wel bereid de route die hij als kleuter van huis naar school aflegde, te doen. Zijn vriendin en zijn broer Cecil zijn meegekomen. We zullen de wijk Latour niet binnen rijden, maar keurig parkeren bij een Shell-station en dan verder via de brug over het Saramaccakanaal en de zandweg langs het kanaal naar de arme buurt lopen waar hij de eerste zeven jaar van zijn leven woonde; vierde kind van een alleenstaande vrouw. In 1970 vertrok hij met zijn familie naar Amsterdam.
        Over zijn eerste terugkeer naar de buurt, in 1993, schrijft hij in zijn boek: ‘Ik werd geconfronteerd met een verbijsterende stilstand. Wat als idyllisch in mijn geheugen stond gegrift, bleek een schrijnende derde-wereldarmoede. Een waterleiding was er nog steeds niet. De enige tekenen van vooruitgang waren de houten palen die wat elektriciteitsdraden naar de buurt voerden.’
        ‘Kijk’, zegt Brave, ‘hier ging ik altijd het kanaal in om te baden.’ Cecil, op vakantie over uit Nederland, vraagt of Iwan het roestige scheepswrak op de oever nog herkent. ‘Nee. Dus dat lag er dertig jaar geleden ook al?’
        Ze zoeken naar hun oude huis. Alles is veranderd; overal zijn schuttingen tussen de huizen neergezet, dus Cecil en Iwan weten niet zeker of het houten huisje met donker houten kot als toilet ook het hunne was.
        Ook qua bevolking is de buurt veranderd. In de Goede Verwachting, zoals dit stukje Latour heet, wonen vooral bosnegers, vertelt Iwan: naar de stad gevlucht tijdens de binnenlandse oorlog in de jaren tachtig.
        Een oude buurvrouw komt naar het hek, ze moet eigenlijk naar de dokter, maar als ze Iwan herkent, neemt ze de tijd. ‘Het zijn zware tijden, de inflatie is honderd procent, meneer. Als ik naar de Centrale Markt ga, is het lang zo gezellig niet meer als vroeger. Toen kon ik nog wel eens een praatje aanknopen; nu heb ik steeds een boos gezicht omdat ik op de prijzen loop te letten. Je betaalt duizenden guldens en dan heb je nog geen rijst of olie in je tas.’
        Haar pensioen is bij lange na niet genoeg. Gelukkig stuurt haar dochter in Nederland wat geld. En op haar 61-ste heeft ze nog een jaar als bewaakster gewerkt. ‘Ik zei tegen mijn baas: als er een dief aan komt, doe ik niks hoor. Een stok of wapen had ik niet.’
        Iwan: ‘Maar na de verkiezingen zal het allemaal vast goed komen. Dit keer wel. Toch?’
        ‘Meneer, heeft u die hoop? Als je zo veel schulden gemaakt hebt als deze regering, dan is er toch geen hoop op herstel? Ministers beloven van alles vóór de verkiezingen. Maar daarna? Je loopt je benen krom om iets voor elkaar te krijgen.’

Van verder wandelen met Nita Ramcharan komt het niet, we blijven onder de amandelboom zitten omdat ik één vraag stel die haar niet alleen het volgende uur bezighoudt, maar ook de rest van de dag niet in de koude kleren gaat zitten.
Waarom heeft u het onderwijs voor de journalistiek verruild?
Ze denkt een tijdje. Zegt dan: ‘Ach, ik kan het ook eigenlijk best vertellen. Mijn verloofde was Lesly Rahman, journalist bij de Ware Tijd en een van de vijftien slachtoffers van de decembermoorden in 1982. Al schiet je iemand dood, zijn werk kan altijd worden voortgezet.’
        In 1986 werd Nita journalist bij de Ware Tijd, elf jaar later hoofdredacteur.
        Fort Zeelandia, waar op de binnenplaats de moorden gepleegd zijn – daar komt ze nooit meer. Ook niet tijdens herdenkingen. Ze heeft nog nooit het resultaat aanschouwd van de renovatie van het fort en de officierswoningen eromheen, in 1996, gefinancierd door de Nederlandse overheid, om de regering Venetiaan voor de verkiezingen de wind in de zeilen te geven.
        ‘Lesly stond aanvankelijk welwillend tegenover de revolutie, zoals zo veel Surinamers. Zoals ook andere slachtoffers van de decembermoorden als journalist Jozef Slagveer en eigenaar van het radiostation ABC André Kamperveen.’
        Haar persoonlijke tragiek wil ze buiten de uitoefening van haar vak houden. ‘Dat is lastig, maar ik heb mezelf getraind objectief te blijven. De Ware Tijd is nu een onafhankelijke, ongebonden krant. Ik hang ook niet aan de grote klok dat ik de verloofde van Lesly was. Ik wil dat gegeven niet misbruiken. Als Bouterse nieuws maakt, komt hij in de krant, anders ben je met een persoonlijk ding bezig.’

De regering-Arron was sinds de onafhankelijkheid van 1975 niet in staat gebleken Suriname tot ontwikkeling te brengen. Het cliëntelisme en de corruptie tierden welig, veel Surinamers namen de Bijlmerexpres naar Nederland en duizenden ambtenaren stonden wel op de loonlijst, maar verschenen nooit op het werk. De Nederlandse ontwikkelingshulp leverde geen duurzame economische ontwikkeling op.
        Iwan Brave heeft nog niet zo lang geleden een redelijk triest makende exercitie uitgevoerd in de Ufo, zoals de futuristische Nederlandse ambassade in Paramaribo (bouwjaar 1996) in de volksmond genoemd wordt. Acht maanden werkte hij aan de inventarisatie Nederland en Suriname. Ontwikkelingssamenwerking: een niet evaluerende opsomming van alle projecten tussen 1975 en 1996. Op de ambassade staan dozen vol groene gekafte inventarisaties die nog geen lezer hebben gevonden.
        In Enkele reis Paramaribo schrijft hij wat zijn opdrachtgevers hem voorhielden tijdens het kennismakingsgesprek. ‘Wellicht dat u een spagaat tussen beide landen kan maken.’
        Hij vertelt: ‘Het begint na 1975 met gigantische ontwikkelingsprojecten als West- Suriname. Nieuwe bauxietwinning, een spoorlijn, plannen voor een tweede, nieuwe stad – terwijl het land leegloopt! Hoogmoedswaanzin. Er is bijna honderd miljoen gulden in gestoken. Niets is ervan terechtgekomen. En het eindigt bij goederenhulp: een kruidenierslijst die de Surinaamse overheid bij Nederland inlevert. Letterlijk: zoveel kilo bouillonblokjes, zoveel suiker en olie. En zelfs daar komt ruzie over, want de opslagruimte voor de consumptiegoederen blijkt nog duurder dan de spullen zelf. De levering moest worden stopgezet. Om depressief van te worden. Een paar miljard gulden is over de balk gejaagd. En Nederland stond erbij en keek ernaar.’

John Jansen van Galen, kenner van de Surinaamse geschiedenis, schrijver van Kapotte plantage. Suriname, een Hollandse erfenis, kwam vlak na Kerstmis 1970 voor het eerst in het land. En maakte ook in de drie decennia daarna veel belangrijke ontwikkelingen van nabij mee.
        Nu is hij in Suriname om onderzoek te doen voor een documentaire over Wi Egi Sani, Onze Eigen Zaak, een Surinaams-Creoolse culturele beweging uit de jaren vijftig die gezien kan worden als een voorloper van een nationalistische beweging.
        Die dag wandelen we langs een paar adressen waar hij in de loop der tijd logeerde. Met een grote zwarte paraplu vertrekken we uit Krasnapolsky in de Domineestraat. We komen langs Spanhoek, waar vroeger de wakamans (straatjongeren) en hoeren zich verzamelden. ‘Overigens waren dat er bijzonder weinig: Paramaribo was een vreedzaam stadje. Spanhoek is al lang afgebroken.’ Alles wat er op de hoek Domineestraat, Heiligenweg en de Keizerstraat nog te zien is: schotten.
        De Gravenstraat. Hier sliep hij in het huis van socioloog Frank Bovenkerk, met oropax in de oren tegen het voortdurende verkeerslawaai. 1973. Grote stakingen in het onderwijs. Veel in Nederland links geworden Surinamers speelden er een grote rol in. ‘In de stakingsstencils stond dat de hele structuur van de maatschappij fout was – het verdoemde kolonialisme moest weg. Achteraf gezien waren het de weeën van de onafhankelijkheid. Het sentiment was: Die koelie, die moet zakken van die stoel. Die koelie was de Hindoestaan Lachmon – die moest weg, want die hield de onafhankelijkheid tegen.’

We schuilen tegen de regen op de veranda van het voormailig guesthouse van de Young Women Christian Association in de Heerenstraat, de Waica in de volksmond. Van Galen logeerde er als verslaggever van het doorgaans noodlijdende weekblad Haagse Post vaak, ook ten tijde van de ‘revo’ in 1980.
        ‘De geest die eerste dagen was: schoon schip maken, met zijn allen de schouders eronder zetten. Alle zwervers moesten van de straat en alle ambtenaren moesten om zeven uur naar kantoor, waar ze ontdekten dat er veel te weinig stoelen waren, want de helft kwam meestal niet. Het had direct de eerste dagen al die nare, padvinderachtige kant: wie niet meedoet, krijgt ervan langs. Daar had ik mijn bedenkingen bij. Je zag hoe de eerste mensen die de militairen hadden opgepakt wegens straatslijperij met de karwats kregen, op de grond. Ze nodigden journalisten uit te komen kijken. Ze waren er trots op.’
Heb je bij die staatsgreep ooit gedacht: misschien is het wel wat voor Suriname?
‘Jaa, en ontzaglijk veel mensen in Nederland dachten dat. Ik vind het vals dat dat achteraf ontkend wordt. In de PvdA-fractie keerden alleen Den Uyl en Pronk zich er meteen tegen, die hadden dan ook een heel belangrijke rol gespeeld bij het onafhankelijk worden van Suriname. De overigen hebben hier allemaal missies uitgevoerd: Ed. van Thijn, Bram Peper.’
        De militairen realiseerden zich dat Suriname een Zuid-Amerikaans, Caribisch land is, ze wilden veel lossere banden met Nederland. Dat vond Van Galen wel verfrissend. Want de gerichtheid op voormalige kolonisator bleef ook de eerste vijf onafhankelijke jaren enorm. Projecten die werden betaald met Nederlands geld, moesten worden goedgekeurd door de CONS, de Commissie Ontwikkelingssamenwerking Nederland-Suriname, met daarin deskundigen uit beide landen. ‘We wilden ons er graag mee bezighouden, maar dat is ook een beetje paternalistisch over je graf heen regeren. Dat zaaide hier ontzettend veel kwaad bloed.’

Op straat informeerden Surinamers bij Jansen van Galen naar de prestaties van AZ in de competitie, en de stukken die hij voor de Haagse Post schreef, werden in extenso overgenomen door Surinaamse media, eventueel in drie delen.
        ‘Hier in Suriname zeggen ze dat 1975-’80 de gouden jaren waren. En in Nederlandse kranten uit die tijd lees je bijna uitsluitend over stagnatie en corruptie. Suriname: daar komt niets van de grond; het is niks en het wordt niks. Nederlandse journalisten neigden tot zwartgalligheid, benadrukten de lamlendigheid. Die was er ook wel, maar daarmee hebben we er zelf aan bijgedragen dat in Suriname het vertrouwen in de democratie niet groot was. Wat in Nederland geschreven werd over Suriname: dat moest wel een soort van waarheid zijn, dat had toch het stempel van de koloniale opzichter als het ware.’
        ‘Eigenlijk had die revo-beweging er vóór de onafhankelijkheid moeten zijn. Nu is de onafhankelijkheid een beetje van bovenaf gekomen en een groep nationalisten die zich gewapenderhand inzetten voor zelfstandigheid, die kwam vijf jaar later pas. Maar ik heb van het begin af aan niets gezien in die vreselijke padvinderachtige aspecten: ik stond tweeslachtig tegenover de revolutie.’
        Was Van Galens krediet voor de revo vanaf 25 februari 1980 al met de dag geslonken, na 8 december 1982 was er niets meer van over.

Iwan, zijn broer en zijn vriendin zitten met me aan een tafeltje in een rotishop. Iwan maakt zich kwaad. Ze verkopen geen roti – vandaag niet. Net bij hun oude lagere school geweest: een half uur lopen van hun oude huisje. Een doordeweekse ochtend, maar de Herman Jozefschool lag er verlaten bij: de onderwijzers staken – ze eisen dat hun loon betaald wordt. De examens zijn al uitgesteld omdat er te veel dagen onderwijs verloren zijn gegaan.
        Iwan en Cecil zijn niet vrolijk geworden van hun oude school. ‘Het staat er allemaal veel slechter bij dan dertig jaar geleden. Het schoolplein is met onkruid overwoekerd. De shutters zijn vervangen door tralies.’
Denk je echt dat het beter wordt na de verkiezingen, zoals je je oude buurvrouw voorhield?
‘Natuurlijk niet, dat was een provocerende vraag – om haar uit haar tent te lokken. Welke partij er ook wint, Bouterse blijft achter de schermen aan de touwtjes trekken. In dit land is het geld aan de macht.’

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Historischnieuwsblad.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste historische verhalen door toonaangevende historici. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand, de eerste maand €1,99. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.