Home ‘Iedereen heeft gezweet en geleden’

‘Iedereen heeft gezweet en geleden’

  • Gepubliceerd op: 14 september 2000
  • Laatste update 07 apr 2020
  • Auteur:
    Guido Govers en Marchien den Hertog

Het verleden van slavernij en contractarbeid is veel Surinamers een last. Maar de Hollanders doen alsof hun neus bloedt. Tijd voor een ‘reinigingsdebat’? ‘Het verleden moet bespreekbaar worden. Alleen zó kan de relatie tussen Nederland en Suriname verbeteren.’

Een opmerkelijk initiatief haalde onlangs de Nederlandse media. Roy Groenberg, voorzitter van de Stichting Eer en Herstel lanceerde het plan om op korte termijn een ‘Koloniaal Identificatiemonument’ op te richten. Een monument ter nagedachtenis aan de slavernij in de Nederlandse voormalige koloniën.
        
In het kantoortje van het SIRI, ontmoetingscentrum voor Surinamers in de Bijlmermeer, leest Groenberg vastberaden voor uit de statuten: ‘De stichting stelt zich ten doel om de nazaten van Afrosurinaamse en inheemse Surinaamse slaven te bundelen op basis van hun koloniale verleden, culturele normen, waarden en religie, teneinde door het herdenken, bestuderen en accepteren van het verleden een traumavrije toekomst in de Nederlandse multiculturele samenleving voor hen mogelijk te maken.’
 

Gekerfde geesten

Urwin Vyent, beleidsmedewerker bij het Afro Surinaams Cultureel Centrum ‘Kwakoe’, juicht Groenbergs initiatief toe. Naar zijn idee zullen erkenning en respect voor hun verleden het zelfvertrouwen van de Afrosurinamers, zoals een deel van de Creolen zich tegenwoordig noemt, versterken. ‘Een slaaf was geen mens. Hij was een ding, een ruilgoed. Dat heeft gevolgen voor de psyche, maar tot op de dag van vandaag is daar nooit over gepraat. Na een film over de jodenvervolging verschijnt meteen het nummer van de Stichting Correlatie op het scherm. Maar gebeurt dat ooit als er beelden van de slavernij worden vertoond? Alsof wíj geen gevoelens hebben en niet in gewetensnood raken.’
        
Roy Groenberg is ervan overtuigd dat de Afrosurinaamse gemeenschap in twee categorieën verdeeld kan worden: een groot getraumatiseerd deel en een kleiner deel dat het beladen verleden al heeft verwerkt. ‘We zijn mensen die geboren zijn uit mishandelde zielen, uit gekerfde geesten. Net als iedereen leggen we op vier mei kransen bij het monument op de Dam. Maar wij hebben geen plek om ónze voorouders op de dag van de afschaffing van de slavernij te herdenken. Om alle zwevende geesten van de vermoorde mensen op te roepen en te ruste te leggen.’
        
Urwin Vyent: ‘Te lang zijn de Surinaamse geschiedenis en de erfenis van de slavernij benaderd vanuit een wit perspectief. Ik ben opgegroeid in de Surinaamse binnenlanden. We keken vreselijk op tegen de Nederlanders. We zagen ze als mensen van een hogere stand. Met goddelijke eigenschappen en een goddelijke kleur. Op school leerde ik dat weggelopen slaven boemannen en oproerkraaiers waren. Dat werd op zo’n manier verteld dat je helemaal met de Nederlanders mee leefde. De kolonisten waren de good guys. Je was blij als de weggelopen slaven gepakt werden.’
 

Reinigingsdebat

Zowel Vyent als Groenberg bespeuren aan Nederlandse zijde onwil om de misstanden uit het koloniale verleden onder ogen te zien. Vyent pleit voor een dialoog met Nederland over de gezamenlijke geschiedenis en de slavernij. Een ‘reinigingsdebat’. ‘Nederland moet met de billen bloot en zeggen: “Wij zijn fout geweest.” De slavernij moet bespreekbaar worden. Alleen zó kunnen we het verleden verwerken en alleen zó kan de vertroebelde relatie tussen Nederland en Suriname verbeteren. Ik kan toch ook niet de ene dag mijn vriendin mishandelen en de volgende dag weer bij haar in bed kruipen? Eerst uitpraten. Nederland moet niet bang zijn om het boetekleed aan te trekken. Er moet een leerstoel slavernij komen. En laat die in godsnaam niet bezet worden door een witte man.’
        
‘Onzin’, vindt de Surinaamse historicus Josef Prabhudass Siwpersad, werkzaam bij de Stichting Surinaams Regionaal Steunpunt in Den Haag. ‘In de eerste plaats zijn veel Surinamers te lui om hun eigen geschiedenis te bestuderen. Of ze hebben de mogelijkheden niet. In wetenschappelijk opzicht is het zelfs een voordeel dat Nederlanders zich bezig hebben gehouden met de Surinaamse geschiedenis.’
        
Siwpersad geeft de voorkeur aan een leerstoel ter bestudering van de Nederlandse koloniale geschiedenis in West-Indië. ‘Dat is breder. Slavernij alleen is muf en benauwd. Dat ontaardt al snel in zwart-wit schema’s of in misbruik van de geschiedenis voor politieke doeleinden. Trouwens, het is te eenzijdig om slaven alléén als slachtoffer te zien. Ze hebben heel wat methodes ontwikkeld om te leven en te overleven. Ze hebben ook verzet gepleegd. In die zin waren ze actieve bepalers van hun lot.’
        
De historicus acht een reinigingsdebat volkomen overbodig. In wetenschappelijke kringen is men daar volgens hem allang mee bezig. Al in 1979 promoveerde hij bij Ernst Kossman op het Nederlands regeringsbeleid ten aanzien van — de relatief late (1863) — afschaffing van de slavernij in Suriname.
 

Sektarisme

Siwpersad is Hindoestaan. Zijn proefschrift verscheen in een tijd dat er, mede als gevolg van de Surinaamse onafhankelijkheid, grote spanningen heersten tussen Creolen en Hindoestanen. ‘Het sektarisme vierde hoogtij. Creolen waren de enigen die zich met de slavernij bezighielden. Hindoestanen werden volledig in beslag genomen door hun migratie naar Suriname. Door als Hindoestaan op een Creools onderwerp te promoveren wilde ik het stramien van dit selectief historisch bewustzijn doorbreken. Daarvoor heb ik in brede kring waardering geoogst.’
        
‘Het sektarisme binnen de Surinaamse historiografie is op zich niet verwonderlijk’, zegt Ruud Chander, historicus en directeur van de Omroep Hindoe Media (OHM) in Hilversum. ‘De historische achtergrond van Hindoestanen en Creolen is volkomen verschillend.’ Momenteel bereidt OHM een dramaserie voor om de aankomst van het eerste schip — de Lalla Rookh — met Indiase contractarbeiders in Suriname, 125 jaar geleden, te herdenken. Ook de Hindoestanen hebben geleden onder het koloniale bewind. Ze werden tegen een hongerloontje tewerkgesteld en moesten de barakken betrekken die door de vrijgemaakte slaven waren achtergelaten. Chander: ‘In de serie zullen machtsmisbruik en andere wantoestanden zeker aan de kaak gesteld worden.’
        
Een nuancering van de Hindoestaanse geschiedenis is op zijn plaats, meent hij. Het is niet allemaal zo mooi wat de Nederlanders met de Hindoestanen gedaan hebben. Dat moeten ook jullie weten. Maar behoefte aan excuses van de Nederlandse regering heeft de Hindoestaanse gemeenschap volgens Chander niet: ‘Wíj zijn natuurlijk nooit slaaf geweest. De houding van de Hindoestanen ten opzichte van de Nederlandse overheid is ambivalent. Rond de onafhankelijkheid in 1975 hadden wij nog een achterstandspositie in Suriname. We waren bang dat we na het vertrek van de Nederlanders gedomineerd zouden worden door andere bevolkingsgroepen. Daarom hebben we ons nooit afgezet tegen Nederland.’
        Chander pleit net als Siwpersad voor een geïntegreerde geschiedschrijving. Naar zijn idee zouden de afzonderlijke bevolkingsgroepen daardoor meer begrip voor elkaar kunnen krijgen. ‘Nu is het zo dat de ene groep vindt dat zij harder heeft gewerkt dan de andere om het land tot ontwikkeling te brengen. Maar we hebben het sámen gedaan. Als je in de geschiedenis duikt zul je ontdekken dat echt iedereen gezweet en geleden heeft.’
 

Engelengeduld

Grote groepen Surinamers hebben vanaf de periode vlak voor de onafhankelijkheid de oversteek naar Nederland gewaagd. Eenmaal aangekomen in Bakrakondre werden ze geconfronteerd met een bureaucratisch migrantenbeleid en een doolhof van onbegrijpelijke subsidieregels.
        
‘De groepen die het sterkst georganiseerd zijn en die het beste aansluiten op het beleid dat de overheid heeft uitgestippeld, krijgen subsidie’, vertelt Jan Sariman, ooit het jongste parlementslid van Suriname, maar sinds 1983 politiek vluchteling in Nederland. Als bestuurslid van de Stichting Stuurgroep Javanen Nederland houdt hij zich bezig met vraagstukken van integratie. ‘Hindoestanen en Creolen vechten om de sterkste positie, maar de Hindoestanen zijn wat cultuur en identiteit betreft scherper te onderscheiden dan de Creolen. Die worden vaak geassocieerd met andere Afrogroepen. De Hindoestanen weten zich als groep beter te profileren. Daardoor zijn de Creolen hun voorhoedepositie van twintig jaar geleden volledig kwijtgeraakt.’
        
Javanen lijken in de strijd om overheidsgeld het onderspit te delven. Sariman: ‘Wij leven volgens het principe van Gotong Rojong: het gezamenlijk dragen, of het nu om ontberingen gaat of om gelukzaligheid. Javanen richten zich op gezag en hebben een groot geloof in de Voorzienigheid. In Nederland moet je je noden kenbaar maken, anders word je niet geholpen. Maar Javanen bezetten geen gebouwen en lopen niet met spandoeken. Ze worden niet gezien en dus ook niet gehoord.’
        
De gezagsgetrouwe mentaliteit van de Javanen heeft ook te maken met een dubbel koloniaal verleden. Zij werden vanaf 1890, toen het koloniale regime in Nederlands-Indië op het toppunt van zijn macht was, naar Suriname getransporteerd. Daar leefden de Javanen in dorpsgemeenschappen en waterschappen, volledig afgescheiden van de andere bevolkingsgroepen. Met Westerse leefgewoontes en de Nederlandse taal kwamen ze amper in aanraking.
        
Sariman: ‘De Javanen die in 1974 tijdens de eerste grote trek naar Nederland kwamen, hadden een mythische voorstelling van dit land. In Suriname werd hen destijds door tegenstanders van de onafhankelijkheid voorgespiegeld dat je in Nederland alles kon krijgen zonder ervoor te hoeven werken. Ze waren betoverd. Ze geloofden echt dat de Nederlandse koningin hen als beloning voor al hun geploeter iedere maand een salaris zou geven.’
        
Sariman is verbitterd over de opvang van de Javanen in Nederland, die absoluut niet was afgestemd op hun cultuur en geschiedenis. Toen hij in 1986 met belangenbehartiging begon, moest hij het ministerie van WVC ‘met engelengeduld en opgekropte woede’ duidelijk maken dat er een wezenlijk verschil bestond tussen de afzonderlijke Surinaamse etnische groepen. ‘We zijn weliswaar Surinamers, maar je kunt Javanen niet langs dezelfde wegen bereiken als Hindoestanen en Creolen. Nederlanders missen het vermogen om zich in te leven in mensen die op een ander niveau zitten dan zijzelf. Je kunt van mensen die geen enkel benul hebben van de Nederlandse organisatiecultuur niet verwachten dat ze goed integreren.’
 

Winti in het ziekenfonds

Erkenning van de eigen cultuur en identiteit blijkt ook bij de rest van de Surinaamse gemeenschap een voorwaarde voor succesvolle integratie in de Nederlandse samenleving. Het koloniale verleden van de verschillende bevolkingsgroepen werkt door in hun maatschappelijke positie. Als Creool benijdt Urwin Vyent de Hindoestanen om hun hechte cultuur. ‘Ik ben socioloog, dus ik weet hoe belangrijk het besef van je eigen cultuur is voor het verwerven van een stabiele sociaal-economische positie’, stelt hij. ‘Je kunt eenvoudigweg beter participeren. Veel Afrosurinamers zijn daartoe niet in staat. Ik constateer dat wij zo keurig mogelijk Nederlands proberen te praten en zo netjes mogelijk volgens de normen en waarden van de Nederlandse samenleving proberen te leven. Maar er zijn in de Nederlandse samenleving mechanismen die ons beletten verder te komen. Vertel mij maar eens hoeveel allochtone burgemeesters er in Nederland zijn.’
        
Veel Creolen kampen volgens Vyent en Groenberg met een gebrek aan zelfvertrouwen: een erfenis van de slavernij. Op hun eigen manier proberen beiden hier iets aan te doen. Kwakoe organiseert jaarlijks een Black History Month. Met het bevorderen van een zwart historisch bewustzijn wil Vyent bij Surinaamse jongeren een basis creëren voor maatschappelijk succes. ‘Zonder subsidie overigens’, zegt hij cynisch. ‘Black consciousness is eng.’
        
Roy Groenbergs ambities reiken verder dan een monument. Zijn Stichting Eer en Herstel heeft ook haar zinnen gezet op de bouw van een Surinaamse historisch-cultureel centrum waarin tevens de eerste officiële wintitempel onderdak zal krijgen. ‘Zonder een plek waar wij onszelf terug kunnen vinden, kunnen we niet verder in deze maatschappij. Joden kunnen toch ook niet functioneren zonder een synagoge? Het is trouwens hoog tijd dat winti, net als andere alternatieve geneeswijzen, opgenomen wordt in het ziekenfonds. Anders erken je niet dat onze cultuur deel uitmaakt van de Nederlandse samenleving.’

Hoewel zowel Groenberg en Vyent in de erkenning van hun slavernijverleden een eerste stap zien naar integratie, ervaart niet iedereen binnen de Creoolse gemeenschap deze geschiedenis nog als een trauma dat het zelfvertrouwen in de weg staat. Iwan Bottse is het brein achter Damsko Radio en Obsession. Onafhankelijk Surinaams Nederlands Tijdschrift, dat onlangs landelijk ophef veroorzaakte na een spraakmakend interview met topvoetballers Patrick Kluivert en Clarence Seedorf. Daarin beklaagden de Surinaamse voetballers zich over de manier waarop zij behandeld werden door de Nederlandse voetlbalclubs.
        
Bottse: ‘Als er mensen zijn die vinden dat er een schuld erkend moet worden is dat hun goed recht, maar ik houd mijn vizier op de toekomst gericht. Toevallig zaten wij aan de onderdrukte kant van de samenleving. Dus krijg je een geschiedenis van onderdrukte mensen die de wereld bekijken vanuit een underdogpositie. Mensen met zo’n verleden zijn wantrouwend. Pas als ze dit zelf door hebben, kunnen ze hun kinderen een minder sceptisch beeld van het leven geven. Surinamers worden in dit land geconfronteerd met negatieve berichtgeving en een gebrek aan respect. Wij willen onze doelgroep ervan bewust maken dat het allemaal zo slecht nog niet gaat. Doorgeven van de boodschap “het is de moeite waard dat we hier zijn”, zie ik als mijn levensopdracht.’
 

‘Blanke baas, het is voorbij!’

De meeste Surinamers willen in Nederland blijven. Maar staat de last van het koloniale verleden een succesvolle integratie niet in de weg?
        
Hugo Fernandes Mendez is directeur Coördinatie Integratiebeleid Minderheden bij Binnenlandse Zaken en daarmee een van de weinige Creolen die in de hogere regionen van de Nederlandse samenleving verkeert. Fernandes Mendez: ‘De slavernij en zelfs de koloniale geschiedenis van Nederland in het algemeen wordt stelselmatig genegeerd. Je zult de gemiddelde scholier of zelfs historicus niet betrappen op een consistente kennis hiervan. De Nederlandse samenleving heeft geen enkel besef van de invloed die de slavernij heeft gehad op de Surinaamse maatschappij. Er zou in het onderwijs aandacht voor moeten komen. We moeten ons realiseren dat de Nederlandse en de Surinaamse geschiedenis met elkaar verweven zijn. Het is belangrijk onze gezamenlijke wortels te begrijpen.’
        
Volgens Fernandes Mendez heeft Nederland de erfenis van de slavernij nog lang niet verwerkt. Hoewel de recente verhouding met Suriname de media wekelijks bezighoudt, lijkt de slavernij het nationale geweten niet aan te spreken.

De gezamenlijke verwerking van het verleden is niet alleen van belang voor de integratie van Surinamers, maar is ook een voorwaarde voor de verbetering van de huidige verstandhouding tussen Nederland en Suriname, meent Urwin Vyent. ‘Het is niet voor niets dat Bouterse’s slogan “blanke baas, het is voorbij”, tot de verbeelding van veel Surinamers blijft spreken. De geschiedenis moet onder ogen worden gezien. Uit schuldgevoel heeft Nederland Suriname bij de onafhankelijkheid per hoofd van de bevolking een flink kapitaal geschonken. Maar met geld koop je geen nieuwe psyche.’
        
‘Na 300 jaar verbondenheid is Nederland stinkend rijk en zakt Suriname steeds verder het moeras in’, aldus historicus Siwpersad. ‘Op Nederlands schouders rust de taak om Suriname niet verder te laten zinken. Ik vind dat je het verleden niet moet gebruiken om verdeeldheid te zaaien, maar om bruggen te slaan. Suriname zou de banden met Nederland niet zo moeten verwaarlozen. Suriname moet haar eigen verantwoordelijkheid nemen. Tot op de dag van vandaag hebben Surinamers de neiging om alles op Nederland af te schuiven. In 1979 zei ik al: daar moeten we vanaf. Hoe verder we voortschrijden in de tijd, des te groter wordt onze eigen rol in de geschiedenis. Net als onze eigen verantwoordelijkheid.’
        
Iwan Bottse: ‘Het schiet natuurlijk niet op als je alleen maar anderen de schuld geeft, je moet in de eerste plaats zelf iets doen aan je situatie. Ik kijk naar de toekomst en ga die zelf in de hand nemen.’
        
Roy Groenberg: ‘Wij zouden de slavernij makkelijker kunnen vergeten als jullie ons een volwaardige plaats hadden gegeven in deze maatschappij. Ik ben nu zover dat ik binnen een Nederlandse politieke partij, de PvdA, goed kan functioneren, omdat ik mijn mond kan roeren. En dat wil zeggen dat ik niet in de minderhedencommissie wil zitten, maar in de commissie Buitenlandse Zaken. Ik woon in dit land en ik sta voor dit land. Ik wil voor de Nederlandse belangen opkomen. Ik ben geen allochtoon, ik ben een Nederlander van Afrosurinaamse afkomst. Geloof het of niet, mijn favoriet is koningin Beatrix.’

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Historischnieuwsblad.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste historische verhalen door toonaangevende historici. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand, de eerste maand €1,99. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.