Kunst en waanzin: een kleine (kunst)geschiedenis van de psychiatrie
De psychiatrie ontwikkelde zich vanaf het midden van de negentiende eeuw als een zelfstandig vakgebied. In die periode kwamen in Nederland de eerste wetten rondom de opvang en verzorging van ‘krankzinnigen’.
In de kunstwereld ontstond rond die tijd een romantische hang naar ‘oorspronkelijke kunst’. Deze kunstuitingen zouden niet beïnvloed zijn door tijd of cultuur. Zogenaamde ‘primitieve kunst’, ‘naïeve (ongeschoolde) kunst’ en ‘volkskunst’, maar ook kindertekeningen en kunst van gevangenen, werden beschouwd als zulke ‘pure’ kunstvormen. Gaandeweg viel ook de kunst van psychiatrische patiënten binnen deze categorie. Men ging ervan uit dat zij niet alleen fysiek geïsoleerd waren in de nieuwe buitengestichten, maar door hun aandoening ook nauwelijks ontvankelijk zouden zijn voor ‘externe invloeden’.
De kunstzinnige uitingen van psychiatrische patiënten en de duiding van dit werk hangen nauw samen met ontwikkelingen binnen het psychiatrische vakgebied. Vanaf de vroege twintigste eeuw werden psychiatrische vakbladen dan ook overspoeld met artikelen en studies van psychiaters, psychologen, neurologen en kunstenaars, waarin het thema ‘kunst en waanzin’ op alle mogelijke manieren werd benaderd.
Historicus en curator Tom Theeuwen (Museum van de Geest) verdiept zich al tien jaar in de geschiedenis van de Nederlandse psychiatrie. In het kader van een grote overzichtstentoonstelling dook hij in de historie van deze zogenaamde ‘pathologische kunst’.
In de tentoonstelling – waarvan u een voorproefje krijgt op het festival – worden een aantal bijzondere ‘psychiatrische’ kunstwerken en historische therapievormen onder de loep genomen. Zo krijgt u een interessante kijk op de historische wisselwerking tussen psychiatrische theorie en pathologische kunst.