Contact | Adverteren | Login | Lezersservice

Het laatste taboe in Nederland: NSB-kinderen

Door: Bas KromhoutHistorisch Nieuwsblad 7/2002

Na de Tweede Wereldoorlog wilde de Nederlandse overheid haar ‘foute’, maar bestrafte, onderdanen zo snel mogelijk heropnemen in de maatschappij. Zo trachtte zij te voorkomen dat deze veranderde in een verbitterde groep achtergestelden. Maar de integratiepolitiek mislukte, en daarvan zijn vooral de kinderen van ‘foute ouders’ slachtoffer geworden. Een grootschalige enquête werpt licht op hun schrijnende geschiedenis. Lees hier de belangrijkste resultaten.

‘Opgesloten in een gevangenis, terwijl je nooit iets hebt gedaan’

De Tweede Wereldoorlog in Nederland

Zes tophistorici geven op deze cd’s een nieuw en verhelderend beeld van de cruciale personen, gebeurtenissen en gevolgen van de Tweede Wereldoorlog in Nederland. In 7 uur wordt u volledig bijgesproken over de vele aspecten van deze periode. Zoals:...

€ 7,50 | Koop nu
Veel kinderen van ouders die ‘fout’ waren tijdens de Tweede Wereldoorlog voelen zich buitenstaanders in de Nederlandse maatschappij. Zelfs in de omvangrijke geschiedschrijving over de bezettingsjaren en hun nasleep komen zij nog altijd op de laatste plaats.

Dat bleek weer in 1998, toen het kabinet-Kok een team van historici, verenigd in de Stichting Onderzoek Terugkeer en Opvang (SOTO), opdracht gaf een onderzoek in te stellen naar de vaak problematische herintegratie van verschillende groepen oorlogsslachtoffers in de maatschappij van vlak na de bevrijding. SOTO legde de vergeten verhalen bloot van ex-dwangarbeiders uit Duitsland en Indische Nederlanders die uit de Japanse kampen kwamen. Over kinderen van foute’ ouders werd met geen woord gerept. Hun stem klinkt doorgaans slechts sporadisch, in een enkele televisie-uitzending of autobiografie.
        
‘De gemiddelde Nederlander heeft geen weet van de zwaarte van ons bestaan,’ verzucht Dick Kampman (64). Hij is een van de 229 respondenten die meededen aan een onderzoek van Historisch Nieuwsblad onder kinderen van ‘foute’ Nederlanders, met name NSB’ers. We wilden weten of en in hoeverre het oorlogsverleden van hun ouders hun eigen leven heeft bepaald. Voor het eerst zijn kinderen van ‘foute’ ouders op zo’n grote schaal systematisch geënquêteerd.

De resultaten liegen er niet om: een grote groep kinderen van NSB’ers ondervindt tot op de dag van vandaag ernstige hinder van het verleden van hun ouders en de maatschappelijke uitsluiting die zij na 1945 hebben ervaren. Al hebben zij geen schuld aan de misdaden die uit naam van de nationaal-socialistische rassenwaan zijn gepleegd, toch voelen zij zich besmet.
        
Er moeten in Nederland nog honderdduizenden kinderen van ‘foute’ ouders rondlopen. Omdat je hen niet makkelijk kunt opsporen, hebben we het onderzoek beperkt tot de leden van Stichting Werkgroep Herkenning, een organisatie voor lotgenoten. Van de ongeveer zeshonderd leden heeft eenderde het vragenformulier ingevuld. De mensen die bij de stichting zijn aangesloten erkennen dat het verleden van hun ouders voor een belangrijk deel hun identiteit bepaalt – en ervaren dat als problematisch.
        
Daarmee is niet gezegd dat dat niet geldt voor NSB-kinderen die géén lid zijn van Herkenning. Er zijn NSB-kinderen die geen hinder (meer) ondervinden van het verleden van hun ouders. Maar er zijn er ook die zich er zo voor schamen dat zij zelfs geen contact willen met een organisatie als Herkenning. Veel leden van de stichting zien hun eigen problemen terug bij lotgenoten die geen lid zijn, bijvoorbeeld binnen hun eigen familie. We gaan er dan ook van uit dat de conclusies van dit onderzoek gelden voor het gros van de kinderen van ‘foute’ ouders.

Geheimhoudingsplicht
Uit het onderzoek spreekt allereerst de geestelijke nood onder kinderen van ‘foute’ ouders. Maar liefst 85 procent van de respondenten heeft na de oorlog psychische problemen gekregen. Van die groep heeft wederom 85 procent professionele hulp ingeroepen. De meeste klachten hebben te maken met gebrek aan zelfvertrouwen, neerslachtigheid en angst. Enkelen hebben een of meer pogingen tot zelfmoord achter de rug.
        
Veel respondenten hebben moeite met intieme relaties. ‘Ik voel me in onze wereld niet welkom. Ik schaam me voor mezelf,’ schrijft C. Germs (52). Sinds 1976 gebruikt hij antidepressiva. Het ‘leven met een geheimhoudingsplicht’ heeft een 45-jarige vrouw uit Amsterdam volgens eigen zeggen tot een ‘onzichtbaar’ persoon gemaakt. Sinds een jaar loopt ze bij het RIAGG. ‘Ik voel mij medeschuldig aan de vernietiging van mensen en kinderen.’
        
Dat mensen zich in een zich open en tolerant noemende samenleving als de onze zo schuldig moeten voelen voor keuzes die zij niet zelf hebben gemaakt mag opmerkelijk heten. Deze schuldgevoelens spelen vaak op rond 4 en 5 mei. Voor ruim de helft van de respondenten is de dodenherdenking een moeilijk moment.

‘Ik ben jarig op 4 mei. Het is de vreselijkste dag van het jaar,’ noteert een 52-jarige man uit Maastricht. De eerder genoemde respondente uit Amsterdam vond in 2001 dat ze naar de herdenking op de Dam moest gaan, ‘om te laten zien dat ik het verschrikkelijk vind wat er is gebeurd. Ik voelde me alleen tussen zoveel mensen, ik dacht dat iedereen het aan mij kon zien.’ Een vrouw van 77 die al haar hele leven in een Zeeuws dorp woont heeft vooral een moeite met bevrijdingsdag. ‘Ik mag dan niet meezingen in het koor dat de kerkdienst begeleidt.’

Al tijdens de oorlog voelden NSB-kinderen zich door de rest van de bevolking met de nek aangekeken. Buren gingen hun vaak zoveel mogelijk uit de weg. Terwijl sommige families collectief voor de NSB hadden gekozen, werden andere gespleten in voor- en tegenstanders. Het meest afwijzend waren de andere kinderen op school en in de straat. ‘Vriendinnetjes mochten niet meer met je spelen. Hun ouders spuugden soms op de grond als ze je tegenkwamen. Op school was je een eenling, met wie niemand zich bemoeide,’ schrijft mevrouw R.A. Krul-Kramer (74).

Iets minder dan de helft van de respondenten die de oorlog zelf meemaakten werd het slachtoffer van scheld- en treiterpartijen. Een op de vijf kreeg klappen. ‘Buurtkinderen hebben mij een keer ingesmeerd met een vieze oliebrij en geprobeerd mij van de spoorbrug te gooien,’ schrijft een 75-jarige vrouw uit Assen. ‘Bij het schaatsen werd me van alles voor de voeten gegooid, zodat ik herhaaldelijk viel.’
        
De 5e september 1944, Dolle Dinsdag, luidde voor veel NSB-kinderen het begin in van een periode vol traumatische ervaringen. De geallieerde legers rukten op vanuit België en iedereen verwachtte dat heel Nederland spoedig zou zijn bevrijd. Veel NSB’ers zagen een bijltjesdag in het verschiet en doken onder, of vluchtten naar Duitsland. De kinderen gingen mee.

‘Ons gezin is per trein gevlucht naar Twente,’ vertelt Tineke Derks-Wessels (67). ‘Onderweg bij Amersfoort maakten we ernstige beschietingen van de trein mee. Eerst zijn we bijna twee maanden bij een NSB-gezin in Wierden in huis geweest. Nadat mijn vader was geliquideerd door het verzet, zijn we bij een ander gezin ingekwartierd. Die woonruimte werd “gewoon” gevorderd van de betreffende familie.’
        
Van onze respondenten heeft 38 procent als kind een vlucht naar Duitsland meegemaakt. Soms zelfs alleen, wanneer een kind uit voorzorg naar een Duits kinderkamp of internaat werd gestuurd. P.J. van Leeuwen (70) was in 1944 als leerling van een Duitstalige school in Nederland naar Zuid-Duitsland geëvacueerd, terwijl zijn vader tegen de Russen vocht en zijn moeder plus twee broers bij familie in het Ruhrgebied verbleef. Zo werden hele gezinnen uit elkaar gerukt.
       
Het is niet moeilijk te begrijpen dat vluchten een ingrijpende gebeurtenis was die grote spanningen opriep, zeker bij kinderen. Soms kregen ze een loodzware verantwoordelijkheid te dragen, zoals S., een 72-jarige respondente uit Hengelo, toen 14 jaar oud. Zij schrijft: ‘De trein was vol en donker. Vader had ons naar de trein gebracht. Ik huilde verschrikkelijk om mijn vader, tot ik zei: nu wil ik nooit meer huilen. Ik had de leiding, ik sprak Duits, regelde veel.’
        
De Nederlandse vluchtelingen werden in Duitsland niet met open armen ontvangen. ‘We werden dagenlang heen en weer gereden en waren nergens welkom. We hebben in Lagers geslapen – eerst op het station – en in een school gewoond met heel veel andere Hollanders. Toen bij een boer, daarna in Hersfeld. We hadden werk, en toen alles voorbij was gingen we in vrachtwagens terug.’

Kinderkamp
Terug in Nederland wachtte de NSB’ers geen warm onthaal. Direct na de bevrijding werden ‘foute’ Nederlanders massaal opgepakt en geïnterneerd in geïmproviseerde kampen. Van de kinderen verdween 16 procent ook enige tijd achter prikkeldraad, totdat voor hen opvang beschikbaar kwam. Toen mevrouw Weidema-Gall – nu 71, toen 13 – met haar moeder en broer werd gerepatrieerd uit Duitsland, werd het drietal op doorreis bij Parijs opgepakt en naar Vught gebracht. ‘Daar werden we eerst met z’n elven tegelijk in een wc opgesloten. Vervolgens in een gebouw van de Bata-schoenenfabrieken. Mijn broer kwam apart te zitten. We kregen weinig te eten; mijn broer had erge honger.’
        
De grootste groep NSB-kinderen, 26 procent van de respondenten, werd opgevangen door familie, terwijl 22 procent gewoon thuisbleef bij moeder, als die niet was opgepakt. De respondenten moesten hun vaders gemiddeld twee jaar en een maand missen. Zware gevallen bleven vijf jaar of meer in gevangenschap, hetgeen gold voor eenderde van de vaders. De moeders, die naast hun NSB-lidmaatschap meestal geen andere delicten hadden gepleegd, werden gemiddeld een jaar en twee maanden vastgehouden.
        
Kinderen die onverzorgd dreigden achter te blijven werden toevertrouwd aan het Bureau Bijzondere Jeugdzorg (BBJ), dat door de Nederlandse regering speciaal voor dit doel was opgericht. Ook mevrouw Weidema-Gall en haar broer kwamen uiteindelijk terecht in een kinderkamp. ‘We kregen er luizen, uitslag en slecht eten. Er werden voor kleine dingen zware straffen uitgedeeld. Kleine kinderen gingen dood door slecht eten en gebrek aan verzorging.’
        
Sommige kinderen bezochten hun ouders in het kamp. Dat was voor velen een schokkende ervaring, want mishandeling en ondervoeding waren er aan de orde van de dag. Een nu 73-jarige vrouw uit Uithoorn gaf haar gevangen ouders stukjes chocolade. ‘Dat moest stiekem gebeuren, anders werden ze geslagen waar ik bij was en moest ik weg. Dat was vreselijk, dus dan deed ik het niet meer. Maar ze hadden zo’n honger, mijn ouders wogen elk maar veertig kilo. Altijd ging ik alleen. Ik was heel erg eenzaam en bang, en ging altijd huilend weer naar huis.’
        
Nadat de ouders uit de internering waren teruggekeerd, moesten ze proberen hun leven weer bijeen te rapen. De meeste gezinnen werden herenigd, maar soms had een van de familieleden de oorlog niet overleefd. Van de 229 respondenten waren drie vaders gesneuveld aan het oostfront en twee krijgsgevangen. Vijf vaders waren doodgeschoten door het Nederlandse verzet. In vier gevallen was de vader tijdens de internering bezweken aan ziekte en uitputting. Kinderen die voortkwamen uit een verhouding tussen een Duitse soldaat en een Nederlandse vrouw zagen hun vader meestal nooit meer. Soms stond de moeder het kind af en moest het als wees verder.

Hakenkruis
De Nederlandse overheid had zichzelf na de bevrijding ten doel gesteld haar ‘foute’ onderdanen zo snel mogelijk na hun bestraffing weer in de maatschappij op te nemen. Te allen tijde moest worden voorkomen dat een verbitterde en rancuneuze groep achtergestelden zou ontstaan. Enerzijds uit oogpunt van barmhartigheid, anderzijds omdat men vreesde dat deze groep opnieuw de politieke stabiliteit zou bedreigen. De kerken en de Stichting Toezicht Politieke Delinquenten (STPD) kregen de taak de herintegratie gestalte te geven, door middel van heropvoeding en hulp bij het opnieuw op poten zetten van een zelfstandig bestaan als ‘goede Nederlander’.
        
Achteraf moeten we constateren dat de beoogde snelle herintegratie grotendeels is mislukt. Daartoe ontbrak het de meeste ex-NSB-gezinnen allereerst aan de meest fundamentele voorwaarden: inkomen en onderdak. Huizen, goederen en vermogens waren na arrestatie van de ouders in beslag genomen. Een toen pasgeboren en nu 57-jarige vrouw uit Den Haag werd met haar moeder op straat gezet, terwijl haar vader als arrestant werd afgevoerd. Herhaaldelijk zijn familiebezittingen geplunderd door ‘goede’ Nederlanders. Een anonieme respondent en diens ouders vonden bij thuiskomst uit het interneringskamp de ramen ingeslagen en een groot hakenkruis op de gevel.
        
Niet alleen de NSB’ers zelf, ook hun kinderen werden de dupe van inbeslagnames. J.H. Bos (71) herinnert zich dat ook haar kinderboeken en poëziealbums werden meegenomen. NSB-kinderen groeiden vaak op in armoede. Gezinnen waarvan de woning was afgepakt zochten onderdak bij familie of kregen door de overheid een noodwoning toegewezen. Soms was een gezin dakloos en werd op geïmproviseerde wijze een onderkomen geschapen in bijvoorbeeld een tuinschuur, een onbewoonbaar verklaard huis of een fietsenloods. Waar men ook woonde, zelden was er ruimte genoeg.
        
Daarbij zaten de gezinnen financieel aan de grond. Direct na de oorlog waren het ambtenarenapparaat en het bedrijfsleven grotendeels ‘gezuiverd’ van NSB’ers. Ook in andere sectoren ondervonden oud-NSB’ers tegenwerking bij het zoeken naar werk. Zo schrijft een vrouw van 53 uit Amersfoort: ‘Als vader een baan op zijn niveau zocht, dan kwam hij bij “de laatste twee” en viel dan af vanwege zijn verleden.’

Voor velen zat er niets anders op dan eenvoudige en slechtbetaalde arbeid te accepteren. Anderen moesten noodgedwongen een beroep doen op de Armenwet. Gemeenten betaalden lang niet altijd uit. Hoewel de regering herhaaldelijk waarschuwde dat oud-NSB’ers moesten worden behandeld als alle andere burgers, kwam discriminatie bij sociale diensten vaak voor – net als bij arbeidsbureaus, werkgevers en woningbouwcorporaties.
        
De armoedige thuissituatie verkleinde ook de maatschappelijke kansen van de respondenten. Zo geeft 57 procent aan geen gelijke opleidingsmogelijkheden te hebben gehad. Vanwege het gebrek aan inkomen voor de ‘foute’ gezinnen moesten de kinderen na de oorlog zo snel mogelijk werken en was er geen geld om door te leren. Ook kampte een aantal respondenten met leerproblemen als gevolg van de moeilijke situatie thuis. Lagere opleidingsmogelijkheden hadden natuurlijk invloed op de beroepsmogelijkheden.

Onverzoenlijk
De door de overheid en de kerken gepropageerde verzoening van de Nederlanders met hun eertijds ‘foute’ landgenoten bleef uit. In plaats daarvan koesterden zij een zwart-witbeeld van de bezettingsjaren en identificeerden zij zich massaal met het verzet. Dat leidde tot een onverzoenlijke houding tegenover kinderen van ‘foute’ ouders. Eenderde van de respondenten herinnert zich een slechte relatie met familieleden en buren.

De grootste problemen hielden zij met andere kinderen. Een op de vier respondenten werd regelmatig gepest of uitgescholden, terwijl een op de zeven lijfelijk te grazen werd genomen. ‘Leerkrachten hebben veel bijgedragen om haat te zaaien,’ noteert een anonieme respondent. ‘Ze deden er niets aan als je werd gepest. Deden er zelfs aan mee. Bij geschiedenis moest ik voorlezen over de oorlog. De leraar zei dan tegen mij: “Daar weet jij natuurlijk alles vanaf.”’
        
Veel NSB-kinderen kregen van huis uit de boodschap mee hun mond te houden en vooral niet op te vallen. ‘Ik wilde het verleden van mijn ouders verbergen, want ik was veel te bang dat het consequenties zou hebben als men erachter kwam,’ schrijft D. Verheij (62). ‘Ik stond angstig in het leven. Werd op het schoolplein vaak gepest of geslagen. Ik verkrampte dan helemaal. In de klas kon ik moeilijk meekomen. Daar schaamde mijn moeder zich voor.’

De meeste ouders kropen zelf ook in hun schulp. Van maatschappelijke, sociale of politieke activiteiten was geen sprake meer. De oud-NSB’ers ‘hadden hun lesje geleerd’ of waren bang voor vragen. Zodoende werden ook de kinderen meestal ver weg gehouden van de voetbalclub, het drumkorps, de padvinderij.
        
De angst was niet altijd onterecht, merkte Jan Schutrup (58) op de hervormde zondagsschool: ‘NSB-kinderen moesten apart zitten en kregen met Kerst niets.’ Een praktijk die direct in strijd was met de kanselboodschap uit 1945 waarin de gezamenlijke kerken hun gelovigen opriepen ten aanzien van ‘foute’ Nederlanders ‘de barmhartigheid van Christus’ te betrachten. Net als bij de overheid gold in de kerken blijkbaar dat men aan de top vergevingsgezinder was dan aan de basis.

Mensenschuw
Het sociale isolement van de ex-NSB-gezinnen toont het echec van de verzoeningspolitiek. Het isolement maakte ook de relaties binnen het gezin er niet beter op. In de meeste gezinnen drukte het oorlogsverleden zwaar op de onderlinge verhoudingen. Tussen de beide ouders, omdat ze hun teleurstelling over zichzelf of de samenleving niet met elkaar konden delen. Omdat de vader geknakt uit het kamp was gekomen en zijn frustraties op zijn vrouw en kinderen botvierde. Of omdat de ouders elkaar verwijten maakten over hun keuzes in de oorlog.

Precies dát wat de regering en de kerken wilden voorkomen gebeurde: er ontstond een aparte groep in de samenleving van achtergestelde en verbitterde mensen. Alleen kozen zij niet voor een nieuwe revolutionaire ideologie, zoals gevreesd, maar hielden ze zich grotendeels afzijdig van politiek.
        
In tweederde van de gezinnen werd over de oorlog met geen woord gerept, maar daardoor was die des te meer aanwezig. Wanneer er wel over de oorlog werd gesproken, was er slechts ruimte voor één versie: die van de ouders. Veel NSB-kinderen konden nergens terecht met hun vragen. In sommige gezinnen werd bijna elke emotie taboe. ‘Mijn vader kon zich alleen handhaven door zijn emoties af te sluiten,’ vertelt een 51-jarige vrouw uit Haarlem. ‘Dat heeft heel veel gevolgen gehad voor mijn eigen ontwikkeling.’ De afstandelijke houding van de ouders had zijn weerslag op de kinderen, die onderling vaak ook geen echte band ontwikkelden.
        
Zo kon elk gezinslid op zijn eigen eilandje zitten, ieder voor zich proberend de oorlog een plaats te geven. Voor de kinderen was dat des te moeilijker, omdat zij vaak niet konden begrijpen dat hun ouders iets verkeerds hadden gedaan. Soms nog steeds niet. ‘Mijn vader was een erg lieve man voor mij. Dat maakt het allemaal zoveel ingewikkelder,’ schrijft de eerder genoemde Amsterdamse. Dit dubbele sociale isolement – buiten én binnen het gezin – schaadde de ontwikkeling van de kinderen.

‘Omdat ons gezin geïsoleerd leefde, ben ik mensenschuw geworden,’ noteert C. Germs. Driekwart van de respondenten heeft bij het aangaan en onderhouden van persoonlijke relaties nu nog last van het verleden. Terugkerende thema’s zijn onzekerheid, wantrouwen jegens de goede gezindheid van anderen en een onvermogen adequaat om te gaan met gevoelens.
        
De sociale angst wordt gevoed door negatieve reacties van buitenstaanders. Zo schrijft een 43-jarige maatschappelijk werkster uit Jisp: ‘Mijn collega, een dochter van een Duitse verzetsman, maakte me helemaal met de grond gelijk bij een evaluatie. Iedereen sprak er schande van, maar niemand deed iets en ik raakte mijn werk kwijt.’

Een 60-jarige oud-ambtenaar uit Wedde kreeg op haar werk te maken met aantoonbare discriminatie. ‘Toen ik door hard werken opklom tot een hogere functie, kwamen de problemen en in 1989 ontaardde dat in een arbeidsconflict, waarbij ook een collega met dezelfde achtergrond werd betrokken. Bij de stukken voor de rechtszaak kwam de zinsnede voor: “Die NSB’ers moeten er nu maar eens uit.” Samen kregen we toen ontslag.’
        
Zelfs partners laten zich soms van hun meest bevooroordeelde kant zien. Een 66-jarige vrouwelijke respondent uit Zwolle: ‘Mijn eerste partner reageerde aanvankelijk begripvol, later achterdochtig en vijandig. “Je kunt wel zien uit wat voor nest je komt” was een veel gebezigde uitdrukking.’ Er zijn dan ook NSB-kinderen die hun achtergrond tot op de dag van vandaag geheimhouden.

Barmhartigheid
Het onvermogen van de Nederlandse overheid om voormalige ‘foute’ burgers te laten herintegreren in de maatschappij heeft schuldeloze kinderen tot slachtoffers gemaakt. Van de respondenten zegt 92 procent een hoge prijs te hebben betaald voor het oorlogsverleden van hun ouders. Een 58-jarige vrouw uit Leek spreekt van ‘opgesloten zijn in een soort gevangenis, terwijl je nooit iets hebt gedaan’. Door de armoedige situatie waarin NSB-kinderen kort na de oorlog moesten opgroeien zijn hun opleidings- en beroepsmogelijkheden drastisch ingeperkt. Zij groeiden op in een sociaal isolement, vol angst voor de buitenwereld, met een soms verlammend schuldgevoel, dat tot op de dag van vandaag ernstige gevolgen heeft voor hun psychische en sociale functioneren.
        
Nederland, dat het woord ‘solidariteit’ graag in de mond neemt, sluit tegelijkertijd de ogen voor deze grote groep burgers in nood. Daardoor wordt praktisch ontkend dat kinderen van ‘foute’ ouders oorlogsslachtoffers zijn, die vaak traumatische ervaringen hebben opgedaan, zoals een vlucht naar Duitsland en internering.

Meer dan geld of excuses verlangen de kinderen van ‘foute’ Nederlanders die deelnamen aan ons onderzoek daarom dat er eindelijk een gedegen historische studie komt over hun geschiedenis en problematiek. Daarin moet het falen van de overheid en het maatschappelijk middenveld – inclusief de kerken – in het betrachten van barmhartigheid en het tot stand brengen van verzoening een centrale plaats innemen.

De tijd lijkt er rijp voor, want, zo schrijft een man van 63 uit Emmen, ‘wanneer ik zie dat Máxima wordt aanbeden door de Nederlandse bevolking, denk ik dat een en ander er niet helemaal eerlijk aan toe gaat’. Er is werk aan de winkel voor het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie!

Verwerking gegevens: Abel Gilsing, Emma Los, Janine Voskamp
De auteur zal de resultaten van het onderzoek verwerken in een boek dat in 2003 verschijnt. Met dank aan Stichting Werkgroep Herkenning voor het beschikbaar stellen van haar ledenbestand.



Het Rondom Tien-effect

Het was een historische gebeurtenis voor alle kinderen van ‘foute’ ouders in Nederland. Een lotgenoot, Corry van Dijk, verscheen op televisie. Zomaar, open en bloot, met naam en toenaam. Dat was nog nooit vertoond. In het praatprogramma Rondom Tien van de NCRV vertelde zij over het ‘foute’ verleden van haar ouders en de last die zij daar zelf van ondervond. Een zoon van een oud-verzetsman, die ook aan de discussie deelnam, vierde zijn frustratie bot op Corry. Heel Nederland kon zien met welke vooroordelen en ongefundeerde agressie kinderen van ‘foute’ ouders dikwijls, in verschillende vormen, te maken hadden.
        
De uitzending betekende een belangrijke stap in de richting van maatschappelijke erkenning. Zeven jaar eerder was de Werkgroep Herkenning opgericht. Deze zelfhulporganisatie dreef aanvankelijk louter op vrijwilligers, want op subsidie hoefde niet te worden gerekend. Het was voor de bestuursleden jarenlang vrijwel onmogelijk een afspraak te maken op het ministerie van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk. Als ze bij hoge uitzondering wel werden ontvangen, dan nooit door het directoraat Oorlogsgetroffenen, maar door Maatschappelijk Werk.
        
Halverwege de jaren negentig tekende zich een voorzichtige kentering af in de manier waarop de overheid tegen kinderen van ‘foute’ ouders aankeek. In haar kersttoespraak van 1994 zei koningin Beatrix: ‘Het scherpe beeld van “goed” en “fout”, dat nu zo dikwijls ons oordeel van de oorlog bepaalt, berust op wijsheid achteraf. Sommigen kozen totaal verkeerd; na vijftig jaar dragen de volgende generaties daarvan nog de littekens.’
        
Herkenning kreeg per 1 januari 1995 voor het eerst rijkssubsidie toegekend. Een aantal organisaties van vervolgden en verzetsdeelnemers protesteerde. Ook enkele columnisten spraken er schande van. De Telegraaf schreef dat ‘de subsidie gebruikt gaat worden ter versterking van de eenheid onder de kinderen van oud-NSB’ers’.
        
Na een aantal interviews met kinderen van foute ouders op televisie, voor de radio en in kranten en tijdschriften is het bestaan van kinderen van ‘foute’ ouders langzaam tot de meeste Nederlanders doorgedrongen. Ook de ‘coming-out’ van Sytze van der Zee, oud-hoofdredacteur van Het Parool, in zijn boek Potgieterlaan 7 uit 1997, heeft daaraan bijgedragen. Het wachten is nu op de ‘grote’ geschiedschrijving.

Waarom moet die er komen? Omdat een samenleving zich bewust zou moeten zijn van de manier waarop ze reageert op ‘verraders’. De manier waarop Nederland de afgelopen 55 jaar is omgegaan met ‘foute Nederlanders’en hun kinderen zegt veel over het naoorlogse Nederland en de sporen die de oorlog daarin heeft achtergelaten. Een historisch onderzoek zou zich dan ook niet moeten beperken tot het uitzoeken en erkennen van het leed dat de kinderen van ‘foute’ ouders hebben ondergaan, maar zich moeten afvragen waaróm het de Nederlanders niet lukte om de gevraagde barmhartigheid te betrachten, juist tegenover kinderen. Wat maakte dat Nederland de ogen sloot voor hun problemen? Waarom bijvoorbeeld kon pas in 1995 geld worden vrijgemaakt om deze kinderen te helpen? Welke politieke en sociale keuzes en mechanismes zijn voor die tijd aan het werk geweest? Wellicht is vijftig jaar gewoon de termijn die ervoor staat om de wonden van de oorlog enigszins te helen. Toch zal dit onderzocht moeten worden, al is het maar om niet ook een derde of een vierde generatie te beschadigen


‘Nederland heeft duidelijke fouten gemaakt, tot vandaag aan toe’

Martin Bossenbroek, onderzoekscoördinator van SOTO en auteur van ‘De Meelstreep. Terugkeer na de Tweede Wereldoorlog’(2001):
‘Ik zou meer onderzoek toejuichen. Dat kinderen van “foute” ouders in het SOTO-onderzoek niet dezelfde nadruk hebben gekregen als andere groepen oorlogsslachtoffers heeft te maken met de gehanteerde definities. Wij hebben ons geconcentreerd op degenen die door de Duitse en Japanse bezetter zijn vervolgd, gevangengenomen dan wel tewerkgesteld. Daar hoorden aanhangers van het nazi-regime en hun gezinnen dus niet bij, overigens evenmin als evacués en slachtoffers van bombardementen. Daar kun je natuurlijk over discussiëren. Ik kan me voorstellen dat de tamelijk royale bedragen die de overheid aan sommige door SOTO onderzochte groepen heeft uitgekeerd – overigens vóórdat wij onze conclusies bekendmaakten – ontevredenheid hebben gewekt bij andere groepen die niets gekregen hebben, zoals kinderen van “foute” ouders. Wat dat betreft zie ik het voor hen somber in, gezien het kerende economische tij waarmee het huidige kabinet te maken heeft.’

Jan van de Lande, psychiater, gespecialiseerd in tweede-generatie-oorlogsgetroffenen:
‘Ik vind de cijfers onthutsend. Het blijft een schandaal hoe er maatschappelijk met kinderen van “foute” ouders is omgegaan. Dat zovelen psychisch lijden heeft voornamelijk te maken met stigmatisering. In combinatie met de manier waarop de ouders met die stigmatisering zijn omgegaan, namelijk door te zwijgen. De conspiracy of silence binnen het gezin werkte traumatiserend, omdat kinderen zich automatisch de meest wilde fantasieën vormden. Maar wist men wél van de hoed en de rand, dan was dat vaak net zo traumatiserend. Verder kregen kinderen van hun “foute” ouders de onuitvoerbare opdracht om als het ware in hun plaats nagenoeg perfecte mensen te zijn. Je spreekt dan van het delegate child-effect, dat zich uit in schuldgevoel en faalangst. Dezelfde problemen zie je bij kinderen van verzetsmensen. Er zit qua psychische problematiek niet zoveel verschil tussen NSB-kinderen en andere groepen tweede-generatie-oorlogsgetroffenen. Het is nu eenmaal een algemeen menselijk tekort dat men moeilijk onderscheid kan maken tussen ouders en kind.’

Peter Romijn, auteur van ‘Snel, streng en rechtvaardig. Politiek beleid inzake de bestraffing en reclassering van “foute” Nederlanders 1945-1955' (1989, 2002):
‘Over het resultaat van de herintegratiepolitiek kun je sceptisch zijn. Daar moet je wel bij bedenken dat de doelstelling van die politiek zeer beperkt was: oud-NSB’ers moesten weer hun eigen brood kunnen verdienen en hun kinderen moesten naar school. Aan psychisch leed werd amper aandacht geschonken. Ene A.F.G. van Hoesel, een psycholoog, heeft wel al in 1948 in zijn boek De jeugd die wij vreesden gewaarschuwd voor het grote loyaliteitsconflict waarin kinderen van “foute”’ ouders terecht zouden komen. Met die waarschuwing is niets gedaan.’

Coen Blom, psychiater en oud-bestuurslid van Herkenning:
‘Er is niets terechtgekomen van herintegratie. Zeker niet wat betreft de psychologische kant van de zaak. Voor politiek delinquenten en hun kinderen had men een soort korte heropvoeding bedacht, wat achteraf gezien volstrekt stupide was. Nederland heeft een aantal duidelijke fouten gemaakt, tot vandaag aan toe. Zo was het lange tijd zo dat alle tweede-generatie-oorlogsgetroffenen financiële ondersteuning van de overheid konden krijgen voor extra psychiatrische behandeling, behalve kinderen van “foute” ouders. Ook stond de hulpverlening niet open voor de problematiek van deze specifieke groep. Een groot historisch onderzoek bij wijze van erkenning zal veel van deze mensen goeddoen.’

Hans Blom, directeur van het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie (NIOD):
‘In beginsel is het een geschikt onderwerp voor het NIOD. Maar we kunnen niet alles tegelijk. Er wordt door medewerkers van het instituut overigens wel degelijk onderzoek gedaan naar “foute” Nederlanders, maar dat betreft vooral de ouders en niet de kinderen. In eerdere grote studies naar andere groepen oorlogsslachtoffers is de tweede generatie altijd buiten het onderzoek gehouden. Dat zal wel met financiën te maken hebben, want als je ook latere generaties als slachtoffers gaat aanwijzen, zou de overheid met enorme geldclaims geconfronteerd kunnen worden.’


De resultaten in het kort:

1. Kinderen van ‘foute’ ouders zijn van begin af aan uitgesloten door hun generatiegenoten. Tijdens en kort na de oorlog werden ze op grote schaal gemeden, gepest en uitgescholden door klasgenootjes en buurtkinderen.
2. Van de respondenten heeft 42 procent een traumatische vlucht naar Duitsland meegemaakt, terwijl 10 procent in Nederland onderdook, uit angst voor de wraakzucht van de Nederlandse bevolking.
3. De ouders werden op grote schaal opgepakt en geïnterneerd. Van de kinderen verdween 16 procent ook enige tijd achter prikkeldraad, terwijl 24 procent in een tehuis of pleeggezin werd gestopt.
4. De materiële voorwaarden om na het uitzitten van de straf een nieuwe start te maken, waren belabberd. Dit omdat huizen en bezittingen van de meeste oud-NSB’ers in beslag waren genomen en zij zeer moeilijk aan werk konden komen.
5. De door de Nederlandse regering beoogde herintegratie van de voormalige NSB’ers in de maatschappij mislukte op grote schaal. 75 procent was niet langer maatschappelijk actief. Ook hun kinderen leerden om teruggetrokken te leven. Binnen het gezin drukte ‘de oorlog’ zwaar op de onderlinge relaties en de ontwikkeling van de kinderen.
6. Van de respondenten voelt 59% zich gehinderd in zijn opleidingskansen en 49% waar het beroepsmogelijkheden betreft. 75% ervaart hinder bij het aangaan en onderhouden van persoonlijke relaties.
7. 85 procent heeft na de oorlog te maken gekregen met psychische klachten, variërend van faalangst en sociale fobie tot depressie en zelfs suïcide.
8. Voor 57 procent is de Nationale Dodenherdenking op 4 mei een emotioneel zwaar moment.
9. De respondenten vinden voor 92 procent dat zij een hoge prijs betalen voor het verleden van hun ouders.
10. 62 procent van de respondenten verlangt van het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie een diepgaand historisch onderzoek naar de lotgevallen van de kinderen van ‘foute’ ouders.

 

De Eerste Wereldoorlog (luisterbox)

Vier Nederlandse tophistorici vertellen het aangrijpende verhaal van de Eerste Wereldoorlog (1914-1918). Willem Melching geeft antwoord op de vraag: was de oorlog de schuld van Duitsland? Paul Moeyes vertelt hoe het neutrale Nederland tussen de klippen...

€ 5,00 | Koop nu

Blijf op de hoogte via onze nieuwsbrief

E-book: Kinderen van foute ouders

De Tweede Wereldoorlog blijft ons achtervolgen met nieuwe en oude verhalen. In dit boek heeft Chris van der Heijden verhalen verzameld waarvan sommigen nog altijd denken dat ze beter niet verteld worden. Pijnlijk, ontroerend, hard, verhelderend....

€ 14,39 | Koop nu

Gouden Eeuw

Eerste Wereldoorlog

Tweede Wereldoorlog

VOC

Lincoln

Verhagen plaatst Abraham Lincoln in de context van de geschiedenis van de VS. Volgens velen heeft Lincoln laten zien dat leiderschap niet kan worden aangeleerd, maar dat het aankomt op karakter.

€ 19,95 | Koop nu

Middeleeuwen