Contact | Adverteren | Login | Lezersservice

De Nederlandse economie tijdens de Tweede Wereldoorlog

Door: Hein A.M. Klemann

Lange tijd bestond de indruk dat de Nederlandse economie tijdens de Tweede Wereldoorlog volkomen was ontwricht, maar dat klopt niet. De Duitsers lieten Nederlandse bedrijven doorwerken, waardoor de economie grotendeels intact bleef.

Historisch Nieuwsblad 5/2016

Nederland productieland

De Nederlandse economie had in de oorlogsjaren veel minder te lijden dan vaak wordt aangenomen. Na de oorlog vermoedde Centraal Planbureau-directeur Jan Tinbergen al zoiets. Hij wilde de cijfers daarom herberekenen, maar dat werd hem door minister Gerard Huysmans van Economische Zaken (KVP) verboden. Met het oog op de Marshallhulp had hij liever niet dat de ellende werd afgezwakt.

Eigenlijk is het niet verbazingwekkend dat het na mei 1940 economisch niet meteen slecht ging. Door de Duitse inval werd een van de grote problemen van de jaren dertig – de doorgesneden band met Duitsland – ongedaan gemaakt. De bezetter nam maar wat graag Nederlandse producten af. Eind 1940 beweerde Rijkscommissaris Arthur Seyss-Inquart dan ook dat hij erin geslaagd was de werkloosheid in enkele maanden op te lossen.
 

De economie draaide tijdens WO2 gewoon door

Historici is lang ontgaan dat het economisch niet zo slecht ging. Ook zagen ze niet dat de winstcijfers in 1940 en 1941 gunstig waren. Veel beursgenoteerde ondernemingen keerden in die jaren het hoogste dividend uit in tien jaar tijd.
 
De Duitsers moesten in Europa bepalen hoe ze de veroverde gebieden zouden exploiteren. Het antwoord hing af van twee factoren: hoe efficiënt was de economie van het bezette land, en kon het rustig worden uitgebuit? West-Europese economieën waren uiterst productief, dit in tegenstelling tot die van Polen, Rusland en vooral Joegoslavië. Er was daarom alle reden West-Europa, maar ook Tsjechië, dat kolen, staal en machines produceerde, aan het werk te zetten.
 

West-Europa lange tijd buiten de frontlinie

Bovendien was de eigenlijke oorlogvoering in West-Europa vanaf juni 1940 tot juni 1944 ver weg. Deze gebieden vormden geen achterland van het front, waar vechtende eenheden alles aan onttrokken wat ze elders niet konden verkrijgen. Terwijl Polen, de Sovjet-Unie en Griekenland werden leeggeplunderd, kon West-Europa produceren. Het gevolg was dat Noorwegen, Denemarken, België, Nederland en Frankrijk 78 procent van de bijdragen van bezet gebied aan de Duitse oorlogsinspanning leverden, terwijl ze maar 23 procent van de onderworpen bevolking omvatten.

Afgezien van Noorwegen – dat langs zijn eindeloze kust verdedigingswerken moest aanleggen en die zelf moest betalen – was de Nederlandse bijdrage met 1611 rijksmark per hoofd van de bevolking groter dan die van enig ander land. Omgerekend ging het om 900 gulden, een jaarloon van een ongeschoolde arbeider.
 

Tussen 1938 en 1941 steeg het aantal banen met 260.000

De Duitsers betaalden de leveranciers in de West-Europese landen met geld uit de schatkist of de nationale bank van het bezette land. Dat resulteerde in financiële chaos, maar toch bleven de bedrijven gewoon doorproduceren.
 
Het is lastig om op basis van de CBS-cijfers te bepalen hoe de economie van Nederland ervoor stond. Volgens de CBS-cijfers uit 1946 was het nationaal inkomen in 1944 met 40 procent gedaald. Het is de vraag of dat wel klopt. Het CBS gaf in 1944 al aan dat het geen betrouwbare cijfers meer doorkreeg. Bedrijven vertrouwden het CBS niet, en hielden hun cijfers achter.

Herberekeningen laten zien dat de economie tussen 1938 en 1943 niet met 40 procent daalde, maar slechts met 12 procent. Aangezien de bezetter bijna de helft van de productie naar zich toe haalde, betekende het wel dat de bevolking het met de helft van het vooroorlogse inkomen moest zien te klaren. Tegelijk bleef de economie  functioneren. Daardoor was deze in 1945 weer gemakkelijk op gang te krijgen. Verhalen over verarming vallen zo te rijmen met een goeddeels intacte economie en met forse groei in sommige sectoren. Vooral in de metaal, de textiel, de voedingswaren en lederwaren –sectoren van direct belang voor de bezetter – nam niet slechts de productie, maar ook de productiecapaciteit toe.
 

Zelfoverschatting. Rijkscommissaris Seyss-Inquart beweerde dat hij de werkloosheid had opgelost

Niet alleen voor Nederland, maar voor heel Europa geldt dat de cijfers over de bezettingsjaren moeten worden bijgesteld. Een belangrijke reden daarvan is dat het deel van de productie dat zijn weg vond via zwarte markten nooit in de statistiek terechtkwam. In de statistieken lijkt de krimp daardoor groter dan feitelijk het geval was. Omgekeerd leidde legalisering van de clandestiene productie na de oorlog ertoe dat de statistieken een te hoge groei suggereren. De economische wonderen die zich na 1945 voltrokken, vallen zo goeddeels uit statistische vertekeningen te verklaren.

Ook de groeiende werkgelegenheid moet grotendeels in Nederland zelf worden gezocht. Tussen 1938 en 1941, toen de werkgelegenheid een hoogtepunt bereikte, groeide het aantal banen in de industrie en bij de overheid met 260.000 - dat is met 16 procent. Het aantal overheidsbanen steeg doordat er werk zat in de distributie, de prijscontrole en de organisatie van het bedrijfsleven, maar bijvoorbeeld ook in de controle van verduisteringsvoorschriften. Tegelijkertijd groeide de industrie doordat het nodig was voorheen geïmporteerde producten zelf te maken, maar ook door productie voor de bezetter.
 

Nederland produceerde ook Duitse kinderbedjes en speelgoed

Duitsland had een oververhitte oorlogseconomie en had steeds nieuwe lichtingen soldaten nodig voor het front. Duitse bedrijven die hun orders niet aankonden, konden die overdragen aan bedrijven in bezet gebied. Soms ging het om militaire leveranties, maar Nederland produceerde behalve schepen, vliegtuigmotoren en uniformen bijvoorbeeld ook kinderbedjes en speelgoed.

Aangezien de bezetter vanaf 1942 het gebruik van grondstoffen steeds strikter controleerde, viel er buiten de landbouw en de agrarische industrie steeds minder te produceren waarvan de Duitsers geen weet hadden. Een groeiend deel van de productie was bestemd voor Duitsland.

Uiteindelijk bleef de Nederlandse economie grotendeels intact doordat de bezetter ons land liet produceren en doordat het ver van het front lag. Aangezien Nederland voor de bezetter van belang was, werd zijn bevolking – afgezien van de Joden – relatief goed behandeld. Toch nam Duitsland uiteindelijk bijna de helft van de productie mee zonder reële betaling. De bevolking verarmde daardoor schrikbarend, maar tot de Hongerwinter niet zodanig dat dit grote demografische gevolgen had.

 
Hein A.M. Klemann is hoogleraar economische geschiedenis en internationale relaties aan de Erasmus Universiteit Rotterdam.

Blijf op de hoogte via onze nieuwsbrief

Gouden Eeuw

Eerste Wereldoorlog

Tweede Wereldoorlog

VOC

Lincoln

Verhagen plaatst Abraham Lincoln in de context van de geschiedenis van de VS. Volgens velen heeft Lincoln laten zien dat leiderschap niet kan worden aangeleerd, maar dat het aankomt op karakter.

€ 19,95 | Koop nu

Middeleeuwen