• Inloggen
  • Shop
  • Winkelmand
  • Log in

    Wachtwoord vergeten?

    Account aanmaken
    Historisch Nieuwsblad 6/2021

    Topmonument voor Napoleon

    Door: Thomas von der Dunk

    In 1813 besloot Napoleon dat er een groots monument voor hemzelf moest verrijzen. Ontwerpers in het keizerrijk – ook in Nederland – togen aan het tekenen. Ze bedachten obelisken, zuilen, colonnades, een paleiscomplex en heel veel piramides.

     Tweehonderd jaar geleden, op 5 mei 1821, overleed op Sint-Helena Napoleon Bonaparte, gewezen keizer der Fransen en nog een hele hoop meer. Ver weg van Europa, tamelijk eenzaam en alleen, maar zeker niet vergeten. Hoezeer men dáár met een dode Napoleon in zijn maag zat, en vreesde dat zelfs zijn lijk revolutionaire krachten kon ontketenen, bewezen de pogingen om zijn lichaam ver van Frankrijk vandaan te houden.

    De Bourbons, die weer op de troon zaten, waren zeker niet gediend van zijn overkomst. Pas in 1840 achtte Louis Philippe de kust voldoende veilig voor transport. De terugkeer van Napoleon bracht opnieuw meer mensen op de been dan zijn meeste opvolgers bij leven en welzijn is gelukt. Die liep op zijn laatste triomftocht uit, eindigend in een bijzetting in de Dôme des Invalides, die ooit mogelijk door Lodewijk XIV als nieuw familiemausoleum voor de Bourbons was gedacht. Zelfs na zijn dood legde de grote usurpator zo nog beslag op een van de hoofdmonumenten van de Franse monarchie.

    Nu heeft Napoleon ook zonder dat over een gebrek aan monumenten niet te klagen. Overal waar hij ooit een voetstap heeft gezet of al dan niet in gezelschap een bed heeft beslapen, is er ten minste een plaquette te vinden die daaraan herinnert. Standbeelden te over, in elke mogelijke vermomming – alleen al in Ajaccio verrezen er postuum liefst drie, mogelijk ter compensatie van de onooglijkheid van zijn geboortehuis aldaar.

    Eentje toont hem als generaal in contemporain uniform met karakteristieke steek, een tweede als consul in minder contemporaine toga plus lauwerkrans, en de derde als keizer in eveneens Romeinse outfit te paard, omgeven door zijn vier broers te voet, waarvan hij er drie tot koningen in zijn satrapen-vorstendommen had benoemd. De oerinspiratiebron voor het ruiterstandbeeld vormde zonder twijfel dat van Marcus Aurelius op het Capitool in Rome – het enige dat uit de Oudheid overgebleven is.

    25 miljoen franc

    Anders dan andere gevallen heersers is Napoleon dus niet bepaald door een damnatio memoriae getroffen – de Arc de Triomphe staat er allereerst voor hem. Zelfs toen hij zijn Waterloo vond, werd die slag meer met hem als verliezer dan met zijn overwinnaars geassocieerd. Wie ter plekke rondloopt zou, gezien de verdeling van de aandacht over de hoofdpersonen, overigens bijna gaan denken dat Napoleon die slag nog gewonnen heeft ook. Er waren dan ook vier grootmachten – namelijk alle andere vier – tezamen voor nodig om hem op de knieën te krijgen, en de kersverse Nederlandse kroonprins deed toen eveneens nog even mee. In voor Haagse wereldmedespelers wel vaker kenmerkende zelfoverschatting schreef hij na afloop aan zijn ouders dat hij met zijn schouderwond Europa van de tirannie had gered.

    De (Nederlandse) Leeuw van Waterloo, die het voormalige slagveld domineert, bekroont een hoge met gras beklede kunstmatige heuvel in de vorm van een conische piramide. Mogelijk vormde die zo ook het antwoord op de met obelisk bekroonde aarden piramide die de Franse generaal Auguste de Marmont in 1804 door zijn soldaten bij zijn legerkamp in Zeist had laten oprichten. En die kort daarop aan de Driekeizerslag bij Austerlitz werd gewijd – het nieuwe dorpje bij Zeist kwam zelfs eveneens zo te heten -, waar Napoleon nog de meerdere van twee andere keizers was geweest.

    Die piramidevorm was niet toevallig: Marmont was zes jaar eerder met Napoleon mee geweest op veldtocht naar Egypte. De piramide, al langer in de bouwkunst een veelbenut symbool van de eeuwigheid en juist op het eind van de achttiende eeuw in Europa opnieuw als graftombe in opmars, werd zodoende ook speciaal met de Franse keizer en diens kompanen geassocieerd. Toen een andere naar Caïro meegekomen generaal, Louis Desaix, in het jaar 1800 bij Marengo sneuvelde, circuleerde al snel het idee om hem met een gigantische piramide te gedenken, die midden in het Meer van Genève had moeten komen.

    De meest imposante piramide van allemaal had Napoleon in 1813 zelf moeten krijgen. Want ook al grossierde het Keizerrijk inmiddels in de grootste monumenten, er kon er altijd nog eentje bij. De aanleiding was tamelijk onbenullig: de Franse pyrrhusoverwinning op de verbonden Pruisische en Russische legers bij het Saksische Bautzen op 22 mei dat jaar. Nog tijdens die veldslag had Napoleon de oprichting gedecreteerd.

    De gekozen bouwlocatie had op zich niets met die veldslag te maken: de Mont Cenis, een Alpenpas die van Frankrijk naar Italië voerde en die was uitgebouwd voor verkeer nadat Frankrijk dat aangrenzende deel van Italië in 1802 de facto had opgeslokt. Hier, op een kale hoogte boven de boomgrens, moest hét grote overwinningsmonument ter ere van Napoleon verrijzen, waarvoor een bedrag van niet minder dan 25 miljoen franc werd gereserveerd.

    Megalomaan

    Waarom uitgerekend voor de verheerlijking van een zege in Duitsland een pas op de grens van Frankrijk en Italië werd uitverkoren blijft onduidelijk. Maar hoe onlogisch die plek in dat opzicht ook was, die bood, als het specifieke monument ter meerdere glorie van het hele keizerrijk en zijn onoverwinnelijke keizer werd uitvergroot, wel een mooie aanleiding om de overname van het ene land door het andere in beeld te brengen. Aan de Franse kant zouden de namen van alle departementen van het jonge Franse keizerrijk aangebracht moeten worden. Aan de Italiaanse kant die van de kantons van het niet minder nieuwbakken koninkrijk Italië, waarvan Napoleon zichzelf – het was immers zijn eigen schepping – enige jaren eerder ook in Milaan de kroon op het hoofd had gezet.

    Aanvankelijk had alleen het Institut de France in Parijs zich over het project zullen buigen. Maar de Franse regering had spoedig een prijsvraag uitgeschreven, waarbij ook een reeks van andere (kunst)academies in het hele keizerrijk nadrukkelijk werd uitgenodigd om deel te nemen. Eén daarvan was het Koninklijk Instituut van Wetenschappen, Letterkunde en Schoone Kunsten te Amsterdam, enkele jaren eerder door Napoleons broer Lodewijk voor zijn Koninkrijk Holland gesticht, dat in 1810 door Parijs was geannexeerd. Maar ook in Italië ging men aan de slag. Vastgestelde inleverdatum: 1 november 1813.

    De door het Institut de France benoemde 14-koppige commissie, die als een soort jury moest fungeren, kon zich al in augustus en september over vijftien projecten buigen die inmiddels waren binnengekomen – in sommige academiesteden had men meteen vaart gemaakt. Een aantal van die ontwerpen is bewaard gebleven, en daar zaten niet de meest bescheiden projecten bij. Ook de nodige piramides waren van de partij. Al had een van de commissieleden, de wiskundige Gaspard Monge, uitgerekend dat voor 25 miljoen franc slechts een piramide van 70 meter hoogte kon worden gebouwd. Eentje van waarlijk Egyptisch formaat – dubbel zo hoog, zoals die van Gizeh – zou een half miljard kosten.

    Een piramide van waarlijk Egyptisch formaat zou een half miljard franc kosten

    Over grote formaten gesproken: zowel een Franse als een Italiaanse deelnemer had in 1813 zelfs het megalomane voorstel gedaan om gewoon een van de bergtoppen rond de Mont Cenis tot een gigantische Napoleon-piramide te behakken – zo’n beetje als vanaf 1927 in Mount Rushmore vier Amerikaanse presidentenkoppen in de rots zijn uitgehakt. Het idee greep mogelijk terug op het voorstel dat de Griekse architect Dinokrates ooit aan Alexander de Grote had gedaan om de berg Athos naar zijn beeltenis te bewerken. Omdat Napoleon zich graag aan Alexander spiegelde, en juist in Egypte even overwoog om ook meteen maar naar (inmiddels Brits-) Indië door te marcheren, kan hij naar een dergelijke gedachte best oren hebben gehad. In Parijs had men in elk geval in de nazomer van 1813 al voldoende ambitieuze projecten in handen om uitvoerig te bediscussiëren.

    Uit hun dak

    Uit Nederland zat er toen nog niets bij. In dit geval was de hele onderneming binnen het Koninklijk Instituut beland bij een commissie van elf leden die alle vier de klassen vertegenwoordigden (zie het kader op p. XX). De commissie was pas op 13 juli voor het eerst bijeengekomen. De schilder Cornelis Apostool, de eerste directeur van het Rijksmuseum, trad op als voorzitter. Hij had toevallig net in 1808 een reis over de Mont Cenis gemaakt, zodat zijn persoonlijke kennis van de landschappelijke situatie goed van pas kwam, al schijnt zijn vergaderbijdrage vooral uit het voorlezen van zijn ellenlange dagboekaantekeningen te hebben bestaan en daarmee bij de andere commissieleden korzelige reacties opgeroepen te hebben.

    Als ontwerper was de hoofdrol weggelegd voor de Amsterdamse stadsbouwmeester Abraham van der Hart en hofbouwmeester Bartold Ziesenis, de enige twee architecten onder de elf leden. Ze hoorden weliswaar tot de artistieke top van Nederland, maar die top genoot toen buiten Nederland niet erg veel aanzien. Voor beiden opende deze opdracht op zich ongekende nieuwe horizonten. De door zijn landgenoten nog best gewaardeerde Van der Hart was tot dan vooral betrokken bij de bouw van een reeks sobere stedelijke gestichten, waarvan het Maagdenhuis aan het Spui vandaag de dag om andere dan bouwkundige redenen het bekendste is. Ziesenis kon op minder waardering rekenen, omdat er gewoon minder uit zijn handen kwam. ‘Zeer lui en bijna altijd ziek’ heette het drie jaar eerder over hem in een ambtelijk rapport van zijn ene superieur in Amsterdam aan zijn andere in Parijs. Dat verklaart vast mede waarom het ook ditmaal wat langer duurde.

    Bilderdijk bedenkt een gigantisch paleiscomplex dat amper onderdoet voor Versailles

    Maar toch: voor de Mont Cenis gingen beiden voor hun doen uiteindelijk uit hun dak. Ze ontwierpen enorme obelisken en triomfzuilen, St. Pietersplein-achtige cirkelvormige colonnades en met zuilenportieken uitgeruste paleisachtige garnizoenskazernes. Of combinaties van dit alles, want boven op de pashoogte, zo wist men ook dankzij Apostool, was best veel plaats. Zowel Van der Hart als Ziesenis kwam ook met een piramide; die van de eerste was liefst 100 meter hoog.

    Het indrukwekkendste plan was van de hand van het lid der Tweede Klasse Willem Bilderdijk. Hij was een absolute dilettant, die weleens eerder in de bouwkunst had geliefhebberd en als 17-jarige puber in 1775 aan de Groningse stadhuisprijsvraag had meegedaan, waar zijn inzending de jury vooral door de oeverloosheid van de begeleidende beschrijving had geïrriteerd. Voor de Mont Cenis had Bilderdijk een gigantisch H-vormig paleiscomplex in gedachten, dat met een lengte van een halve kilometer amper voor Versailles onderdeed, en waarvan de middenpartij door een trappiramide werd bekroond.

    Hersenschimmen

    In Parijs heeft men van al dit moois nooit iets te zien gekregen. Op 8 oktober zou de commissie van het Institut de France voor het laatst vergaderen – aan de vooravond van de Volkerenslag bij Leipzig. Tot een volgende bijeenkomst zou het niet meer komen, omdat de afloop daarvan de hele artistieke onderneming in de kruitwolken van de geschiedenis deed verdampen en er niet langer meer een onoverwinnelijke Napoleon voorhanden was.

    Terwijl bij Leipzig de kanonnen al bulderen, zitten de Nederlanders nog te vergaderen

    Leipzig betekende immers Napoleons eerste militaire ondergang, nog geen vijf maanden na zijn decreet om zijn zege bij Bautzen – zo’n beetje zijn laatste – met een reuzemonument te herdenken. Het is alsof, voordat de nederlaag een feit was, nog eenmaal door de keizerlijke kunstbeleidsequipe groots en theatraal moest worden uitgepakt.

    Uit Nederland zat er toen nog steeds niets bij. Terwijl bij Leipzig al de kanonnen bulderden, was men daar nog steeds aan het vergaderen. Zo werd het ook 1 november, zonder dat er een bouwplan op papier stond, laat staan een dat ieders goedkeuring kon wegdragen. Wat uiteindelijk wel binnenkwam, was zozeer overtijd dat het maar niet meer naar Parijs werd doorgestuurd.

    De plannen die wel doorgestuurd waren, bleven eveneens hersenschimmen. De Franse architect Louis Combes uit Bordeaux was echter zozeer aan de door hem ontworpen piramide gehecht dat hij zijn overwinningsmonument voor Napoleon een jaar later na een opmerkelijke ideologische volte face – waarin hij geenszins alleen stond – omvormde tot een monument dat juist de overwinning óp Napoleon moest vieren. Het bekronende standbeeld van de keizer heeft hij er in 1814 uiteraard afgehaald en ingeruild voor een standbeeld dat de vrede verbeeldde. Het gevaarte moest nu ergens op de vlakte bij Leipzig verrijzen, als middelpunt van een nieuwe metropool, Federapolis Europeana. De gedelegeerden van de verenigde vorsten waaraan Europa zijn bevrijding van het Grote Kwaad te danken had, zouden in dit pan-Europese vredesheiligdom bijeen moeten komen – een nieuwe versie van het oude Griekse Delphi op wereldformaat.

     

    Thomas von der Dunk is historicus.

     

    Een romantisch reactionair

    Willem Bilderdijk (1756-1831) geldt als de belangrijkste romantische dichter van Nederland. Van beroep advocaat, maakte hij tijdens de patriottentijd naam als de verdediger van de beruchte Oranjeklant Kaat Mossel. Overtuigd prinsgezind ging hij na de Bataafse Omwenteling in ballingschap in Londen, en vervolgens in Braunschweig. In 1806 keerde hij terug, waarna hij Lodewijk Napoleon Nederlandse taallessen gaf. Zijn verhouding tot Napoleon was ambivalent; al naargelang de omstandigheden betitelde hij hem als ‘Frans helsgespuis’ of ‘een held die wonderen doet’. Na Napoleons val was Willem I even zijn nieuwe hoop, maar met zijn toenemend reactionaire opvattingen zette Bilderdijk zichzelf politiek buitenspel.

     

    Instituut voor Kunsten en Wetenschappen

    In zijn vier jaren als koning van Holland poogde Lodewijk Napoleon het cultuurbeleid van zijn keizerlijke broer op kleinere schaal te kopiëren. Dat betekende vooral dat voor de jonge eenheidsstaat een aantal landelijke instituten werd opgericht, zoals de Koninklijke Bibliotheek en het Koninklijk Museum (later tot Rijksmuseum omgedoopt). Naar Frans voorbeeld kwam zo in de nieuwe hoofdstad Amsterdam in 1808 ook het Koninklijk Instituut van Wetenschappen, Letterkunde en Schoone Kunsten tot stand. De leden ervan werden in vier thematische afdelingen – ‘klassen’ – ondergebracht. Minister van Binnenlandse Zaken Johan Rudolf Thorbecke besloot in 1851 tot een reorganisatie, waarbij het instituut werd omgedoopt in Koninklijke (Nederlandse) Akademie van Wetenschappen. De kunsten als aandachtsgebied werden geschrapt.

     

    Meer weten

    Nederlandse ontwerpen voor een monument ter ere van Napoleon (1995) door E.A. de Jong in Het Bilderdijk-Museum, XII.

    Lodewijk Napoleon en de bouw­kunst (2006/2007) door Thomas von der Dunk in Neder­lands Kunst­historisch Jaarboek, LVI/LVII.

    As Be­fits a Legend. Building a Tomb for Napoleon, 1840‑1861 (1993) door M.P. Driskel.