• Inloggen
  • Shop
  • Winkelmand
  • Log in

    Wachtwoord vergeten?

    Account aanmaken
    Historisch Nieuwsblad 9/2022

    Redder van de Staatskas

    Door: Mathijs van de Waardt

    Het huishoudboekje van de Nederlandse staat was rond 1840 een chaos. Koning Willem I had enorme schulden gemaakt. De liberale minister van Financiën Floris van Hall bedacht een slimme oplossing, die neerkwam op chantage – maar die wel werkte.

    Toen Willem II koning werd, was de financiële situatie van Nederland rampzalig. Zijn vader, koning Willem I, was in 1840 gedesillusioneerd afgetreden. Hij had grootse plannen met Nederland gehad, maar was België verloren en ondervond steeds meer oppositie in de Tweede Kamer. Zo had hij met tegenzin zijn handtekening moeten zetten onder een grondwet waarin het parlement in plaats van eens in de tien jaar elke twee jaar de begroting goedkeurde. Terwijl hij juist had geprobeerd het parlement zo min mogelijk controle te geven over de financiën.

    Willem I had een apart fonds opgericht met de bedoeling de hoge staatsschuld effectief aan te pakken, maar al snel gebruikte hij het om op een ondoorzichtige manier allerlei andere projecten te financieren. Omdat hij zich niet kon neerleggen bij de onafhankelijkheid van België hield hij jarenlang een kostbaar leger op de been, dat hij ook met zijn fonds betaalde. Niemand had financieel overzicht.

    Langzaam bleek hoezeer het huishoudboekje van de staat een chaos was. De Amsterdamse advocaat Floris Adriaan van Hall berekende dat de staatsschuld in 1840 was opgelopen tot 2 miljard gulden. Dat was zo’n 200 procent van het bruto binnenlands product. De rentebetalingen bedroegen 42 miljoen per jaar. Op een begroting van rond de 71 miljoen gulden vormde dat een astronomisch bedrag. Het financieringstekort was een derde van de begroting.

    Portret van Floris van Hall. Als minister weet hij veel te bereiken door zijn pragmatisme.

    Van Hall was nooit heel kritisch geweest over de hoge staatsschuld. Hij vertegenwoordigde vermogende Amsterdamse kooplieden, die veel obligaties – schuldbewijzen van de overheid – bezaten. De rentebetalingen waren voor hen belangrijke inkomsten. Maar nu bleek dat de staat door de hoge schuldenlast weleens kon bezwijken, sloeg de stemming om.

    Een andere Amsterdammer, minister van Financiën Jan Jacob Rochussen, deed een poging de staatskas te saneren. Hij zorgde eerst voor openheid, zodat iedereen wist hoe groot de schuldenproblematiek nu echt was. Daarnaast probeerde hij nieuwe leningen tegen een lager rentepercentage uit te schrijven. Daar stond wel tegenover dat effectenbezitters over hun hele lening rente ontvingen, wat eerder niet het geval was geweest. Ten slotte probeerde hij ook de inkomsten van de staat te vergroten door een aantal belastingen te herzien. Dat laatste ging erg moeizaam. De tekorten bleven en de Tweede Kamer verwierp in 1843 Rochussens plan de rentebetalingen te verlagen; de tegenstanders zagen zijn maatregel als een extra belasting. Hij trad vervolgens af.

    De staat dreigde onder de schulden te bezwijken

    Eerzucht

    Rochussens opvolger werd Johan Adriaan van der Heim. Hoewel hij in de jaren dertig al een plan had gelanceerd om de overheidsfinanciën te saneren door belasting op de rentebetalingen te heffen, zagen weinigen hem als financieel deskundig. En terecht. Hij maakte dezelfde fout als Rochussen door naar impopulaire belastingmaatregelen te grijpen. Zo wilde hij de erfbelasting en de belasting op grondbezit verhogen. Ook stelde hij een heffing op alle ambtenarensalarissen voor en een toeslag op alle rentebetalingen. Hiermee wilde hij 5 miljoen gulden per jaar ophalen om zo het tekort te dekken. Ook zijn plannen haalden het niet en Van der Heim ruimde al na vier maanden het veld.

    Van Hall was inmiddels lid van de regering. Op voorspraak van Rochussen was hij minister van Justitie geworden, nadat twee andere kandidaten de post hadden geweigerd. Het duurde niet lang of hij begon zich ook in financiële zaken te mengen. Met Rochussen ontwikkelde hij plannen voor nieuwe leningen en binnenskamers sprak hij zich uit tegen de belastingplannen van Van der Heim. Van Hall was in korte tijd de dominante factor in het kabinet geworden. De koning had hierdoor eigenlijk geen andere optie dan hem te belasten met ’s lands problematische financiën.

    Van Hall was bewust op deze functie uit, aangezet door een combinatie van eerzucht en financiële expertise. Maar voor de buitenwereld moest het niet lijken alsof hij op het ministerschap van Financiën aasde. Hij liet zich daarom per 22 september 1843 als minister van Financiën ad interim benoemen, terwijl hij ook nog op Justitie zat.

    Van Hall wist dat als hij een nieuwe belasting wilde, hij die heel voorzichtig moest invoeren. Het echec van Van der Heim lag nog vers in het geheugen. Toen hij de begroting voor 1844 en 1845 indiende, liet hij doorschemeren dat er een inkomstenbelasting zou komen. Concreet was zijn plan nog niet; hij zou het later uitwerken in een wet. Toch was de kritiek niet van de lucht. Hij moest het voornemen uit de begroting schrappen om die door de Tweede Kamer aangenomen te krijgen. Als het zo lastig was om de inkomsten te vergroten, waren alleen nog bezuinigingen mogelijk. Veruit de grootste kostenpost was de rentebetaling op de staatsschuld. Op andere onderdelen waren geen grote besparingen mogelijk.

    Koning Willem I houdt jarenlang een kostbaar leger op de been, omdat hij zich niet kan verzoenen met de onafhankelijkheid van België. Een legerkamp in Reijen.

    Eind december 1843 lanceerde Van Hall zijn plan: een wetsvoorstel ‘eener buitengewone belasting op de bezittingen en daarmee gepaard gaande vrijwillige geldleening’. Het idee was om een eenmalige belasting te heffen van 1,5 procent op bezittingen en inkomsten uit bezittingen. Deze belasting moest in een paar jaar 35 miljoen gulden opbrengen. Maar de maatregel hoefde niet door te gaan als er een nieuwe staatslening volgetekend zou worden. Die lening bedroeg 150 miljoen gulden tegen 3 procent rente. Van Hall was van plan daarmee oudere schulden die tegen 4 en 5 procent uitstonden af te lossen. Hierdoor zouden de rentelasten op de begroting dalen en kwam er op termijn geld vrij om schulden af te lossen.

    ‘Monsterwet’

    Van Hall zag ook wel dat dit een gewaagd plan was. Eerdere conversies waren mislukt en Van der Heim was net gestruikeld over nieuwe belastingplannen. Daarom had Van Hall in oktober al contact gezocht met de oude koning Willem I en een klemmend beroep op hem gedaan om 12 miljoen bij te dragen. De gewezen koning zegde toe en van Hall was hem dankbaar. Hij hoopte dat dit gebaar de moraal bij de gegoeden in het land zou versterken om ook in te tekenen op nieuwe obligaties. Om draagvlak te vinden, nam Van Hall de tijd om diverse Kamerleden infomeel te benaderen en voor het plan te winnen.

    In februari 1844 behandelde de Tweede Kamer de ‘monsterwet’, zoals het plan al snel genoemd werd. De Kamer voelde zich in een moeilijke positie gemanoeuvreerd. Ook Van Halls eigen ambtenaren waren sceptisch. De invoering van een belasting onder druk van een nieuwe staatslening was niets anders dan chantage, dat zag iedereen. Het was dan ook geen wonder dat Van Halls plan van alle kanten kritiek ontmoette. Hij ontving zelfs anonieme dreigbrieven. Er werd gezegd dat er naast de ministers geen tien voorstanders van het plan te vinden waren. Met name de liberale pers was meedogenloos.

    Minister Van Hall ontving anonieme dreigbrieven

    Van Hall verdedigde zijn wet met verve. Hij stelde dat hij geen boodschap had aan alle kritiek in de pers en dat hij alleen de mening van de Tweede Kamer als de ware stemming in het land zag. Kamerleden wees hij op hun verantwoordelijkheid. Slechts twee groepen zouden volgens hem tegen de wet kunnen zijn: speculanten of mensen die in de misère kans zagen zelf de redder van het vaderland te zijn. Dat was niet bepaald flatteus voor de tegenstanders van zijn voorstel. Hij was competent en gedurfd in zijn beantwoording, maar in zijn woorden straalde arrogantie door. Dat verwijt zou als een rode draad door zijn carrière blijven lopen.

    Uiteindelijk vond de stemming over de wet op schrikkeldag 1844 plaats. Van Hall had nog kleine toezeggingen gedaan. Zo verminderde hij het bedrag van de lening die voltekend moest worden van 150 naar 127 miljoen gulden. Het was tot op het laatst spannend, zeker omdat zoveel leden zich in hun redevoeringen zo negatief hadden uitgelaten. De als liberaal bekendstaande Lodewijk Luzac veranderde zijn opinie nog. In de afdeling van de Kamer had hij vóór de wet gestemd, maar onder druk van de pers was hij bij de plenaire stemming toch tegen.

    Zijn financiële stunts komen Van Hall ook op kritiek te staan. Op deze prent uit ‘de Nederlandsche Spectator’ wordt hij voorgesteld als een goochelaar.

    Uiteindelijk haalde Van Halls voorstel een meerderheid: 32 Tweede Kamerleden waren voor, 25 tegen. Opvallend was dat vooral Kamerleden uit de rijkere provincies, zoals Holland en Zeeland, voor de wet stemden. Na jaren soebatten over de benarde overheidsfinanciën leken zij de discussie zat. Ideaal was de oplossing niet, maar een alternatief leek ver weg. Mogelijk hadden zij hoop dat hun kapitaalkrachtige kiezers de nieuwe lening wel zouden slikken. Een week later ging ook de Eerste Kamer akkoord.

    Nog 3 miljoen tekort

    Het was nadrukkelijk Van Halls bedoeling dat iedereen kon meedoen. Hij riep alle lagen van de bevolking hiertoe op. Inschrijven kon al vanaf 50 gulden, zodat ook de minder gegoede burgerij een bijdrage kon leveren. Toch vlotte de inschrijving niet. De uiterste inschrijftermijn werd verlengd van 22 naar 28 maart 1844. Van Hall had vooral zijn hoop gevestigd op de handelswereld van Amsterdam, maar op de dag van de sluiting kwam hij nog 3 miljoen tekort. Het spande erom. Nu moest hij de laatste schuldpapieren slijten aan zijn voormalige Amsterdamse clientèle.

    Op vrijdag 29 maart vertrok hij daarom naar de hoofdstad om zijn netwerk te overtuigen toch in te tekenen. Met name bankier Adriaan van der Hoop was hierbij belangrijk. Na met een gesprek met Van Hall verzekerde hij hem dat zijn Amsterdamse en Rotterdamse relaties nog 500.000 tot 600.000 gulden zouden inleggen. Zaterdag keerde Van Hall terug in Den Haag en deed de koning direct verslag van zijn geslaagde missie.

    Even dreigde het alsnog mis te gaan. Bij de zondagse dienst van 31 maart liet de koning zijn dank uitspreken voor het welslagen van de operatie. De Rotterdamse investeerders, die dachten dat hun bijdrage niet meer nodig was, krabbelden terug. De koning liet het bericht rectificeren en legde daarop zelf het opengevallen bedrag in.

    Op 2 april kon de Staatscourant het succes van het enorme waagstuk melden. Uiteindelijk werd van de 127 miljoen 60 miljoen door Amsterdam ingetekend, 20 miljoen door Rotterdam en 15 miljoen door Den Haag. Van Halls Amsterdamse netwerk had zijn meerwaarde bewezen.

    Dat betekende ook dat de gevreesde belasting op de bezittingen van de baan was. Van Halls wet bleek een keerpunt en de staatsfinanciën klommen langzaam uit het dal. De staatsschuld verminderde door zijn maatregel in één keer met 51 miljoen gulden. Tijdens een Kamerdebat in juni van dat jaar kon Van Hall tevreden terugkijken. Hij constateerde dat de nieuwe lening met een lager rentepercentage er direct voor had gezorgd dat er bijna 7 miljoen gulden per jaar minder aan rente betaald hoefde te worden. Rentebetalingen daalden naar 36 miljoen in 1847. Dat was nog steeds de helft van de rijksbegroting, maar het vertrouwen was terug. Dat kwam ook doordat binnen twee jaar Van Hall een begroting met een positief saldo kon presenteren. Hij werd daarna algemeen als de redder van de staatskas gezien.

    Dwangarbeid

    Maar de grootste winst kwam niet door een inperking van de uitgaven, maar door een vergroting van de inkomsten. In 1830 was in Nederlands-Indië het cultuurstelsel ingevoerd. Dit bepaalde dat de inheemse bevolking van de kolonie 20 procent van het land moest bewerken om producten te leveren voor de Europese markt, met name koffie. De opbrengst – het batig slot – vloeide direct in de staatskas. Hoewel de baten aanvankelijk tegenvielen, begon het cultuurstelsel vanaf de jaren veertig zijn vruchten af te werpen. De winst was in dat decennium anderhalf keer hoger dan in de tien jaar ervoor. In de jaren vijftig zou die vervolgens bijna verdubbelen. Dat ging op Java echter wel met dwangarbeid en hongersnood gepaard.

    Het Cultuurstelsel levert Nederland veel geld op. Zicht op Koepang, Timor. Gravure naar een schilderij van Alphonse Pellion.

    Het neemt niet weg dat Van Hall een uitzonderlijke prestatie had geleverd. Om de financiën te saneren had hij de politieke elite in Den Haag met de financiële elite in Amsterdam laten samenwerken. Door de grondwetsdiscussie (zie kader op p. XX) los te koppelen van de financiële vragen en door zijn hooghartige optreden vervreemdde hij zich wel van de liberalen.

    De huidige minister van Financiën heeft een overzichtelijker probleem dan haar voorganger uit de jaren veertig van de negentiende eeuw. De staatsschuld is dan wel toegenomen, maar de rentelasten zijn veel beter te dragen, omdat de economie nog sterker is gegroeid. Bovendien zijn de rentepercentages nu veel lager.

    De belasting op bezit is er nooit gekomen, maar inmiddels kennen we een veelvoud aan andere belastingen: inkomstenbelasting, vermogensbelasting en btw, om er maar een paar te noemen. Belastingen bleken in de anderhalve eeuw die volgde een beproefd middel om tekorten in de staatskas aan te vullen.

    Mathijs van de Waardt is historicus en werkt aan een biografie over Floris van Hall.

     

    Grachtengordel

    De economie stond er aan het begin van de negentiende eeuw niet best voor. De stapelmarkt was na de napoleontische periode sterk teruggelopen en in Amsterdam werd vooral geld verdiend in het bankierswezen en de aandelenhandel. De Amsterdamse handelshuizen hadden de naam te beleggen in ‘veilige’ obligaties en niet in nieuwe bedrijfstakken. Veel van de rentes die op de staatsschuld werden betaald, vloeiden zo naar de grachtengordel. Van Hall was voor zijn ministerschap huisadvocaat geweest van enkele van de voornaamste handelshuizen en lobbyde voor hen in Den Haag.

    Gevierd en verguisd

    Floris van Hall (1791-1866) stond rond 1830 bekend om zijn hervormingsgezinde ideeën. Hij had onder andere een liberale krant opgezet en was voorstander van ministeriële verantwoordelijkheid, directe verkiezingen van de Tweede Kamer en een jaarlijkse goedkeuring van de begroting. Maar als minister leek hij weinig werk te maken van een grondwetsherziening die dit mogelijk zou maken, terwijl hij daar binnenskamers wel voor pleitte. Daarnaast stelde hij zich tegenover zijn politiek tegenstanders uit de hoogte op. Van Hall wist door handig te opereren veel te bereiken, maar daardoor dolven zijn principes nogal eens het onderspit. Daarom was hij ondanks zijn successen bij de liberalen impopulair. Johan Rudolf Thorbecke betichtte hem in 1860 zelfs van ‘parasitische politiek’.

     

    Meer weten

    De eerste honderdvijftig jaar (2013) door Joop van den Berg en Jan Vis beschrijft de parlementaire geschiedenis ten tijde van Van Hall.

    Koning Willem II 1792-1849 (2013) door Jeroen van Zanten geeft een levendig beeld van de politieke invloed van de koning.

    Omwille der billijkheid (2002) door Christianne Smit laat zien hoe moeizaam politieke discussies over inkomstenbelasting waren.