Contact | Adverteren | Login | Klantenservice | Privacy
Log in
Wachtwoord vergeten
dinsdag 22 januari 2013

‘Oorlog in Indonesië nooit goed verwerkt’

Fasseur en Goedkoop over de politionele acties


door Floris Betlem

Het NIOD, het Nederlands Instituut voor Militaire Historie (NIMH) en het Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde (KITLV) pleitten in juni 2012 voor een hernieuwd onderzoek naar de oorlogsmisdaden tussen 1945 en 1949 in Indonesië. Dit voorstel werd kracht bijgezet toen die maand daarop nieuwe foto’s opdoken uit een privé-album van een overleden ex-KNIL-militair, van executies die waarschijnlijk waren uitgevoerd door het Nederlandse leger in Indonesië. In december 2012 liet de minister van Buitenlandse Zaken Frans Timmermans weten dat de regering een nieuw onderzoek niet financieel zou ondersteunen, vooral omdat de Indonesische regering hierop tegen was. Het NIOD, NIMH en KITLV waren teleurgesteld, maar beraden zich toch of en hoe zij op korte termijn, het beoogde onderzoek kunnen uitvoeren.

Onderzoek

Op de vraag waarom de periode ’45-’49 een delicate kwestie blijft in de Nederlandse geschiedenis antwoordt Goedkoop: ‘Het is nooit goed uitgezocht. De rapporten van de commissies Enthoven en Van Rij Stam uit 1948 en 1954, die schreven over massale executies op Zuid-Celebes, zijn nooit openbaar gemaakt. Ook de Excessennota uit 1969 geeft een vertekend beeld van wat er zich werkelijk heeft afgespeeld’. Fasseur, auteur van deze nota, sluit zich aan bij de mening van Goedkoop: ‘In januari 1969 kreeg ik de opdracht om de Excessennota te schrijven, een titel waar toenmalig premier Piet de Jong voor pleitte omdat hij niet wilde spreken over oorlogsmisdaden. Ik kreeg vier maanden de tijd om het onderzoek af te ronden en er werd mij niets in de weg gelegd om het Nederlandse militaire archiefmateriaal uit deze periode te onderzoeken. Maar ik had alleen tijd genoeg om de excessen die de aandacht kregen te onderzoeken, de minder bekende bleven daardoor onderbelicht’.

Dat er nooit een alomvattend onderzoek heeft plaatsgevonden is ook te wijten aan de passieve en nationalistische houding van de Indonesische regering. Fasseur: ‘Indonesië wil niet meewerken aan een onderzoek naar de periode 1945-1949, wat de situatie bijzonder ingewikkeld maakt. Je kunt deze kwestie dan maar van één kant belichten’.

Het NIOD stelt dat jonge historici de nationalistische geschiedschrijving in Indonesië willen doorbreken. Goedkoop twijfelt hieraan: ‘Er zijn volgens mij maar weinig jonge Indonesische historici die hiervoor pleiten. Want dan blijkt dat er ook veel andere groepen, zoals de communisten en de moslims, meegevochten hebben met de nationalisten van Soekarno’.

Helden en schurken

Elke oorlog kent zijn helden en schurken, zo ook de koloniale oorlog in Indonesië. Goedkoop: ‘Mijn opa is de held voor mij, hij heeft als generaal-majoor in het KNIL veel te verduren gehad. Daarnaast heeft hij veel opgeofferd voor wat hij dacht dat goed was. Je kunt het bijna niet meer voorstellen, maar veel mensen van zijn generatie waren bereid alles op te offeren voor het vaderland en de koningin. De schurk voor mij is toch wel Raymond Westerling (Westerling had de leiding over een speciale eenheid van het KNIL die in 1946 en 1947 verantwoordelijk was voor massa-executies op Zuid-Celebes, red.), mijn oma zal het hiermee eens zijn geweest. Toch is het apart dat zij met mijn opa en Westerling op de veranda heeft gezeten om over de toekomst van ons Indië te praten’.

Fasseur: ‘De helden voor mij zijn wel de drie mariniers die in 1947 besloten niet mee te doen een kampong in brand te steken, waar ze natuurlijk voor gestraft werden. Dit verhaal kwam ik tegen in een van de archiefstukken en het raakte mij toentertijd ontzettend. Mijn schurk ben ik ook tegengekomen in de archiefmaterialen, dat was een kolonel die de leiding had over een overvolle gevangenis op Oost-Java. Elke avond liet hij een aantal mensen executeren, om zo plaats te maken voor de nieuwe gevangen en het wrange hieraan is dat deze kolonel gewoon jaren later in zijn bed is gestorven’.