Contact | Adverteren | Login | Klantenservice | Privacy
Log in
Wachtwoord vergeten
maandag 21 januari 2013

‘Beeldvorming militante vrouwen vaak gedramatiseerd’

Beatrice de Graaf over vrouwelijke terroristen

In haar boek Gevaarlijke vrouwen beschrijft Beatrice de Graaf de (vermeende) radicalisering van tien vrouwelijke terrorismeverdachten. Volgens De Graaf, hoogleraar aan het Centrum voor Terrorisme en Contraterrorisme van de Universiteit Leiden, nemen deze vrouwen een bijzondere plaats in binnen de beeldvorming rond terroristen. Afhankelijk van tijd en plaats zijn ze afgeschilderd als naïeve meisjes of als bloeddorstige feeksen. Beide beelden zijn onjuist, zegt De Graaf.

Waarom dit boek?
‘Er is eerder wel een aantal boeken gepubliceerd over vrouwelijk terrorisme, vooral door sociale wetenschappers. Die proberen met kwantitatief onderzoek een algemene trend op het spoor te komen. Als historicus daarentegen ben je bij uitstek iemand die de persoonlijke verhalen en de chronologische ontwikkeling bekijkt.

Tijdens mijn onderzoek voor mijn vorige boek, Theater van de angst, kwam ik in de archieven steeds nogal dramatische krantenartikelen tegen over vrouwen die van terrorisme verdacht werden. Wanneer ik die verhalen dan vergeleek die met informatie uit dagboeken en interviews met familieleden, dan bleken de feiten dikwijls niet of nauwelijks overeen te komen. Het beeld dat media van de vrouwen schetsen is vaak ófwel overdreven en gedramatiseerd, ófwel juist enorm bagatelliserend en kleinerend. In mijn boek vertel ik de persoonlijke verhalen van deze vrouwen en zet die af tegen de beeldvorming.’

In Nederland kregen militante vrouwen in de jaren zeventig weinig aandacht, schrijft u in uw boek. Waar lag dat aan?
‘Toen het geval van Lidwina Janssen bekend werd (in 1976 werd zij in Israël opgepakt onder verdenking van spionage voor het Volksfront voor de Bevrijding van Palestina, red.), werd zij in Nederland gezien als een naïef meisje dat mee was gesleept door haar vriend. Dat zou een verklaring kunnen zijn. Ik denk dat het een vorm van provincialisme was. Vrouwen als Lidwina Janssen waren bezig met activiteiten ten behoeve van terroristische organisaties elders, namelijk in Israël en Jemen. Nederlanders hadden daar weinig kennis over en konden zich er ook niet echt voor interesseren.

Ook in West-Duitsland waren in die tijd vrouwen betrokken bij dit soort organisaties, Palestijnse, of Duitse, maar daar reageerde iedereen, media, politici, bevolking, wel extreem negatief of zelfs hysterisch. Dat kwam door de scherpe tegenstellingen tussen links en rechts. De frontlijn van de Koude Oorlog liep door Duitsland heen, ‘gevaar van links’  had daardoor een andere connotatie dan hier. West-Duitsland had een open flank naar het Waschaupact. Daar dacht men bij wijze van spreken meteen aan het echte Rode Leger of aan de Stasi wanneer het logo van de Rote Armee Fraktion weer eens was gesignaleerd.

En ook de mediacontext was in Duitsland anders. Je had daar een goed opgetuigde boulevardpers, bijvoorbeeld de Bild-Zeitung van Axel-Springer Verlag, die de situatie dramatiseerde en overdreef. In Nederland had je wel De Telegraaf, maar die timmerde hierover toch veel minder aan de weg.

Ook het linkse kabinet onder leiding van Joop den Uyl was veel terughoudender dan de sociaal-democraten onder Helmut Schmidt in de Bondsrepubliek. De regering wilde per se niet de kant van West-Duitsland opgaan. Een laatste reden kan zijn dat de samenleving in Duitsland nog veel sterkere burgerlijk-patriarchale tradities kende. Als je de uitlatingen van politiecommandanten of bewindslieden uit die tijd hoort over vrouwelijke radicalen, dat is niet mis. Dat was echt zwaar seksistisch.’

Speelde seksisme een rol bij het “zachte” imago van Lidwina Janssen?
‘Ja, het beeld van haar was niet bepaald geëmancipeerd. Het vrouwelijke en lieve uiterlijk van Lidwina Janssen zorgde ervoor dat ze onderschat werd. Dat vind ik seksistisch.’

In hoevere kun je Lidwina Janssen een terrorist noemen?
‘Ik noem geen van de vrouwen een terrorist. Daarom luidt de ondertitel van het boek Tien militante vrouwen in het vizier. Ik bepaal niet wat terrorisme is. Ik probeer als historicus te achterhalen wat in de geschiedenis op een gegeven moment als terroristisch wordt gezien en door wie.

Bij Lidwina Janssen zijn pogingen gedaan om haar als terrorist neer te zetten. Er is in die jaren, 1970-1977, ook wel een klein debatje geweest over de noodzaak van terrorismewetgeving. Er was nog geen wet op terrorisme, die is er pas in 2004 gekomen. Er kwam druk uit Israël, en van conservatieve partijen om in Nederland bepaalde groeperingen als terroristisch te kwalificeren en te verbieden. Maar onder andere de toenmalige minister van Justitie, Dries van Agt, heeft er voor gezorgd dat dit punt in de jaren zeventig van de agenda verdween.’

In welke mate speelde de half-Marokkaanse afkomst van Hofstadgroepslid Abida K. een rol in de beeldvorming over haar?
‘Op het moment dat Abida K. en de Hofstadgroep bekendheid kregen, was er in Nederland slechts gebrekkige kennis over de islam en het jihadisme. Na de moord op Theo van Gogh in november 2004 was er even sprake van sterke dramatisering en polarisering. Een aantal jongeren, door de AIVD de Hofstadgroep genoemd, was ook echt wel radicaal. De vraag is alleen: waren deze jongeren terroristen? Veel van hen hebben nooit een aanslag gepleegd. Ze zijn veroordeeld voor het voorbereiden van aanslagen. Maar die veroordelingen waren niet altijd even helder onderbouwd. Dat blijkt ook uit het feit dat ze een aantal keer zijn veroordeeld en weer vrijgesproken.

Toen de vrouwen van de Hofstadgroep in de media kwamen, ontstond het beeld van een zwarte emancipatie onder moslima’s, die met de Koran in de hand naast de mannen wilden strijden. Abida K. is pas echt in beeld gekomen, toen haar man Samir A. al vast zat. Toen ging ze bij De Wereld Draait Door zitten met een boerka aan. Dat heeft die beeldvorming over militante moslima’s versterkt. In het dagelijks leven draagt ze helemaal geen boerka, ze had die aan om niet herkend te worden op televisie. Feitelijk gezien heeft Abida K. bijna altijd een rol op de achtergrond gespeeld in de Hofstadgroep.’

Hadden de tien vrouwen die u hebt beschreven in uw boek allemaal een ondergeschikte positie binnen de verschillende terroristische organisaties?
‘De Belgische Malika El Aroud was de enige die een positie van onafhankelijkheid heeft bereikt en de spil binnen haar netwerk is geworden. Malika heeft na de dood van haar man, die was omgekomen door een zelfmoordaanslag in Afghanistan, de status van haar echtgenoot, een martelaar vanuit jihadistisch perspectief, gebruikt om zichzelf als boegbeeld van de digitale jihad neer te zetten. Ze heeft een aantal websites opgericht en opgeroepen tot gewapende strijd in Afghanistan.

Tanja Nijmeijer heeft evenmin een leidinggevende positie. Ze is uithangbord van de FARC, propagandakanon, maar ze is (nog) niet benoemd tot commandant. De meningen zijn verdeeld over Ulrike Meinhof. Zij wordt wel de moeder van het Duitse terrorisme genoemd. Zij was zeker de partijideoloog van de Baader-Meinhof groep, maar Andreas Baader had de leiding. Toen ze zich bij de RAF-aansloot, was niet zij, maar waren Baader, Ensslin en Mahler de drijvende krachten. Toch werd in eerste instantie alleen haar hoofd op alle opsporingsplakkaten geplaats. Zij was bekend, luis in de pels van het establishment, dat leidde er waarschijnlijk toe dat politie en justitie haar meteen als de grote boosdoener zagen.

De rol van Beate Zschäpe (zij maakte deel uit van de organisatie Nationaal-Socialistische Ondergrondse (NSU) in Duitsland, die verantwoordelijk was voor tien moorden tussen 2000 en 2006) werd daarentegen in eerste instantie juist onderschat. Zij was “het liefje van” de beide Uwes. Maar na bestudering van alle feiten heeft het Duitse Openbaar Ministerie haar op 8 november 2012 nu toch aangeklaagd voor volledige medeplichtigheid bij alle tien de moorden.

Zou verzetsheldin Hannie Schaft ook in dit rijtje passen?
‘Ja, waarom niet? Nogmaals: ik bepaal niet wat terrorisme is. In mijn boek wilde ik laten zien hoe vrouwelijke terrorismeverdachten worden gezien, vervolgd, bestreden en hoe veel ‘ruis’  er zat en zit tussen wat vrouwelijke radicalen of vrouwelijke verdachten feitelijk doen en hoe ze worden waargenomen. Bij dat onderzoek volg ik gewoon de juridische definities, aanklachten en de veroordelingen in een bepaald land, binnen een bepaalde periode.

Ik heb mij in dit boek gericht op militante vrouwen in westerse democratieën, omdat ons dat het meeste leert over de situatie in Nederland anno nu. Maar inderdaad, Hannie Schaft is ook een interessant voorbeeld. Vanuit nationaalsocialistisch perspectief was zij een terrorist, ook de nazi’s hanteerden overigens dat begrip. En dan zou je zien dat de beeldvorming in de gelijkgeschakelde media toen nog veel scherper en nog meer ideologisch beladen was dan nu. Voor de Arische Mutterschafts-ideologie van de nazi’s was Schaft waarschijnlijk ook nog eens een verdorven vrouw geweest, die in plaats van kinderen te baren, soldaten in de rug aanviel.’

door Floris Betlem