Contact | Adverteren | Login | Klantenservice | Privacy
Log in
Wachtwoord vergeten
maandag 12 januari 2009

Taalstrijd in India: welke taal is het meest klassiek?



Het motto van India is ‘Eenheid in verscheidenheid’. Diezelfde diversiteit is ook meteen een van India’s grootste problemen. Het mag een wonder heten dat India sinds haar ontstaan in 1947 intact is gebleven, ondanks vaak bloedige incidenten. Denk aan Kashmir in het noordwesten en Assam in het noordoosten.

In het zuiden van India is ook van alles aan de hand. Daar strijdt men echter vooral tegen zichzelf, tegen het gevoel een achtergebleven gebied te zijn. Dit heeft geleid tot een ware wedloop van de verschillende regionale talen op het keurmerk ‘klassiek’. Deze wedloop is onlangs geëscaleerd in een operetteachtige situatie, waarin de vier grote zuidelijke deelstaten onderling ruziën over de vraag wiens taal de klassiekste is.

Bij een ‘klassieke taal’ denken westerlingen in eerste instantie aan het Grieks of Latijn. Dit zijn talen met een omvangrijke oude literatuur, die grote invloed hebben uitgeoefend op de latere tradities en culturen, en die door grote groepen mensen tot hun cultureel erfgoed worden gerekend. In het geval van India denkt men bij een klassieke taal onmiddellijk aan het Sanskriet. Het was lange tijd de enige literaire taal in India - en ook in Cambodja en Indonesië. Pas vanaf de elfde eeuw namen heel geleidelijk de regionale talen de rol van het Sanskriet over. De eerste teksten in die talen waren echter meestal vertalingen of bewerkingen van Sanskriet-teksten.

Barden
Het Sanskriet gaat terug op de gesproken taal van het noordwesten van India van vóór de vierde eeuw voor Christus. Uit die tijd dateert de eerste inheemse Sanskriet-grammatica, die van Panini. De positie van het Sanskriet in het oude India is vergelijkbaar met die van het Latijn in Europa. Het was van oudsher de taal van wetenschap en literatuur, gecultiveerd door geleerden van brahmaanse afkomst. Diezelfde brahmanen wisten invloedrijke posities te verwerven aan de hoven over geheel India als raadgevers en klerken. Ook het Britse koloniale bestuur rekruteerde zijn ambtenaren en klerken hoofdzakelijk onder die brahmaanse geleerden. Het overgrote deel van de afgestudeerden van de Universiteit van Madras, gesticht in 1857, waren brahmanen.

Niet onbegrijpelijk wekte die situatie de afgunst op van de in diezelfde tijd sterk opkomende groep van grootgrondbezitters en handelaren. Dit leidde aan het eind van de negentiende eeuw in Zuid-India tot de opkomst van een politieke beweging die benadrukte dat de eigen cultuur gelijkwaardig was aan de brahmaanse cultuur, die via het Sanskriet sterk met Noord-India werd geassocieerd.

Deze beweging werd gevoed door de publicatie in 1856 van een grammatica van de zogenaamde Dravidische talen door Robert Caldwell, die bisschop was in Tamilnadu. Caldwell toonde aan dat de talen van Zuid-India, zoals het Tamil, Kannada, Telugu en Malayalam, anders dan men tot dan toe had gedacht, niet afstamden van het Sanskriet maar een afzonderlijke taalfamilie vertegenwoordigden. In Zuid-India had men nu ineens iets waardoor men zich onderscheidde van Noord-India en met name ook van de brahmanen binnen hun eigen gelederen.

In dezelfde periode gingen Zuid-Indiase onderzoekers naarstig op zoek naar oude teksten in de eigen taal. Met name voor het Tamil leverde dit een omvangrijke verzameling gedichten op. Dit waren onder andere gedichten waarin barden figureerden die van het ene hof naar het andere trokken en koningen prijsden. Een ander deel bestond uit gedichten waarin dorpelingen hun frustraties over hun ongelukkige liefdesleven uitten.

De gedichten verwezen naar een vrij vroege periode in de geschiedenis van Zuid-India, waarin er nog weinig was te zien van de invloed uit Noord-India. Daarbij bleek de taal een pure vorm van het Tamil te zijn, die nagenoeg vrij was van leenwoorden uit het Sanskriet. Op basis hiervan zijn de gedichten gedateerd vóór de grootschalige beïnvloeding van het uiterste zuiden van India door Noord-India, die begon in de derde eeuw. Deze literatuur werd door de politieke partijen enthousiast omarmd, want het toonde aan dat de Tamils een literaire traditie bezaten die minstens zo oud, zo niet ouder was dan die van het Sanskriet - als de oudste religieuze literatuur buiten beschouwing werd gelaten.

Zelfverbranding
Het enthousiasme voor deze oude literatuur is diep doorgedrongen in de huidige samenleving, zoals blijkt uit de standbeelden van klassieke auteurs die de dorpspleinen in de zuidelijke deelstaat Tamilnadu sieren, en uit de namen van kinderen die zijn ontleend aan literaire personages. Van alle deelstaten die in 1956 op taalkundige basis zijn ontstaan uit de Madras Presidency, namelijk Andhra Pradesh (Telugu-sprekers), Karnataka (Kannada), Kerala (Malayalam) en Tamilnadu (Tamil), is de laatste als het op de taal aankomt ontegenzeggelijk het fanatiekst. In de jaren zestig van de vorige eeuw hebben niet minder dan zes mensen zich door zelfverbranding van het leven beroofd uit protest tegen de pogingen van de centrale regering om het Hindi als verplichte taal in te voeren. Dat fanatisme van de Tamils wordt in belangrijke mate gevoed door het idee een ‘klassieke’ taal te bezitten.

Tijdens de vorming in 2004 van een coalitieregering door de Congres Partij met een scala aan regionale partijen zag de Dravidische Bevrijdings Partij (DMK) van Tamilnadu zijn kans schoon. Die partij heeft tijdens de onderhandelingen bedongen dat het Tamil door de centrale regering officieel als een klassieke taal zou worden aangemerkt en als zodanig recht zou krijgen op financiële ondersteuning vanuit Delhi.

Het bestaan van deze afspraak werd pas duidelijk nadat een commissie die was ingesteld om de regering over de klassieke status van het Tamil te adviseren, met een afwijzend advies kwam. De reden voor de afwijzing was overigens niet dat het Tamil niet klassiek zou zijn maar dat de commissie vond dat de regering zich niet met dit soort zaken moest bemoeien. Bovendien voorzag de commissie een wedloop van allerlei andere talen op een klassieke status. Het advies werd door de regering genegeerd, en in 2004 kreeg het Tamil officieel het predikaat ‘klassiek’ en daarmee het recht op een omvangrijke jaarlijks subsidie.

De commissie kreeg vervolgens gelijk. Nadat in 2005 het Sanskriet tot klassieke taal was verklaard, iets waar niemand - behalve misschien een paar hoogleraren - echt warm voor liep, kwam een lobby op gang vanuit de deelstaten Karnataka en Andhra Pradesh voor hún talen, respectievelijk het Kannada en Telugu.

Het was van meet af aan duidelijk dat het Kannada noch het Telugu aan enig criterium van ‘klassiek’ zouden voldoen. Hun oudste teksten dateren namelijk pas uit de elfde eeuw en zijn bewerkingen van de Sanskriet-teksten. Het is tekenend dat de eerste minister van India, Manmohan Singh, nadrukkelijk niets met de zaak te maken wilde hebben en de afhandeling had doorgeschoven naar de minister voor cultuur en toerisme. Deze heeft geheel volgens de regels een commissie van ‘experts’ ingesteld, die haar op 30 oktober jongstleden een positief advies hebben uitgebracht.

Dat advies is diezelfde dag in een haastig belegde persconferentie bekend gemaakt met de bedoeling om de zaak de volgende dag, 1 november – dat wil zeggen: op de 52ste verjaardag van de deelstaten - af te ronden. Dat is echter niet gelukt omdat er nog een verzoekschrift bij het Hooggerechtshof in Chennai (voorheen Madras) bleek te liggen, waarin protest werd aangetekend tegen de voorgenomen uitbreiding van het aantal klassieke talen. Ook bleek het advies van de commissie niet unaniem te zijn.

Verrader
De luidruchtigste tegenstemmer was dezelfde Tamil, V.C. Kulandai, die eerder een van de grootste pleitbezorgers voor het Tamil was. Het is duidelijk dat de Tamils geen zin hebben de subsidie met steeds meer anderen te moeten delen. Wat is begonnen als een poging van de zuidelijke staten om zich af te zetten tegen de noordelijke suprematie is zo ontaard in een ordinaire broedertwist.

Terwijl de beslissing voor het Kannada en Telugu dus nog wel even op zich zal laten wachten, heeft de vierde deelstaat, Kerala, al aangekondigd de eigen taal, het Malayalam, voor te dragen als klassieke taal. Wat een van de betrokkenen de verzuchting ontlokte dat het de regering zou sieren als men alle talen van India klassiek zou verklaren, inclusief het Toda met zijn 700 sprekers op de toppen van het Nilgirigebergte.

Deze hele actie is begonnen met het Tamil. Het is echter zeer de vraag of het Tamil wel zo klassiek is, of klassieker dan de andere Zuid-Indiase talen. Zoals ik een paar jaar geleden heb aangetoond in mijn boek Old Tamil Cankam Poetry is de vroege datering van de Tamil-literatuur niet meer dan een claim, haastig tot stand gekomen onder extreem-nationalistische omstandigheden.

De gedichten waar het om gaat zijn sterk archaïserend en roepen een samenleving op die, toen ze werden geschreven, reeds tot een ver verleden behoorde. De gedichten zelf zijn hoogstwaarschijnlijk niet ouder dan de tiende of elfde eeuw. Bovendien bleken het bewerkingen te zijn van genres uit de Sanskriet-literatuur. Om een indruk te geven van de huidige sfeer: een collega uit Tamilnadu noemt mij in een recent boek een verrader, terwijl een mij verder onbekende Kannada-chauvinist het op een discussieforum heeft over ‘zijn grote vriend de Nederlandse geleerde Tieken’.


Herman Tieken is als universitair docent Sanskriet en Tamil verbonden aan het Kern Instituut van de Universiteit Leiden. In 2008 publiceerde hij onder meer Kamasoetra. Uit het Sanskrit vertaald en toegelicht door Herman Tieken. (Athenaeum-Polak & Van Gennep)