Contact | Adverteren | Login | Klantenservice | Privacy
Log in
Wachtwoord vergeten
Historisch Nieuwsblad 6/2007

Wapenhandelaar Louis de Geer (1587-1650)

De Dertigjarige Oorlog was een zegen voor zijn portemonnee

Door: Luc Panhuysen
Met deze knop kunt u artikelen toevoegen aan een leeslijst op uw persoonlijke pagina. Klik hier om in te loggen.
Zakenman Louis de Geer verdiende kapitalen aan de Dertigjarige Oorlog. Hij liet op ongekende schaal kanonnen maken, die hij met hoge winsten verkocht. De vele slachtoffers die door zijn wapens vielen, bezwaarden zijn geweten niet. Voor alles was De Geer koopman, met een scherpe neus voor geld.
Louis de Geer (1587-1652) en het kanon leken voor elkaar geschapen. Op het toppunt van zijn macht en koopmanschap voorzag De Geer heel Europa van geschut en kogels. Dankzij dit wapentuig werd hij een van de allerrijkste zakenlieden uit de Gouden Eeuw.

Hij had dan ook zeldzame gaven. Iemand die een stuk geschut wilde produceren, moest goed kunnen regelen. Allereerst was de aanwezigheid van grote hoeveelheden grondstoffen essentieel: koper, en in De Geers geval vooral ijzer. Om deze metalen te smelten moest men kunnen beschikken over een voor die tijd enorme concentratie energie. Vervolgens vereiste het procedé veel expertise. Om al deze grondstof, brandstof en mankracht op het goede moment op de goede plaats bij elkaar te brengen, was heel veel geld nodig. De Geer was als geen ander in staat hun ontmoeting te regelen.

Hij had zelf ook wel iets van een kanon. Een kanon bundelde meer kracht in zich dan alle andere schietwapens. Daardoor kon het zware projectielen afschieten. De Geer verenigde in zijn persoon de energie en de massa van het kanon. Hij wist zijn tomeloze energie doeltreffend te richten. Wat hij aanpakte, pakte hij groots aan; wat hij deed, had gewicht. Zoals een kogel van twaalf pond zich dwars door muren en daken boorde, zo ging deze zakenman op zijn doel af. De Geer was een visionair, een allesvreter met een internationaal schootsveld.

Het verhaal van Louis de Geer gaat over de periode van exponentiële economische groei die de Nederlandse Republiek haar Gouden Eeuw bezorgde. Het gaat over de Nederlandse betrokkenheid bij het Baltische gebied, en dan vooral bij Zweden, waarmee zeer lucratieve handelsrelaties bestonden. Het gaat over samenwerking en vertrouwen, maar ook over mercantiel opportunisme, waarmee goud geld werd verdiend, terwijl half Europa wegzonk in de ellende van een van de wreedste oorlogen van de zeventiende eeuw: de Dertigjarige Oorlog.

Hollandse kolonie
Louis werd in 1587 in Luik geboren uit adellijke ouders. Zijn eigenlijke achternaam luidde Gaillarmont; pas later voegde zijn vader 'De Geer' toe, naar het gelijknamige kasteeltje in de omgeving van Luik. Vader Gaillarmont was streng calvinistisch, terwijl het katholicisme in de jaren vanaf Louis' geboorte snel terrein won in Luik. Louis was tien jaar oud toen het gezin zich, verstopt in een turfschip, naar Dordrecht liet vervoeren. Daar was inmiddels een complete wijk van ontheemde Luikenaren ontstaan. Uit deze gemeenschap koos Louis later zijn vrouw, Adriënne Gérard, met wie hij veertien levensvatbare kinderen kreeg.

Al spoedig openbaarde zich een nuttige eigenschap van de jonge Louis. Hij had een bepaald inzicht. Bij sommige medemensen ontwaarde hij een achterland, een horizon van mogelijkheden. Hij zag of mensen hem van nut zouden worden; hij bekeek relaties op de groei. Daarbij wist Louis te geven, om later des te effectiever te kunnen nemen. Toen hij zich associeerde met zijn zwager Jacobus Trip (ook uit Dordrecht), was dat vanuit een visie. Trip deed in wapens. Daar zat muziek in.

De Geer had ook inzicht in geld. Geld opende vergezichten. Van zijn vroeg overleden vader had hij een beginkapitaaltje meegekregen. Het bankieren zat hem in het bloed; als jongeman correspondeerde hij al met agenten in Luik, Venlo, Nijmegen, Middelburg en Keulen. Maar dat was klein bier. Interessanter was de brug die hij sloeg naar een land vol mogelijkheden: Zweden met zijn mijnen. Hij verstrekte leningen aan Luikse ondernemers aldaar en bood langlopende kredieten aan. Vooral dat laatste was bijzonder, want vertrouwen was schaarser dan geld. Louis waagde het erop. Hij riskeerde omdat hij bevroedde wat er te halen viel.

Het duurde niet lang voordat Dordrecht voor De Geer te klein was geworden. Hij verruilde het stadje aan de Merwede voor de metropool aan de Amstel. In Amsterdam bevond zich het kantoor van de uit Luik afkomstige familie De Besche, die belangrijk was voor zijn relatie met Zweden. Bovendien was Amsterdam de spil van wat de 'moedernegotie' werd genoemd, de handel op de Oostzee in bulkgoederen die verdere afwerking behoefden: graan, laken, hout en ook ijzer- en kopererts. De welvaart van de hele Republiek dreef erop. De Geer was echter niet erg geïnteresseerd in de moedernegotie op zich. Wel had hij belangstelling voor het netwerk dat door de moedernegotie in Zweden was ontstaan. Hij zag in dat er veel te verdienen viel met de handel in toegevoegde waarde: bewerking en afwerking.

Zo bevond zich in Göteborg een dominante Hollandse kolonie, die meer dan eens de burgemeester van het stadje leverde. Göteborg was een zeer strategische plaats, want het bood Zweden een uitgang op de Noordzee buiten de Sont om. De Sont was de flessenhals tussen de Zweedse en Deense landtongen die de Baltische Zee met de Noordzee verbond. Wie de 'sleutels van de Sont' in handen had, verdiende heel veel geld met de heffing van tol. De strijd tussen Zweden en Denemarken om die sleutels was even oud als bloederig. In de eerste helft van de zeventiende eeuw waren ze meestentijds in Deense handen, waardoor de positie van Göteborg voor de Zweden van groot belang was. Het was dan ook niet meer dan logisch dat De Geer connecties aanknoopte met de Nederlanders in die stad.

Een geluk voor De Geer, en voor alle Nederlanders, was dat Zweden een arm land was en tegelijkertijd rijk aan grondstoffen. Het had zilvermijnen, het had koper en ijzer, het had hout in overvloed en het had teer. Het lag bovendien ook nog eens heel gunstig ten opzichte van de handelsroutes. Toch verdiende het maar een schijntje aan zijn rijkdommen en was het een achtergebleven gebied. Zweden was dunbevolkt en de bevolking was nauwelijks ontwikkeld. Op het platteland heersten feodale verhoudingen en er waren bijna geen steden. Hierdoor was het burgerlijk zelfbewustzijn afwezig en bestond er weinig particulier initiatief. De Nederlanders voorzagen gulhartig en grootschalig in deze lacune.

Industrieel complex
In 1615 had een zekere Van der Linde alias Erik Larson de Zweedse Handelsmaatschappij opgericht. Deze verzweedste Nederlander had het geschopt tot rentmeester en kameraad van de Zweedse koning Karel IX; zijn zoon bracht het zelfs tot naaste raadgever van de koning. De Geers partners van de firma Trip bezaten ijzergieterijen in het Zweedse Julita Bruk en elders. Op tal van plaatsen waande je je aan de Zaan, zoveel molenwieken zag je tegen de Scandinavische hemel wentelen. Menig Hollandse heer woonde voor de helft van het jaar in een statig pied-à-terre te Stockholm. De Nederlandse invloed op de Zweedse cultuur was aanzienlijk. Een baksteen heette Hollandsk klinkert, een boerderij werd een höllanderi genoemd. De Nederlandse aanwezigheid had veel weg van een vreedzame kolonisatie.

Zo ongeveer hing de vlag erbij toen De Geer zich oriënteerde op zijn mogelijkheden in Zweden. En toen brak de Dertigjarige Oorlog uit, in 1618. Daardoor werd de behoefte aan wapens in enkele jaren tijd onverzadigbaar. Het strijdtoneel kwam voornamelijk te liggen in het Duitse Rijk, eveneens een achtergebleven gebied. Vanwege het godsdienstige karakter van de oorlog zou met uitzonderlijke felheid en wreedheid worden gevochten. Grote delen van Duitsland zouden ontvolkt raken. Maar dat heeft het geweten van De Geer waarschijnlijk nooit bezwaard. Hij was een koopman, en een goede ook. Een ondernemer in wapens verdiende nu eenmaal aan oorlog. De Dertigjarige Oorlog zou een zegen worden voor zijn portemonnee.

De Geer was behalve een goed zakenman ook een calvinist. De Dertigjarige Oorlog was een apocalyptische tweekamp tussen protestanten en katholieken. De calvinistische Republiek kon zich niet onbetuigd laten. Meevechten werd op het Binnenhof echter niet tot de opties gerekend. Daarom werd besloten tot financiële steun aan de Zweedse koning Gustaaf II Adolf, een van de grote prijsvechters van het protestantse kamp. Deze veldheer bezat geen cent. Daarom bedachten de Staten-Generaal in Den Haag hem ruimhartig te steunen, medegefinancierd door De Geer, die daarmee een uitgelezen kans kreeg om de Zweedse kroon aan zich te binden. Gustaaf Adolf kreeg een Nederlandse lening van 160.000 gulden, waarvan De Geer de ene helft voorschoot en de andere helft afkomstig was uit de schatkist van de Nederlandse Republiek. De Geer leende nu niet langer aan particulieren, maar aan staten.

In datzelfde jaar 1618 zette hij direct een volgende stap in de goede richting. Gustaaf Adolf was wegens geldgebrek gedwongen zijn kroondomeinen te verpachten. De Geer bedacht zich geen moment en pakte de zaken groots aan. Samen met de Luiks-Amsterdamse ondernemer De Besche verwierf hij de pacht van de ijzermijnen van Finspong, de grootste van het land. Uiteraard regelde hij de benodigde som geld en zag hij toe op minutieuze naleving van de betaling. De basis voor een monopolie was gelegd. In de jaren daarna verkreeg hij de pacht over nog enkele grote mijnen. Voor zolang als de pacht duurde - twintig jaar - had hij bijna al het gedolven ijzererts van Zweden onder zijn hoede.

Nu was het zaak de productie te optimaliseren. Spoedig verrees onder De Geers leiding bij de mijnen van Finspong een industrieel complex dat alle rokende schoorstenen van zijn Nederlandse concurrenten tot ouderwets knoeiwerk reduceerde. De Geer liet zien wat schaalvergroting inhield. Deze smelterij draaide niet op een enkele oven, maar op een inferno van twaalf haarden plus een dubbele smeltoven. De productie schoot omhoog en de kostprijs kelderde; de winstmarge van De Geer maakte een sprong. Zweedse economische historici zien in de vestiging van deze metallurgische installatie het begin van een nieuw tijdperk in de ijzerindustrie van Zweden.

Zondige madezak
In 1641 werd De Geer, na onvermoeibaar aandringen, tot de Zweedse adelstand verheven. Overigens hield hij tijdens zijn intrede zijn speech in het Nederlands, zo bekend was zijn Zweedse publiek inmiddels met deze taal. De verworven adelstand schonk De Geer onschatbare voordelen. Ten eerste kon hij gebruikmaken van zijn feodale bevoegdheden. Hij sommeerde de boeren hun herendiensten te leveren, zodat hij kon beschikken over de goedkoopste arbeidskrachten van West-Europa. Ten tweede kon hij nu overgaan tot de aanschaf van de gepachte gronden. Zo werd hij in een paar jaar tijd een van de belangrijkste grootgrondbezitters van Zweden.

De Dertigjarige Oorlog had De Geers koopmanschap in een nieuw stadium gebracht; zo sterk was de vraag naar kanonnen, kanonskogels, musketten en harnassen gestegen. Als grootgrondbezitter kon hij zijn organisatie voltooien; hij kreeg de hele productieketen, van ijzererts tot eindproduct, in handen. Het hout waarop zijn ovens brandden, was afkomstig uit zijn eigen bossen. De hamers ontleenden hun energie aan de waterkracht van zijn eigen beken. Hij liet vaklui komen uit Holland, blikslagers uit Wallonië, vertinners uit Duitsland.

Hoewel de kostprijs van zijn wapens was gedaald, leidde dat niet tot lage prijzen bij afname. Het wapentuig werd namelijk per schip naar de Nederlandse Republiek getransporteerd. In Amsterdam werden de spullen vervolgens op de wapenmarkt aan de opkopers van het Zweedse leger aangeboden en met royale winstmarges van de hand gedaan. In de laatste 24 jaar van de Dertigjarige Oorlog, van 1624 tot 1648, leverde De Geer op die manier voor vele miljoenen guldens aan Gustaaf Adolf.

De oorlog was een aderlating voor Zweden. Plaatselijke graven en hertogen bekeken de Nederlander met jaloezie. Ondertussen ijverde De Geer rusteloos voor uitbreiding van zijn machtspositie. Zo wenste hij lid te worden van het nieuwe toezichtsorgaan voor de Zweedse handel en scheepvaart. Zijn aanvraag werd geweigerd, onder andere onder de verzuchting dat De Geer 'wel erg veel aan de kanonnen heeft verdiend'.

Hier leek de macht van De Geer zijn plafond te hebben bereikt. Maar het was slechts een tijdelijke tegenslag. Zolang de oorlog duurde, was Zweden met handen en voeten aan De Geer gebonden. Voor Zweden was het protestantisme een belangrijke reden om zich in de Dertigjarige Oorlog te storten, maar het was niet de enige. Het eveneens protestantse Denemarken had van de verwarring gebruikgemaakt om zijn grip op de Sont, en dus op de Sont-tol, te vergroten. Dit ging in tegen de belangen van Gustaaf Adolf en evenzeer tegen die van de moedernegotie van de Nederlandse Republiek. Daarom kwam het in de jaren veertig van de zeventiende eeuw tot een nog nauwere samenwerking tussen Zweden en de Republiek.

Tussen 1643 en 1645 rustte De Geer driemaal een aanzienlijke hulpvloot uit, die de Zweedse vrienden moesten bijstaan in de strijd tegen de Denen. De topdagen van De Geer waren aangebroken. Met zijn schepen, uitgerust met zijn kanonnen, werden de Denen teruggejaagd naar hun havenhoofden. De Sont was bevrijd, en meer dan dat: de tol was voor korte tijd opgeheven. In het jaar 1645 passeerden bijna 10.000 Nederlandse schepen de Deense Sont zonder een stuiver aan tol te betalen. De Geer zelf plukte daarvan de meeste vruchten. Van de 11.000 schippond die de Zweedse export in dat jaar uitmaakte, kwam 10.000 pond voor zijn rekening.

In het jaar 1645 had het fortuin van De Geer zijn hoogtepunt bereikt. Hij was inmiddels achtenvijftig. Na een crescendo van bijna veertig jaar ging zijn handel plotseling bergafwaarts. Zonder dat hij er iets aan kon doen, nam de vraag naar zijn kanonnen af. Niet omdat ze slecht waren, maar omdat Europa oorlogsmoe was geworden. De Vrede van Westfalen in 1648 luidde een scherpe recessie op de wapenmarkt in. Louis de Geer kon niet weten dat die recessie van zeer tijdelijke aard was. Dus het moet hem, gewend als hij was geraakt aan groeicijfers en astronomische omzetten, een onbehaaglijk gevoel hebben gegeven.

Misschien dat dit hem aanspoorde om in 1651 zijn testament op te maken. Het is een geschrift dat uitblinkt in christelijke deemoed. Tot zijn veertien erfgenamen spreekt een eenvoudig man, die beseft dat hij niets meer is dan een zondige madezak. De Geer hamert op de noodzaak aan de armen te geven en God te vrezen. Hoe meer zijn nabestaanden zouden geven, hoe meer 'uw middelen zullen groeien, als zaad in een vruchtbare akker uitgestrooid'.

Het moet gezegd: het nageslacht heeft geoogst. Bij zijn overlijden liet De Geer een bedrag na van 1,5 miljoen gulden, omgerekend naar euro's een slordige 105 miljoen. Aan de Amsterdamse Keizersgracht staat op nummer 123 nog altijd het prachtige Huis met de Hoofden, in 1634 door hem gekocht. In Stockholm heeft De Geer een stadspaleis laten optrekken dat het Haagse Mauritshuis naar de kroon steekt. Tegenwoordig zetelt daar de Nederlandse ambassadeur.

De Geers nageslacht ontwikkelde zich tot ondernemers, politici en geleerden in Zweden en Nederland. Jonkheer Dirk-Jan de Geer (1870-1960) speelde in de twintigste eeuw nog een hoofdrol in de Nederlandse politiek. Gedurende de jaren dertig was hij veelvoudig minister. Toen de Tweede Wereldoorlog uitbrak, vluchtte De Geer, zevendegraads nazaat van de kanonnenbouwer, samen met de koningin naar Engeland. Het tijdperk van het kanon was voorbij, dat van de bommenwerper en de tank was aangebroken. Jonkheer Dirk-Jan ontpopte zich in Londen tot een pacifist. Vanwege zijn verzoenlijke politiek jegens Hitler belandde hij een jaar in de gevangenis.

Luc Panhuysen is auteur van De Ware Vrijheid. De levens van Johan en Cornelis de Witt (2005).

Meer informatie
De Geer krijgt een waardige, en zeer informatieve plek in Erflaters van onze beschaving door Jan en Annie Romein (1972). In De 250 rijksten van de Gouden Eeuw, onder redactie van Kees Zandvliet, staat Louis de Geer op de vierde plaats. Het bijbehorende biografietje vertelt weer dingen die de Romeinen niet vertellen. De modernste biografie van De Geer is F. Breedvelt-Van Veen, Louis de Geer 1587-1652 (1935).

Over De Geers belang voor de Zweedse metallurgie schreef J.Th. Lindblad 'Louis de Geer (1587-1652). Dutch entrepreneur and the father of Swedisch industry', in: C. Lesger en L. Noordegraaf (red.), Entrepreneurs and Entrepreneurship in Early Modern Times. Merchants and Industrialists within the Orbit of the Dutch Staple Market, in de Hollandse historische reeks 24 (1995).

Over de moedernegotie, maar ook over De Geer: Goud uit Graan. Nederland en het oostzeegebied 1600-1850, onder redactie van Remmelt Daalder. Liefhebbers kunnen ten slotte terecht bij J.W.L. de Geer van Jutfaas, Lodewijk de Geer van Finsporing en Leufstra (1587-1652) (1852).

Tentoonstelling
In het Legermuseum in Delft is tot 2010 de tentoonstelling Bloedmooi te zien. Samengesteld uit de recent verworven collectie van Henk Visser worden 700 (vuur)wapens tentoongesteld, waaronder prachtig bewerkte exemplaren uit de zeventiende eeuw. Foto's en beschrijvingen van de wapens zijn te vinden in een vuurwapendatabase op de site van het Legermuseum www.legermuseum.nl