Contact | Adverteren | Login | Lezersservice

De geestelijke worsteling van Christiaan Huygens (1629-1695)

Door: Luuc Kooijmans

Historisch Nieuwsblad 4/2007
Met deze knop kunt u artikelen toevoegen aan een leeslijst op uw persoonlijke pagina. Klik hier om in te loggen.

Geloof of wetenschap

Geïnspireerd door René Descartes koos Christiaan Huygens voor het verstand. Toen hij ten prooi viel aan een existentiële crisis, kon dat hem echter niet redden. Maar Huygens kon ook niet geloven, zonder een overtuigend bewijs van het bestaan van God, Toch weigerde hij een knieval te maken voor het geloof, en dat dreef hem tot waanzin.


Christiaan Huygens, een wonderkind met een exacte geest, werd helemaal gelukkig toen hij als jongen werd geconfronteerd met het werk van René Descartes. Met bewondering las hij hoe Descartes had geprobeerd natuurverschijnselen op een mathematische manier te beschrijven. Terwijl het heelal tot dan toe was beschouwd in termen van aarde, water, lucht en vuur, ging Descartes ervan uit dat het bestond uit onzichtbaar kleine deeltjes, en hij beschouwde alle natuurverschijnselen als het resultaat van de beweging van die deeltjes. Omdat de bewegingen geschiedden volgens vaste wetten, konden alle verschijnselen in de natuur worden beschreven in mechanische termen. Alles in de natuur werkte volgens oorzaak en gevolg. De jonge Huygens was gefascineerd door het idee dat je met de uitgangspunten van Descartes alles wat nu nog vaag en onduidelijk was zou kunnen verhelderen en dat je de wereld zou kunnen beschrijven in exacte termen.

Door veel geleerden werd de nieuwe filosofie weggehoond. Het idee dat iemand de arrogantie kon hebben om eeuwenlang beproefde kennis zomaar op de schroothoop te gooien was te absurd om over te praten. Maar toch had Descartes snel succes, want zijn benadering bleek doelmatig: de beweging van voorwerpen, die tot dan toe alleen in vage termen kon worden beschreven, werd door Christiaan Huygens gevat in exacte formules.

Huygens' geloof in Descartes liep wel spoedig deuken op. Hij ontdekte dat de bewegingswetten die ten grondslag lagen aan de fysica van Descartes niet klopten, maar om diens filosofie niet in diskrediet te brengen werd dat niet onmiddellijk gepubliceerd. Descartes had ze afgeleid, maar ze bleken niet te stroken met de praktijk. Dat was pijnlijk, want volgens Descartes leidde het zuivere, logische, 'mathematische' denken tot zekerheid: als je elke gevestigde opinie in principe in twijfel trok en alleen accepteerde wat evident en onbetwijfelbaar was, bracht deductie je gegarandeerd tot de waarheid. Dat bleek dus niet zo te zijn.

Prestigieuze functie
In 1666, toen hij 37 was, kreeg Christiaan Huygens de leiding over een nieuw onderzoeksinstituut in Parijs, de Académie des Sciences. Dat hij als buitenlander die prestigieuze functie mocht bekleden was in de eerste plaats een gevolg van zijn status. Hij had al op jeugdige leeftijd furore gemaakt met wiskundige publicaties en correspondeerde al vele jaren met allerlei buitenlandse geleerden.

Tien jaar eerder was hij voor het eerst in Parijs geweest, nadat hij op last van zijn vader in Angers een academische titel had aangeschaft - in de rechten, want zijn vader, Constantijn Huygens, de secretaris van de Oranjes, vond het vanzelfsprekend dat ook Christiaan te zijner tijd in dienst zou treden van een vorst. Christiaan had destijds verteld dat hij met een zelfgeconstrueerde telescoop als eerste sinds Galilei een nieuw hemellichaam had ontdekt, een maan van de planeet Saturnus. Sindsdien had hij jarenlang gecorrespondeerd met Franse geleerden en hij had Parijs nog tweemaal langdurig bezocht, waardoor zijn naam daar was gevestigd.

Maar zijn benoeming was ook het gevolg van de verdeeldheid waaraan de wetenschap in Frankrijk ten prooi was gevallen. Omdat de filosofie van Descartes als wapen werd ingezet tegen de leer van de gevestigde orde, had het cartesianisme er het karakter van een geloof. Het was een kwestie van voor of tegen. Bijeenkomsten van geleerden verzandden in oeverloze discussies, waarin de deelnemers hun gelijk probeerden aan te tonen door te verwijzen naar passages uit het werk van Descartes of Aristoteles. Degenen die meenden dat de wetenschap meer gediend zou zijn met het uitwisselen van bevindingen en het gezamenlijk verrichten van waarnemingen en experimenten hadden daarom het initiatief genomen tot de oprichting van de Académie.

Dat ze Christiaan de leiding wilden toevertrouwen kwam in de eerste plaats doordat hij natuurverschijnselen op een mathematische manier benaderde en bovendien oog had voor de praktische betekenis van zijn bevindingen. Hij gebruikte zijn wiskundige kennis niet alleen om theoretische problemen op te lossen, maar ook voor de constructie van instrumenten als klokken en microscopen. Huygens werd bovendien verkozen omdat hij Aristoteles voorbij was, en toch geen gelovige cartesiaan. Hij stond boven de partijen, en men hoopte dat hij voldoende autoriteit zou hebben om de eenheid onder de onderzoekers te kunnen bewaren.

Huygens vond het spijtig dat eerst Descartes zelf, en daarna zijn volgelingen, koppig waren blijven vasthouden aan alles wat hij had beweerd, ook al was het evident onwaarschijnlijk of onjuist. Toen hij als jongen had kennisgemaakt met het gloednieuwe werk van Descartes had hij er een grenzeloze verering voor gehad, en als hij er iets in tegenkwam dat hij niet begreep, nam hij aan dat dat het gevolg was van zijn eigen beperkingen. Langzamerhand ontdekte hij echter dat er wel degelijk onwaarschijnlijkheden en aanwijsbare fouten zaten in Descartes' ideeën, en op den duur bleef er eigenlijk niet veel van overeind. Maar de manier waarop Descartes mechanische principes had geïntroduceerd bleef Huygens waardevol vinden en met Descartes bleef hij van mening dat alleen een wiskundige bewijsvoering betrouwbare kennis kon opleveren.

Depressief
In het voorjaar van 1670 werd zijn vader opgeschrikt door het bericht dat Christiaan in Parijs ernstig ziek was geworden. Hij kon niet slapen, niet eten; zijn spijsvertering was in de war, en hij was volstrekt depressief. De berichten waren zo alarmerend dat de oude Huygens bang was dat hij zijn zoon zou verliezen. Die bezorgdheid was begrijpelijk, want Christiaan achtte zijn toestand zelf zo ernstig dat hij zijn manuscripten al aan een bevriende diplomaat in bewaring had gegeven. Hij had erbij gezegd dat hij ze niet wilde nalaten aan de Académie, die volgens hem aan onderlinge haat en nijd ten onder zou gaan.

De tol van de roem bestond voor Christiaan Huygens uit eenzaamheid en afhankelijkheid. Om te kunnen doen wat hij wilde, had hij geweigerd om de loopbaan te volgen waartoe zijn vader hem had voorbestemd, met als gevolg dat hij nooit een zelfstandige positie had kunnen verwerven. Zonder loopbaan geen geld, en zonder geld geen gezin; dat was de prijs die hij ervoor over moest hebben.

Zijn vader had toegestaan dat hij zijn tijd besteedde aan datgene waarin hij uitzonderlijk goed was, maar niet toegelaten dat hij daar ook zijn beroep van zou maken. Dat was voor iemand met de status van Huygens namelijk ondenkbaar. Christiaan was weliswaar niet van adel, maar hij behoorde wel tot de hoogste kringen van de burgerij, en in die kringen had men zoveel van de adellijke normen geadopteerd dat het not done was om te leven van handenarbeid. Hij mocht wel wat knutselen met klokken en horloges, maar dat moest een liefhebberij blijven; het was niet de bedoeling dat hij daarmee in zijn levensonderhoud zou voorzien. 

Huygens' ontdekkingen werden daarom geëxploiteerd door anderen. Leven kon hij er niet van, en zelfs de roem die hem toekwam was vaak zwaarbevochten. Omdat het meestal lang duurde voordat hij een ontdekking voldoende onderbouwd achtte om te publiceren, dreigden zijn vondsten niet zelden te worden gekaapt. Christiaan had het gevoel dat hij voortdurend moest strijden voor waardering. De benoeming in Parijs was wel een belangrijke erkenning van zijn verdiensten, maar hij was toch afhankelijk gebleven; niet langer van zijn vader, maar van het Franse hof. Het was niet eenvoudig om zich als eenzame buitenlander staande te houden te midden van de Parijse intriges.

Sinds het begin van het jaar voelde hij zich doodmoe, en die vermoeidheid had zulke angstwekkende vormen aangenomen dat men bang was dat zijn hersens zouden worden aangetast.

Hoogmoed
Geïnspireerd door het voorbeeld van Descartes had Christiaan Huygens gekozen voor het verstand. In het geval van strijdige opinies kon de waarheid worden bepaald door een mathematische bewijsvoering. Maar wat als het verstand strijdig was met het geloof? De meeste mensen beschouwden het als hoogmoed om het verstand hoger te achten dan het woord van God, en meenden dat je God op zijn woord moest geloven als zijn boodschap strijdig leek met wat het verstand redelijk achtte. Maar Huygens hield vast aan het verstand.

Na zijn crisis was hij in Den Haag langzaam opgeknapt en teruggekeerd naar Parijs, maar nadien was de melancholie een paar keer in alle hevigheid teruggekomen en in het najaar van 1681 had hij Parijs voorgoed verlaten. Hij bleef in het vervolg in Den Haag, waar hij aanvankelijk bij zijn oude vader was ingetrokken in het huis op het Plein. Sinds diens dood woonde hij 's zomers op Hofwijck, het buiten dat zijn vader had laten bouwen in de buurt van Voorburg, en 's winters in een appartement op het Noordeinde.

Daar hield hij zich bezig met zijn theorie over het licht en probeerde hij vergeefs klokken te maken die schokbestendig zouden zijn. In het voorjaar van 1694 kreeg hij last van een kwaal die hem zorgen baarde omdat hij die nooit eerder had gehad: een onregelmatige pols. Het leek hem het signaal dat hij toe was aan een lange vakantie, want stoppen met de studie bleek de enige effectieve remedie te zijn. Hij betreurde dat, want hij beschouwde tijd die hij niet aan studie kon wijden als verloren tijd. Maar hij deed het toch maar, uit angst dat er uit zijn kwaal anders ergere dingen zouden voortvloeien.

Na het overlijden van zijn vader had hij nagedacht over roem, over het onkenbare en over de dood. Er werd vaak beweerd dat na de dood een eeuwig geluk zou intreden, waarin alle ellende van het aardse leven vergeten zou zijn. Maar als er een leven na de dood bestond, peinsde hij, zou dat voor hem alleen betekenis hebben als hij zich in dat leven ook zijn huidige leven zou kunnen herinneren, want anders was hij niet langer dezelfde persoon.

En wat moest hij zich voorstellen bij het woord God? Heidenen en barbaren gaven hun goden een menselijk lichaam, maar filosofen voorzagen hun god net zo goed van menselijke trekken. Hun god dacht, wilde en had lief. Er werd veel gesproken over de liefde van God, maar liefde was een woord voor een menselijke emotie. Wat konden mensen zich anders voorstellen? Het menselijk verstand was tot niet meer in staat dan een voorstelling van een god met menselijke eigenschappen, maar dan volmaakt. Huygens geloofde niet in een goddelijke openbaring. De enige manier waarop je je iets bij een god kon voorstellen was via de natuur, waarin een bovenmenselijke intelligentie tot uiting kwam.

Twijfel pijnigde de geest. Daarom sloten mensen zich gaarne aan bij iemand die beweerde dat hij zekerheid kon bieden. Mensen prefereerden onderwerping aan zulke lieden boven onzekerheid, maar volgens Huygens moest je niets geloven zonder afdoende reden. Hij had diverse zogenaamde godsbewijzen geanalyseerd, en geen enkele redenering vond hij overtuigend.

Geitenmelk
In het voorjaar van 1695 werd Christiaans vertrouwen in het verstand onderworpen aan een ultieme test. Hij viel ten prooi aan een diepe inzinking. Hij kon niet slapen en hij was bang dat hij gek zou worden. Hij lag in een donkere kamer en de familieleden die hem verzorgden lieten niemand bij hem toe, omdat het erger met hem werd als hij te lang praatte. Hoewel hij geen koorts had, voelde hij zich zeer zwak, en hij werd gekweld door onzalige gedachten.

Christiaan hield zich maar aan de adviezen van oude, vertrouwde artsen. Daarmee was hij er eerder tenslotte ook bovenop gekomen. De nieuwe generatie artsen, die zich cartesianen noemden, boezemde hem weinig vertrouwen in. Hij had niet lang geleden nog gezegd dat als hij een arts nodig zou hebben, zij de laatsten zouden zijn die hij zou laten halen. Hij accepteerde daarom maar de oude diagnose, dat een overmaat aan zwarte gal de oorzaak zou zijn van zijn melancholie, en hij nam zijn toevlucht tot de beproefde remedies: geitenmelk drinken en baden, net als vroeger in Parijs.

Op een dag stak hij een marmeren knikker in zijn keel. Zijn knecht, die gereutel hoorde, schoot toe en wist de knikker te verwijderen door op zijn rug te slaan. Hij begon zich te snijden met stukken glas en hij stak zichzelf met spelden. Daarop werd hem alles ontnomen waarmee hij zich zou kunnen verwonden. Christiaan verbeeldde zich mensen te horen spreken die er niet waren. Hij zei dat mensen die zijn gedachten over religie zouden kennen, hem zouden verscheuren. Soms schreeuwde hij luid en zei hij goddeloze dingen.

Hij klaagde over pijn. Hij was bang voor doorliggen, maar volgens de artsen viel dat nog mee. Men was eerder bang voor zijn zielenheil. Christiaan was orthodox godsdienstig opgevoed; zijn vader las dagelijks uit de Bijbel. Zelf had hij ook wel zijn bewondering uitgesproken voor de schepper van de subtiele en doelmatige natuur. Hij bewonderde spinnenwebben, zijderupsen en de zeshoekige vakjes van een honingraat. Maar hij had vooral ontzag voor de dingen die mensen deden met de natuur: wat er werd gemaakt van delfstoffen, en wat er mogelijk was met chemie. Hij bewonderde machines, molens, uurwerken, vergrootglazen en verrekijkers.

Huygens had zoveel door kijkers naar de hemel gekeken dat het er niet makkelijker op was geworden om een geloof serieus te nemen waarin de aarde het middelpunt van het universum vormde. Het was duidelijk dat talloze hemellichamen zonder hiërarchische ordening door het heelal bewogen en dat de aarde maar een willekeurig planeetje was. Hij kon zich ook niet voorstellen dat de aarde de enige planeet zou zijn waarop leven voorkwam.

Daarover nadenkend had hij bedacht dat het helemaal niet zo interessant was om je een planeet voor te stellen waar volmaakte eendracht heerste. Veel van wat het leven op aarde fascinerend maakte, kwam juist voort uit onenigheid en gevaar. De noodzaak om zich te verdedigen en te beschermen zorgde ervoor dat mensen hun verstand gebruikten, om dingen te onderzoeken en om nuttige uitvindingen te doen. Als er voortdurend vrede en voorspoed zou heersen, zouden mensen leven als dieren.

Zelfreflectie
Alles wat in het licht van de rede onvolmaakt leek, was juist voordelig voor de ontwikkeling van het verstand. Het verstand was nodig om het leven van het individu en de samenleving te waarborgen. Daarom was het maar de vraag of je kon zeggen dat mensen zich door de rede onderscheidden van dieren. Veel dieren konden zich makkelijk handhaven zonder de rede, en het was dus helemaal niet zeker of de mens beter af was, want de zelfreflectie die het gevolg was van het menselijk onderscheidingsvermogen zorgde ook voor allerlei leed.

Christiaan dacht aan ziekten van de ziel, zondige begeerte en angst voor de dood. Wat dat betreft kon je beter een vogel zijn. Tenzij je cartesiaan was en het absurde idee huldigde dat dieren een soort automaten waren. Het belangrijkste voordeel van het menselijk verstand was de mogelijkheid om de natuur te beschouwen en er principes in te ontdekken. Hij had daar veel genoegen aan beleefd, maar hij realiseerde zich dat hij nu werd geconfronteerd met de schaduwzijde.

Ze zeiden dat hij er wel voor moest zorgen dat zijn ziel naar de hemel zou kunnen. Maar wat moest hij zich daarbij voorstellen? Hij zag geen reden om aan te nemen wat men hem daarover vertelde. Ooit had een vriend hem wel eens tot het rooms-katholicisme proberen te bekeren, maar hij was volstrekt niet overtuigd door diens argumenten, want die moesten hun kracht ontlenen aan de autoriteit van de boeken waaruit ze waren overgenomen. Maar boeken werden geschreven door mensen en die konden zich vergissen. De enige overtuigende argumentatie was een mathematische argumentatie, en die was er op dit vlak niet.

Even leek de geitenmelk te gaan werken. Het leek althans een poosje wat beter te gaan, maar half juni weigerde Christiaan nog langer te eten. Hij wist zeker dat men gif in zijn eten had gedaan. Hij werd onvoorstelbaar mager. Toen het zich liet aanzien dat hij er niet meer bovenop zou komen, begon de familie erop aan te dringen dat hij zich zou verzoenen met zijn schepper. Maar zodra ze hem probeerden te overreden om een predikant te laten komen, begon hij onmiddellijk te vloeken en te tieren. 

Niet lang daarna was duidelijk dat zijn einde nabij was, waarop de familie besloot om een predikant die hij kende naar hem toe te laten gaan. De dominee sprak hem indringend toe, maar de patiënt reageerde niet erg welwillend. Hij geloofde niet in wat de predikant hem voorhield. Wat ze hem ook zeiden, hij was niet tot andere gedachten te brengen. Zijn naasten werden er wanhopig van. Die nacht verslechterde zijn toestand zodanig dat om halfvier 's ochtends de familieleden werden gewaarschuwd. Ze troffen hem al buiten bewustzijn. Niet lang daarna stierf Christiaan Huygens, 66 jaar oud.

Luuc Kooijmans is auteur van De doodskunstenaar(2004), Vriendschap en de kunst van het overleven in de 17de en 18de eeuw(1997) en Liefde in opdracht(2000). Hij is bezig met een boek over zeventiende-eeuwse wetenschappers die aanlopen tegen de grenzen van de wetenschap.

De elite van de Europese wetenschappers
Christiaan Huygens werd geboren op 14 april 1926 in Den Haag. Hij was de jongste zoon van de diplomaat, dichter en musicus Constantijn Huygens. Na in zijn jeugd uitgebreid privé-onderwijs te hebben genoten, moest Christiaan in 1645 rechten gaan studeren in Leiden. Hij stortte zich daar echter meer op de wiskunde dan op zijn rechtenstudie.

Twee jaar later stuurde zijn vader hem daarom naar Breda, waar hij aan de bestuursacademie zijn studie voortzette. Als secretaris van de graaf van Nassau-Siegen maakte hij een reis naar Denemarken, waar hij tevergeefs hoopte zijn grote voorbeeld Descartes te kunnen ontmoeten.

Na terugkomst in Den Haag wijdde Christiaan zich volledig aan de wetenschap. Hij publiceerde onder meer over wiskunde, sterrenkunde, optica en musicologie. Door een goede ontvangst van zijn eerste publicaties trad Huygens direct toe tot de elite van de Europese wetenschappers. Hij correspondeerde met onder anderen Descartes, Pascal en Newton.

In 1655 ontdekte hij een maan van Saturnus en de ringstructuur rond de planeet. Twee jaar later publiceerde hij Van Rekeningh in Spelen van Geluck, een boekje over kansberekening, dat hij schreef na aanmoedigingen van Blaise Pascal.

Huygens probeerde voor zijn wetenschappelijke werk praktische toepassingen te bedenken. Hij verbeterde lenzen en kijkers en vond onder meer het slingeruurwerk uit.

Meer informatie:

Boeken en site
De beste bron voor het leven van Christiaan Huygens vormen de Oeuvres complètes (22 delen, uitgegeven tussen 1888 en 1950). Ze zijn op internet raadpleegbaar: zie http://gallica.bnf.fr.

Biografieën die de nadruk leggen op de rol van Huygens in de wetenschap zijn: Rienk Vermij, Christiaan Huygens. De mathematisering van de werkelijkheid (2004) en C. Andriesse, Titan kan niet slapen (1993). Een persoonlijker benadering is te vinden bij Elisabeth Keesen, in Constantijn en Christiaan (1983), waarin de verhouding tussen Christiaan Huygens en zijn broer Constantijn centraal staat.

Christiaan Huygens zal tevens figureren in het boek van Luuc Kooijmans dat in november verschijnt onder de titel Gevaarlijke kennis.

De website www.phys.uu.nl/~huygens is aan Huygens gewijd.

Actueel
Oktober 2006-voorjaar 2007: In oktober 2006 presenteerde de commissie-Van Oostrom de Canon van de Nederlandse geschiedenis. In de reacties op het rapport wordt alom het ontbreken van  natuurwetenschapper Christiaan Huygens betreurd. Zal de commissie-Van Oostrom deze omissie herstellen in het vervolgrapport, dat voorjaar 2007 wordt verwacht?


Blijf op de hoogte via onze nieuwsbrief

Gouden Eeuw

Eerste Wereldoorlog

Tweede Wereldoorlog

VOC

Middeleeuwen