Contact | Adverteren | Login | Klantenservice | Privacy
Log in
Wachtwoord vergeten
Historisch Nieuwsblad 3/2007

Het GPV: voorganger van de ChristenUnie

De ware partij voor de ware kerk

Door: Bas Kromhout
Met deze knop kunt u artikelen toevoegen aan een leeslijst op uw persoonlijke pagina. Klik hier om in te loggen.
De ChristenUnie gaat regeren. Een van de partijen waaruit zij is voortgekomen, was het Gereformeerd Politiek Verbond (GPV). Dat werd gekenmerkt door interne ruzies en religieuze scherpslijperij.


De geschiedenis van het Gereformeerd Politiek Verbond is voor een belangrijk deel kerkgeschiedenis. De partij zou nooit hebben bestaan als niet in 1944 een scheur was ontstaan in de tweede grootste protestantse richting in dit land, de Gereformeerde Kerken in Nederland.

Zoals zo vaak in de geschiedenis van het Nederlandse calvinisme was de splijtzwam het leerstuk van de predestinatie of uitverkiezing. Dit is de opvatting dat van ieder mens reeds lang voor de geboorte vaststaat of hij door God is verworpen of uitverkoren om deel te hebben aan het Koninkrijk dat komen zal. Dit dogma laat zich moeilijk rijmen met andere kernelementen van de christelijke leer, zoals de doop. Mag een gedoopte christen ervan uitgaan dat God het goed met hem meent? En zo niet, heeft de doop dan nog wel betekenis?

In 1942 probeerde de gereformeerde synode het dilemma op te lossen. Zij stelde dat een gedoopte er in principe van uit mocht gaan dat hij uitverkoren was, zolang het tegendeel niet was gebleken. De populaire Kamper theoloog Klaas Schilder was het daar niet mee eens. Bovendien erkende hij de synode niet, omdat zij vanwege de oorlogsomstandigheden niet op reglementaire wijze was gekozen.

Het conflict liep hoog op, en op 11 augustus 1944 maakte Schilder in de lutherse kerk in Den Haag bekend dat hij brak met de Gereformeerde Kerken. Tal van plaatselijke kerken volgden, en zo ontstond een nieuw genootschap: de 'Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt)', in de volksmond ook wel aangeduid als de 'artikel 31-kerk'.

Later werd binnen de gereformeerde richting met schaamte over deze 'vrijmaking' gesproken. Vooral het moment - midden in de Tweede Wereldoorlog - was slecht gekozen. Terwijl het land zuchtte onder vreemde overheersing en de eigen achterban snakte naar morele leiding in bange dagen, zaten de heren theologen elkaar in de haren over ogenschijnlijke futiliteiten.

Zo klaagden de vrijgemaakten zelfs dat de synode hen niet hard genoeg strafte. Deze weigerde namelijk uit te spreken dat zij de vrijgemaakten als verloren voor het Koninkrijk Gods beschouwde. Volgens de vrijgemaakten nam de synode op die manier een loopje met de kerkelijke tuchtregels. Er kon maar één ware kerk zijn, en voor wie daarbuiten kwam te staan, was het heil niet weggelegd.

Oranje-liefde
Deze opvatting had niet alleen gevolgen voor de kerk, maar ook voor de gereformeerde Antirevolutionaire Partij (ARP). De vraag deed zich voor of twee groepen die elkaar zojuist de kerk uit hadden gevochten, binnen die partij konden blijven samenwerken alsof er niets was gebeurd. Volgens de vrijgemaakten was dat principieel onmogelijk. Wie niet tot de ware kerk behoorde, kon ook nooit effectief meewerken aan een politiek die 'Gode tot ere' strekte.

Maar er zat ook een sterke emotionele kant aan de zaak. De ruzies tussen vrijgemaakten en degenen die de synode trouw bleven, waren niet zelden van een bedenkelijk niveau. In 1946 vergeleek een lid van de antirevolutionaire kiesvereniging in het Zuid-Hollandse Berkel de vrijgemaakte kerk in een persartikel met de NSB. Dat leidde tot de oprichting van de eerste aparte vrijgemaakte kiesvereniging. Vijf andere zouden spoedig volgen. Op een congres in Amersfoort in 1948 besloten deze vrijgemaakte kiesverenigingen zich politiek los te maken van de ARP. Het Gereformeerd Politiek Verbond was een feit. Het GPV was een getuigenispartij, die zich beriep op dezelfde grondslagen als de vrijgemaakt-gereformeerde kerk.

Vanaf de oprichting woedden voortdurend discussies over de wenselijkheid van politieke richtlijnen - het woord 'programma' durfde men niet eens in de mond te nemen. Vooralsnog hielden de tegenstanders van richtlijnen de overhand. Volgens hen zou een partijprogramma onvermijdelijk de Bijbel als grondslag verdringen. Bovendien verzetten de lokale kiesverenigingen, die binnen het GPV in hoge mate zelfstandig waren, zich tegen de centraliserende invloed die uitging van één landelijk program. Daar stond het praktische bezwaar tegenover dat een GPV'er die in een politiek ambt zou worden gekozen, amper wist voor welk beleid hij zich sterk moest maken.

In 1959 kregen de voorstanders van richtlijnen de meerderheid van de actieve GPV-leden mee. Hoe voorzichtig men nog altijd was, bleek uit het feit dat het eerste partijprogramma van het GPV slechts drie punten bevatte. Dit waren: verdediging van Nederlands onafhankelijkheid, bevordering en ontwikkeling van het land, en versterking van de rol van de koning in het staatsbestel.

Vanwege de liefde voor het Huis van Oranje en de nadruk op een sterke krijgsmacht werd de ideologie van het GPV wel omschreven als 'nationaal-gereformeerd'. In 1949 sprak de partij zich uit tegen de soevereiniteitsoverdracht in Indonesië. Als partijkleur werd gekozen voor oranje en het logo ­- een toren met kantelen - verwees zowel naar nationale weerbaarheid als naar de 'vaste burcht' die God volgens psalm 46 was.

Abortus
Bij de verkiezingen van 1959 leek het GPV voor het eerst een Tweede Kamerzetel te hebben binnengesleept. Monter klopte lijsttrekker Lanning aan bij paleis Soestdijk om zijn formatieadvies te geven aan koningin Juliana. Lanning wist nog niet dat hij volgens de definitieve telling zestien stemmen tekortkwam. Juliana was wel op de hoogte, maar zei niets tegen Lanning omdat - zoals ze later verklaarde - ze 'dat zo sneu had gevonden'.

Vier jaar later lukte het met de slagzin 'Den vaderland getrouwe' dan toch om een zetel te bemachtigen. De man die erop mocht zitten, was Piet Jongeling, een Groningse journalist, ex-concentratiekampgevangene en schrijver van kinderboeken. Zijn serie Snuf, de hond, gepubliceerd onder het pseudoniem Piet Prins, was in menige christelijke kinderkamer te vinden.

Jongeling verwierf als Kamerlid veel waardering door zijn gewetensvolle en principiële opstelling. Hij streed hartstochtelijk tegen de legalisering van abortus. Ook brak hij een lans voor de Molukkers en de Papoea's, die zich niet thuis voelden in de Republiek Indonesië. Nederland had tegenover hen een ereschuld in te lossen, vond Jongeling.

Jongelings populariteit betaalde zich bij de verkiezingen van 1971 uit in een tweede zetel voor het GPV. Deze werd bekleed door A.J. Verburgh, die vooral bekendheid verwierf omdat hij openlijk begrip toonde voor de Zuid-Afrikaanse thuislandenpolitiek. Toen al na een jaar nieuwe verkiezingen werden gehouden, verwachtten opiniepeilers een forse groei voor het GPV naar vijf zetels. Een televisie-interview van Godfried Bomans met Jongeling had kennelijk velen in Nederland geïnspireerd. Voor de latere GPV-leider Eimert van Middelkoop was de tv-uitzending zelfs de aanleiding om de politiek in te gaan.

Maar uiteindelijk viel het resultaat tegen, en bleef het GPV op twee zetels steken. Dat had alles te maken met de omvang van de kerkelijke achterban van het GPV, die bewust beperkt werd gehouden. Het GPV wilde de ware partij zijn voor de ware kerk. Niet-vrijgemaakte christenen waren niet welkom als leden. Daarmee veroordeelde de partij zichzelf tot een bijrol in de Nederlandse politiek.

Belangstelling van buiten de vrijgemaakt-gereformeerde kerk kreeg de partij wel. En niet alleen van de rooms-katholieke Bomans, die bekende uit sympathie voor Jongeling op het GPV-Kamerlid te stemmen. In 1966 boden een Kamper theoloog en een accountant uit Leeuwarden hun diensten aan om stemmen te winnen voor het GPV. Omdat zij niet tot de vrijgemaakt-gereformeerde kerk behoorden, richtten zij een aparte organisatie op: het Nationaal Evangelisch Verband (NEV).

Op papier leek dit een onberispelijke constructie, maar toch waren veel GPV'ers fel tegen de samenwerking gekant. Opnieuw werden de messen geslepen en dreigde een scheuring. Jongeling moest vanaf het ziekenhuisbed zijn partijgenoten tot rust en rede manen. Om de lieve vrede te bewaren, werd de beslissing over samenwerking op de lange baan geschoven.

Na zes jaar door het GPV aan het lijntje te zijn gehouden, besloot het NEV zelf om te verbreden, en ook toenadering te zoeken tot de Staatkundig-Gereformeerde Partij (SGP) en de rechtervleugels van ARP en CHU. Als een jaloerse tiener verbrak de GPV prompt het contact.

Niet lang daarna keerde ook de kiezer het GPV de rug toe. In 1977 verloor de partij één van beide zetels. Niet alleen omdat het CDA, de nieuwe fusiepartij van ARP, CHU en KVP, grote aantrekkingskracht uitoefende op de christelijke kiezer, maar ook omdat een nieuwe partij op het toneel was verschenen: de Reformatorische Politieke Federatie (RPF). Het werd dringen op de christelijke rechtervleugel.

Poelen des verderfs
Ondertussen werd het GPV steeds meer een normale politieke partij. De verkiezingsprogramma's werden uitgebreider. Men beperkte zich niet langer tot de vrome doelstelling van een samenleving gebaseerd op de Bijbel, maar durfde nu ook uit te dragen wat daar concreet onder moest worden verstaan.

Volgens het programma van 1966 streefde het GPV naar meer macht voor de koning en meer vrijheid voor bijzondere scholen om zelf de inhoud van het onderwijs te bepalen. Ook moest de Nederlandse bevolking gelijkmatig over het grondgebied worden verspreid, om grote mensenconcentraties - poelen des verderfs! - tegen te gaan. Verder mocht de overheid geboorteregeling niet aanmoedigen en mocht haar economische beleid niet in het teken staan van een ongelimiteerd consumentisme. Ook toonde het GPV zich geen groot voorstander van het overlegmodel. De macht van maatschappelijke organisaties diende te worden verkleind.

Nog een teken van normalisering was dat het GPV voorzichtig de deur openzette naar samenwerking met andere partijen. In 1979 dienden de Tweede Kamerfracties van SGP en GPV samen een initiatiefwetsvoorstel in als alternatief voor de abortuswet. Vier jaar later riep Gert Schutte, de nieuwe GPV-eenmansfractie, zelfs samen met de PvdA de regering op om meer te investeren in het bestrijden van de werkloosheid.

Ondertussen was ook een ander taboe binnen het GPV doorbroken. In 1981 besloot het GPV dat het in geval van noodzaak niet langer onaanvaardbaar was om een lijstverbinding aan te gaan met andere christelijke partijen. Lijstverbindingen met de SGP leveren de partij lokaal en provinciaal veel extra zetels op.

In 1984 vonden de klein-rechtse partijen GPV, SGP en RPF elkaar op het punt van de Europese integratie, iets waar zij weinig mee op hadden. Ze besloten met een gezamenlijke lijst deel te nemen aan de Europese verkiezingen, in de hoop het tij te kunnen keren. Het was de eerste keer dat het GPV zo nauw samenwerkte met de RPF. Deze partij was mede ontstaan uit het NEV, en had als doelstelling de krachten te bundelen met de andere kleine christelijke partijen (zie kader).

Nu het GPV langzaam maar zeker over de muren van het vrijgemaakt-gereformeerde bolwerk durfde te kijken, kwam deze krachtenbundeling in zicht. In 1989 deed de partij nog niet mee met een lijstverbinding van RPF en SGP voor de Tweede Kamerverkiezingen; desondanks leek ze daarvoor te worden beloond met één zetel winst. Maar in 1993 nam het GPV het historische besluit om de partij open te stellen voor niet-vrijgemaakte leden.

Naar goed gereformeerd gebruik ging de koerswijziging niet zonder de nodige trammelant. Mede daarom bleef het GPV de toenaderingspogingen van de RPF afhouden. Aan nieuwe interne discussies had men even geen behoefte. Ondertussen viel de SGP af als politieke partner vanwege het verscherpte standpunt van die partij over het vrouwenlidmaatschap.

Pas eind jaren negentig durfde het GPV de onvermijdelijke volgende stap te zetten en nam het de uitnodiging van de RPF aan om te praten over samenvoeging van de twee partijen. Dat leidde in 2000 tot de oprichting van de ChristenUnie: geen getuigenis-, maar een programpartij die wil appelleren aan elke Nederlander die vindt dat de Bijbel richtsnoer in de politiek moet zijn. En die daarbij in de afgelopen zes jaar al meer electoraal succes heeft behaald dan het GPV in de meer dan vijftig jaar daarvoor.

Kader:

De partij die zichzelf wilde opheffen
De Reformatorisch Politieke Federatie (RPF) ontstond in 1975 als een direct gevolg van het samengaan van de drie grootste christelijke partijen in het CDA. Enkele leden van de Antirevolutionaire Partij konden zich niet vinden in de fusie met de Christelijk-Historische Unie (CHU) en de Katholieke Volkspartij (KVP).

Hun opvattingen verschilden niet veel van die van het GPV. Maar omdat deze partij geen leden accepteerde van buiten de vrijgemaakt-gereformeerde kerk, richtten zij de RPF op. Net als het GPV stond de partij voor een krachtige nationale onafhankelijkheidspolitiek en wilde zij bevolkingsconcentraties en zedenverwildering tegengaan. Op economisch gebied hing de RPF een corporatistisch model aan, waarbinnen werkgevers en werknemers harmonieus zouden samenwerken. Ook het milieu had een duidelijke plek in het RPF-program.

In 1981 kwam de RPF van nul op twee zetels in de Tweede Kamer. Fractieleider was Meindert Leerling, voorheen voetbalverslaggever en redacteur bij de Evangelische Omroep. De EO was een belangrijke spreekbuis van de RPF. Beide richtten zich op dezelfde doelgroep van behoudende christenen, inclusief de pinkster- en volle-evangelie-gemeenten.

In 1994 werd Leerling opgevolgd door Leen van Dijke, wiens nationale bekendheid steeg toen hij in weekblad Nieuwe Revu homoseksuelen vergeleek met dieven en fraudeurs.

Van begin af aan was het eigenlijke doel van de RPF zichzelf zo snel mogelijk weer op te heffen. In het basisprogram uit 1976 stond dat de partij streefde naar 'het bundelen van allen die de reformatorische politiek voorstaan - dus ook samenbundeling met SGP en GPV'. Die samenbundeling zou in 2000 althans gedeeltelijk tot stand worden gebracht, toen RPF en GPV samen verdergingen als ChristenUnie. De leider van die nieuwe partij, André Rouvoet, begon zijn politieke carrière in de RPF.

Meer informatie:

Boeken en site
Wie zoekt naar een recente monografie over het Gereformeerd Politiek Verbond, komt van een koude kermis thuis. Het laatste Gedenkboek dat de partij zelf uitgaf, dateert alweer van 1988 en mist dus de ontwikkelingen van de laatste twaalf jaar. In 1992 verscheen een heruitgave van de brochure Het leven is één. Het ontstaan van het Gereformeerd Politiek Verbond, vrucht van reformatie in de kerk van J.P. de Vries uit 1966. De publicatie was bedoeld om de discussies over samenwerking met andere christelijke partijen te voeden. Zij behandelt de historische en theologische grondslagen van het GVP vanuit een sterk partijdig standpunt. Gelukkig is er altijd nog parlement.com, de onvolprezen website van het Parlementair Documentatiecentrum van de universiteit in Leiden. Hier vindt u historische achtergronden en wetenswaardigheden van alle organisaties en personen die ooit deel hebben uitgemaakt van de Nederlandse parlementaire geschiedenis.