Contact | Adverteren | Login | Lezersservice

Het leven van de slaven in de Nederlandse koloniën

Door: Marianne Wilschut

Historisch Nieuwsblad 0/2000

‘Swarten moesten maar werken en de planters tot playsier zyn’

De Nederlandse bijdrage aan de slavernij is zacht gezegd een minder glorieus onderdeel van de vaderlandse geschiedenis. Suriname genoot zelfs de reputatie van het land dat zijn slaven het slechtst behandelde. Waren de Nederlandse slavenmeesters werkelijk wreder dan de Britten, Fransen, Portugezen en Spanjaarden?
Om de barbaarsheid van de slavernij te illustreren wordt vaak de prent gebruikt van een slaaf die met een ijzeren haak door zijn ribben aan een galg hangt, terwijl op de achtergrond een stel schedels dreigend op staken staat. Deze gravure van William Blake is gebaseerd op een verhaal dat de Schots-Nederlandse kapitein John Gabriel Stedman in Suriname van iemand 'van goed voorkomen' hoorde en opschreef. Stedmans Narrative of a Five Years Expedition against the Revolted Negroes of Surinam, dat in 1796 uitkwam in Londen, is een verslag van de indrukken die de 28-jarige kapitein opdeed tijdens een verblijf van vijf jaar in Suriname.

Stedman had zich daar als vrijwilliger aangemeld voor een expeditie die de opstand van gevluchte slaven, de marrons, moest onderdrukken. Tijdens zijn verblijf viel hij van de ene verbazing in de andere over de wrede behandeling van de slaven door hun meesters.

Zo beschrijft hij hoe een zekere mevrouw S. het gehuil van de baby van een slavin zat was: 'Mevrouw S. gelastte aan haar slavin om het kind bij haar te brengen. Zij nam het kind toen bij een arm, hield het onder water totdat het verdronken was en vervolgens wierp zij het in de stroom weg.' Nadat de moeder vergeefs had geprobeerd om haar kind te redden, kreeg zij met de roede omdat zij ongehoorzaam was geweest. Het zal niet verbazen dat Suriname na het uitkomen van dit boek de reputatie kreeg het land met de meest weerzinwekkende variant van de slavernij te zijn. 
 

Lucratieve handelswaar

Vanaf het einde van de zestiende eeuw waren Nederlandse koopvaarders, met name de Hollanders en de Zeeuwen, betrokken geraakt bij de Transatlantische slavenhandel. Na ongeveer 1635 nam ook de West Indische Compagnie (WIC) deel aan de slavenvaart. Slaven waren lucratieve handelswaar; de plantages die de Europeanen in de Nieuwe Wereld hadden aangelegd schreeuwden immers om arbeidskrachten.

Toen de Caraïbische regio - in tegenstelling tot bijvoorbeeld Peru en Bolivia - weinig goud en zilver bleek te bevatten, hadden de Spanjaarden en in hun kielzog de andere Europeanen al snel een manier gevonden om toch een slaatje uit het pas 'ontdekte' gebied te slaan. Uit Azië en het Midden-Oosten werden nieuwe gewassen als suiker, koffie en katoen geïntroduceerd, die in het tropische klimaat op grote schaal moesten worden verbouwd om de staatskas van het moederland te spekken.

Daarvoor waren veel arbeidskrachten nodig. De oorspronkelijke bewoners van het gebied waren hiervoor ongeschikt en bovendien bijna uitgeroeid. Men koos er daarom voor om slaven uit Afrika aan te voeren, die het zware werk moesten opknappen. 'De grootscheepse aanvoer van achtereenvolgens Europese contractarbeiders, Afrikaanse slaven en ten slotte Aziatische contractanten maakte de creatie mogelijk van wat met recht een "Nieuwe Wereld" mag worden genoemd,' schrijft Gert Oostindie, directeur van het Leidse Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde en hoogleraar Caraïbische studies in zijn boek over de geschiedenis van de Nederlandse Caraïben.

Tussen 1492, het jaar waarin Columbus voet aan wal zette in de Caraïben, en 1866, toen de laatste lading slaven in Cuba werd afgeleverd, werden ongeveer 10 miljoen Afrikanen gedwongen naar de Nieuwe Wereld getransporteerd. Waarschijnlijk overleefde een even groot aantal het voortraject - de slavenjachten in Afrika en de overtocht - niet.

De Britten, Fransen en Portugezen waren de belangrijkste slavenhandelaars. Het Nederlandse aandeel in de slavenhandel was ongeveer 5 procent. Van dit half miljoen 'Nederlandse' slaven belandden ongeveer 275.000 Afrikanen in Suriname. Ook naar de Antillen werden slaven aangevoerd, die vooral aan het werk werden gezet in de zoutpannen.

In de ruim vijftien jaar dat de Britten in Suriname hadden gezeten, hadden zij er al tweehonderd suikerplantages opgebouwd. Deze werden door de Hollanders overgenomen en uitgebreid. Ondernemers kregen stukken grond die ze in cultuur brachten. Aanvankelijk werd er vooral suikerriet verbouwd; later ook koffie, katoen en cacao. Vooral aan de kust en langs de rivieren verrezen plantages met romantische namen als Mon Désir, Roosenburg en Goede Vrede. In de achttiende eeuw waren de Surinaamse plantages een lucratieve onderneming; tussen 1680 en 1780 groeide het aantal van 200 tot 591. Later zouden ze, mede door wanbeheer van de veelal afwezige eigenaars, een verliespost worden en nam hun aantal af.

De Nederlandse economie heeft echter zeker geprofiteerd van dit tropisch aanhangsel. In zijn boek Surinaams Contrast becijfert Alex van Stipriaan, hoogleraar Zuid-Amerikaanse geschiedenis aan de Erasmusuniversiteit in Rotterdam en conservator bij het Koninklijk Instituut voor de Tropen, dat de exportproducten van de plantages tussen 1750 en 1863 minstens 600 miljoen gulden opleverden.

Ook zorgde het handelsmonopolie van Nederland op Suriname voor een economische spin-off in Nederland. Van Stipriaan: 'Alle benodigdheden voor de plantages, van spijkers tot en met bakstenen, moesten uit Nederland worden aangeleverd en vervoerd. Die tientallen schepen die jaarlijks tussen Nederland en Suriname op en neer voeren leverden de werven flink wat werk op.' Zo winstgevend als Nederlands-Indië zou Suriname echter niet blijken te zijn. 
 

Vaderlijke tucht

Achter de romantische namen van de plantages ging een harde werkelijkheid schuil. Dat er gedurende de hele periode van de slavernij sprake was van een sterfteoverschot onder de slavenbevolking zegt genoeg.

Het tropische klimaat, waarin besmettelijke ziektes goed gedijden, was een van de oorzaken van het hoge sterftecijfer, maar het harde werk op de plantages speelde ook een grote rol. Zeker in de begin- en expansiefase van de kolonisatie, toen de drassige Surinaamse kustvlaktes naar Hollands gebruik werden ingepolderd, was het keihard aanpoten. De zweep werd gehanteerd om de kilometerslange sloten in de zware klei zo snel mogelijk uitgegraven te krijgen. 'Uit de eeuwenoude mondelinge overleveringen van de marrons blijkt dat de graafwerkzaamheden en de behandeling door de planters voor hen belangrijke motieven waren om weg te lopen,' aldus Oostindie.

Vanwege de zware regenperiodes bleef het ook na de aanleg van de plantages van belang dat de waterwerken en het afwateringssysteem goed werden onderhouden en regelmatig uitgebaggerd. Daarnaast moest ook het gewone werk op de plantages af. De slaven werkten zes dagen in de week en vaak ook 's nachts. Alleen rond oud en nieuw kregen zij een paar dagen vrij.

Vooral het werk op de suikerrietplantages was niet zonder risico's. Het kwam regelmatig voor dat een slaaf zichzelf tijdens het rietkappen verwondde. Werken in de molen of het kookhuis was nog gevaarlijker. Regelmatig belandden slaven in het rad van de molen of vielen zij in de ketels waarin de suiker werd gekookt. Het was dan ook niet voor niets dat slaven hier voor straf moesten werken. Ook de hygiënische omstandigheden lieten te wensen over. Door het werken in stoffige loodsen en het drinken van vervuild water stierven veel mensen aan longziektes, bilharzia en dysenterie. 

Tot 1828 werden slaven door de wet niet gezien als personen, maar als roerende goederen. Slaven hadden geen enkel burgerrecht en mochten in principe geen bezit hebben. Ook konden zij geen wettig huwelijk sluiten. Vanaf 1828 werden slaven juridisch als mens erkend. Ze werden echter nog steeds aangemerkt als onmondigen, over wie de eigenaars 'eene vaderlijke tucht' dienden uit te oefenen. Slaven werden door hun meesters dus vooral beschouwd als inboedel.

In de archieven zijn tal van inventarissen van plantages te vinden waarin naast een beschrijving van velden, gebouwen en vee ook de slavenlijsten zijn opgenomen. Behalve hun naam of functie wordt daarin ook de conditie van de slaven vermeld. Op grond van dat alles werd hun waarde vastgesteld. Uit de inventaris van suikerplantage Roosenburg blijkt bijvoorbeeld dat Trobel, 'oppertimmerneeger', werd getaxeerd op 1500 gulden. Vorte Jacoba, veldmeid, was 325 gulden waard. Ouderen, kinderen en gehandicapten leverden vrijwel niets op. 
 

Inferieure wezens

Gemiddeld was een slaaf ongeveer 340 gulden waard - een aardig bedrag voor die tijd. In de correspondentie tussen Surinaamse administrateurs en belanghebbenden werd dan ook voortdurend geklaagd over de hoge sterfte onder de slaven. 'Steevast resulteerde dit in verzoeken om gelden voor de aankoop van nieuwe slaven. Vrijwel nooit vroeg men om toestemming om meer uitgaven te doen voor de verzorging van de slaven,' weet Van Stipriaan.

Die was en bleef vrij pover, maar verbeterde wel enigszins in de loop van de negentiende eeuw. Het voedsel was karig en eenzijdig. Hun rantsoen mochten de slaven echter geleidelijk aan wel zelf steeds meer aanvullen door te jagen en voedsel te verbouwen. Eens per jaar werden er enkele kledingstukken en andere goederen uitgedeeld. Deze pakketten werden in de loop van de negentiende eeuw, mede onder druk van nieuwe slavenreglementen, groter.

Deze reglementen waren opgesteld door de Nederlandse regering, nadat de handel in slaven in 1814 onder druk van de Engelsen was verboden. In Nederland protesteerden maar weinig mensen tegen de slechte behandeling van de slaven. Degenen die dat wel deden beschouwden hen nog steeds als inferieure wezens. Pas in 1842 inspireerde de beweging voor de afschaffing van de slavernij, die in Engeland groot was, aanhangers van de Protestantse Réveilbeweging - onder wie G. Groen van Prinsterer - tot de oprichting van de Maatschappij ter Bevordering van de Afschaffing van de Slavernij.

Wel werden in de loop van de negentiende eeuw al verbeteringen doorgevoerd in arbeidsomstandigheden, medische zorg en behuizing. De slaven woonden in aparte slavendorpen op de plantages. Halverwege de achttiende eeuw bestonden die meestal uit een verzameling losstaande hutten, die door de slaven zelf gebouwd en onderhouden werden. In de loop van de negentiende eeuw vervingen de meeste plantages de rokerige hutten door blokwoningen: lange houten gebouwen, die droger en luchtiger waren. Deze nieuwe woonvorm bevorderde de hygiëne en gezondheid van de slaven.

In sociaal opzicht stelden zij de verandering echter niet op prijs, omdat zij liever in zelfstandige hutten bleven wonen. Gemiddeld had een slaaf iets meer dan vier vierkante meter woonruimte tot zijn of haar beschikking. Mannen en vrouwen mochten niet trouwen, maar wel relaties met elkaar hebben. Het aantal kinderen dat geboren werd, was laag. Van Stipriaan schrijft dat het niet ondenkbaar is dat de slavinnen door de erbarmelijke omstandigheden niet alleen fysiek niet in staat waren om kinderen te krijgen, maar daar ook bewust voor kozen. 
 

Spaanse bok

Aanvankelijk gebruikten de planters lijfstraffen vooral om de slaven, die getalsmatig in de meerderheid waren, angst in te boezemen. Een beruchte straf was de Spaanse bok, waarbij het slachtoffer kromgetrokken werd rond een stok in de grond, waarna hij met een bos twijgen net zo lang werd geslagen totdat er geen vlees meer op zijn billen zat. Een andere manier om de slaven te onderdrukken was door hen onderling tegen elkaar uit te spelen. Mulatten werden altijd bevoordeeld ten opzichte van 'zwarte' slaven. Zij hoefden geen veldarbeid te doen en ontvingen een groter rantsoen. Vaak hielden zij een oogje in het zeil voor de planters.

Hoewel de zweep nooit helemaal verdween, trachtte men in de negentiende eeuw de slaven meer te binden aan de belangen van de plantage door hun materiële omstandigheden te verbeteren en ze te bekeren tot het christendom. Het christelijk geloof was voorheen taboe voor de slaven, want, zoals een planter het verwoordde: 'De Hemel was voor geene Swarten gemaakt, die waaren alle des Duyvels, die moesten maar werken en de planters tot playsier zyn.'

Verder waren blank en zwart strikt gescheiden, hoewel de blanke mannen op die regel graag een uitzondering maakten als het om seks met slavinnen ging. Als teken van hun onderworpenheid mochten zwarten bijvoorbeeld geen schoenen dragen. Ironisch genoeg zorgde juist deze segregatie ervoor dat de zwarte bevolking een sterke eigen cultuur kon opbouwen, die door constante aanvoer van nieuwe slaven een sterk West-Afrikaans tintje had.

De slaven hadden hun eigen godsdienst en spraken hun eigen taal, het Sranan Tongo - een combinatie van Engels, Portugees en Afrikaanse talen. De planters beheersten deze taal gebrekkig en hadden dan ook vaak niet door dat de liederen die de slaven zongen een kritische ondertoon hadden. Doordat de slaven erin slaagden een eigen cultuur te ontwikkelen, werden ze onafhankelijker en durfden ze gaandeweg meer eisen te stellen, bijvoorbeeld aangaande de arbeidsomstandigheden. Ook protesteerden ze openlijk als er aan verworven rechten, zoals vrije dagen, werd getornd.

Dat wil niet zeggen dat er eerder geen verzet was, alleen veranderde de aard van het verzet in de loop der jaren. In de begin- en bloeiperiode van de slavernij probeerde men vooral te ontsnappen. Slaven wie het gelukt was om in groepen in het oerwoud te overleven, werden ook wel marrons of bosnegers genoemd.

Uit gebrek aan voedsel en wapens vielen zij af en toe plantages aan, waarbij ze tegelijkertijd andere slaven bevrijdden. Beroemde marron-aanvoerders als Boni, Baron en Joli Coeur veroorzaakten zo in de tweede helft van de achttiende eeuw regelmatig hevige paniek. Deze oorlogen werden uiteindelijk opgelost met vredesverdragen, waarin de marrons in ruil voor de garantie van hun vrijheid beloofden dat ze geen nieuwe weglopers zouden opnemen.

Slaven bleven ontsnappen aan het plantageregime, maar in de loop der tijd meestal niet met de bedoeling om voorgoed weg te blijven. Ze liepen weg uit protest, of omdat ze een partner op een andere plantage wilden bezoeken. Weglopers die werden betrapt, kregen tachtig zweepslagen of werden maanden in de boeien geslagen. Andere vormen van verzet waren sabotage en lijntrekkerij.

In de loop van de negentiende eeuw waren er ook groepsprotesten, bijvoorbeeld als slaven gedwongen werden om naar een andere plantage te verhuizen. De slaven waren inmiddels 'verknocht' geraakt aan de plantages waar ze waren geboren en waar hun voorouders begraven lagen, en wilden niet worden gescheiden van hun familie. Slaven die op een koffie- of katoenplantage werkten, verruilden die bovendien liever niet voor een plekje op een suikerplantage. Soms waren deze protesten succesvol, maar in de meeste gevallen trokken de slaven aan het kortste eind. Ze waren echter wel een macht geworden waarmee men meer rekening hield. 
 

Schadevergoeding

Wie de slavernij in zijn totaliteit overziet, houdt daar ongetwijfeld een ontluisterend beeld van de Nederlanders in Suriname aan over. Maar was de reputatie die de Nederlanders kregen na de publicatie van het boek van Stedman en andere kritische pamfletten - waaronder Voltaires Candide - terecht? Inmiddels is immers gebleken dat de passages van het boek waarin de Hollanders door Stedman als veel wreder dan de Britten werden afgeschilderd pas later zijn toegevoegd door Stedmans Britse redacteur, die zo de Engelsen beter voor den dag wilde laten komen.

Dat de Nederlanders de slavernij pas in 1863, dertig jaar na de Engelsen en vijftien jaar na de Fransen, hebben afgeschaft, pleit alvast niet voor ze. Gert Oostindie noemt dit beschamend. 'Suriname interesseerde de Nederlanders simpelweg niet,' zegt hij. 'De grootste ironie is dat de schadevergoeding van 300 gulden die de slavenmeesters per vrijgemaakte slaaf kregen, werd betaald met de inkomsten uit het cultuurstelsel in Indië. De vrijgemaakte slaven kregen niets, maar moesten wel nog tien jaar verplicht op de plantages blijven werken.'

Maar hoewel het er in Suriname hard aan toeging, is de reputatie van uitzonderlijke wreedheid volgens Oostindie niet helemaal verdiend. 'Recent onderzoek geeft weinig grond voor de stelling dat het er in Suriname anders en erger toeging dan in andere Caraïbische slavenkoloniën. Zo is nog niet zo lang geleden aangetoond dat in tegenstelling tot wat eerder wel werd beweerd, de sterftecijfers van Suriname niet afwijken van die van andere Caraïbische koloniën.'

En Suriname was ook niet het enige land dat te boek stond als uitzonderlijk wreed, weet Alex van Stipriaan. 'Haïti had die reputatie ook, net als de Verenigde Staten en Cuba in de negentiende eeuw.' Daarmee kom je volgens Van Stipriaan meteen al op de vraag wat je met elkaar moet vergelijken. 'Suriname was in de negentiende eeuw anders dan in de achttiende eeuw en Cuba ook. Het is heel erg kort door de bocht om te stellen dat het op de ene plek erger was dan op de andere. Je gaat toch ook geen concentratiekampen met elkaar vergelijken? De slavernij was per definitie wreed en of het in het ene land nou erger was dan in het andere doet daar wat mij betreft niets aan af. Waar het werkelijk om gaat zijn de fundamenten van het systeem zelf.' 

Meer informatie 
Boeken
Over de geschiedenis van Suriname is veel geschreven. Twee wetenschappelijke boeken die makkelijk leesbaar zijn, zijn Gert Oostindie, Het paradijs overzee. De Nederlandse Caraïben en Nederland (1997) en Alex van Stipriaans Surinaams Contrast. Roofbouw en overleven in een Caraïbische plantagekolonie, 1750-1863 (1993). 

Richard en Sally Price ontdekten het originele manuscript van Stedman en schreven er een introductie bij in Stedman's Surinam. Life in an Eighteenth-Century Slave Society. An Abridged, Modernized Edition of Narrative of a Five Years Expedition against the Revolted Negroes of Surinam (1988).

Blijf op de hoogte via onze nieuwsbrief

Gouden Eeuw

Eerste Wereldoorlog

Tweede Wereldoorlog

VOC

Middeleeuwen