Contact | Adverteren | Login | Klantenservice | Privacy
Log in
Wachtwoord vergeten
Historisch Nieuwsblad 1/2005

Joden in Marokko

'Ik sta mijn kinderen niet af. Wij hebben hier alleen Marokkanen’

Door: Nicolien Zuijdgeest
Met deze knop kunt u artikelen toevoegen aan een leeslijst op uw persoonlijke pagina. Klik hier om in te loggen.
Marokko staat bekend als het land waar moslims en joden tweeduizend jaar harmonieus samenleefden. Toch waren joden er nooit volwaardige burgers. De Marokkaanse joden in de diaspora koesteren echter nog altijd een grote liefde voor hun land van herkomst.


De joodse geschiedenis van Marokko begint ver voor de komst van de islam. Overleveringen melden dat de eerste joden naar Noord-Afrika zouden zijn gevlucht na de vernietiging van de eerste tempel in Jeruzalem in 586 v.Chr. Andere verhalen stellen dat de joden al eerder kwamen, met de eerste Fenicische handelsschepen of overland vanuit Egypte. De eerste bewijzen voor de aanwezigheid van joden in Noord-Afrika zijn grafstenen met Hebreeuwse inscripties uit de Romeinse tijd. De joden leefden er samen met de oorspronkelijke bewoners, de Berbers. Men weet niet of zij geberberiseerde joden of gejudaïseerde Berbers waren. Wel is duidelijk dat beide culturen veel invloed op elkaar hebben gehad. Dat bleek enkele jaren geleden, toen een Marokkaanse wetenschapper joden ontdekte die de Hagada, het verhaal over de bevrijding van de joden uit Egyptische slavernij, in het Berbers konden opzeggen.

De komst van de islam in Noord-Afrika in de zevende eeuw was het begin van een nieuwe periode in de geschiedenis van de joden in Marokko. Moslims op veroveringstocht leverden de eerste geschreven getuigenissen van joodse aanwezigheid. Zo is de joodse profetes Kahina beroemd geworden, omdat ze het Berberverzet tegen de binnenvallende moslimlegers dapper aanvoerde. 

Zout
De Marokkaanse sultan Idris II besloot rond 800 zijn nieuwe hoofdstad Fès open te stellen voor joden. Ze vervulden een belangrijke rol in de handel op de oude karavaanwegen van Sijilmassa en Volubilis. Moslims beschouwden de joden en christenen als Ahl al-kitaab, 'mensen van het boek'; hun godsdiensten hebben ook een deel van de openbaring ontvangen. Joden werd de dhimmi-status verleend: toestemming om hun godsdienst uit te oefenen. De Berbers werden langzaam maar zeker gearabiseerd en geïslamiseerd.

In de praktijk betekende de dhimmi-status dat de joden zich aan een aantal regels moesten onderwerpen. 'Joden moesten belasting betalen. Ze moesten een speciaal kledingstuk dragen dat hen van de moslims onderscheidde en mochten hun rijkdom niet etaleren door pronkgewaden te dragen,' vertelt Heidi Verdonck, bezig met een boek over de joodse geschiedenis van Marokko, dat in het voorjaar van 2005 verschijnt. 'Beroepen die door moslims als minderwaardig werden beschouwd, waren voor joden gereserveerd: edelsmid, schoenmaker, kleermaker, kapper, tandarts of dokter. Als een moslim hun pad kruiste, moesten joden het hoofd buigen. Als ze op een ezel reden, kon de moslim eisen dat ze afstapten.'

Verdonck noemt de dhimmi-status een discriminerend statuut. 'Joden waren tweederangsonderdaan. In Marokko was de sultan vertegenwoordiger van de Profeet én wereldlijk heerser. Joden behoorden niet tot de gemeenschap van islamitische gelovigen, de oemma; je kon geen volwaardig onderdaan zijn als je geen moslim was. Dankzij de dhimmi-status genoten de joden bescherming van de sultan, maar zij werden ook door hem gebruikt als verlengstuk van zijn macht. Historicus en Marokko-kenner Herman Obdeijn: 'Als je joden in dienst nam, verbond je je niet aan de hele regio waar degene vandaan kwam, zoals bij andere Marokkanen, maar slechts aan één persoon. Joden waren afhankelijk van de sultan. Als minderheid waren ze volstrekt loyaal. En als je ze niet meer nodig had, kon je ze makkelijk wegsturen.'

De speciale bescherming van de sultan is tot op heden nog terug te vinden in de medina's van Marokkaanse steden. De joodse wijk lag doorgaans naast het paleis van de sultan. De getto's werden mellah genoemd, Arabisch voor 'zout'. De eerste mellah in het veertiende-eeuwse Fès lag naast een zoutmijn, waar joden de afgehakte hoofden van veroordeelden moesten inzouten en tentoonstellen op de kantelen. 

Andalusië
De mate van vrijheid van de joodse gemeenschap wisselde. Onder de Almoraviden-dynastie (1030-1140) vochten tienduizenden joden mee in de Marokkaanse veroveringstochten in het Spaanse Andalusië. De dhimmi-status bood echter geen garantie tegen vervolging. De Almohaden-heersers (1140-1240) erkenden de status niet en vermoordden duizenden joden. Velen werden gedwongen zich tot de islam te bekeren, hoewel ze hun geloof in het geheim trouw bleven. Marokkaanse namen als Benchekroun en Cohen herinneren aan deze gedwongen bekeringen. Pas onder de Marinieden (1240-1465) konden de joden hun geloof weer openlijk belijden.

Veel joden trokken toen naar het Iberisch schiereiland, waar moslims, christenen en joden naast elkaar leefden sinds de Almoraviden Spanje hadden veroverd. Tussen de negende en de dertiende eeuw, tijdens de gouden eeuwen van de Andalusische beschaving, leverden joden er een grote bijdrage aan de cultuur, wetenschap en economie. Marokko en Spanje hadden een aanzienlijke invloed op elkaars cultuur, zoals blijkt uit het leven van iemand als Jozef Maimon, vader van de beroemde joodse geleerde Rambam Maimonides. Maimom werd geboren in een klein plaatsje bij Cordoba en was een bekend arts. In de twaalfde eeuw vroeg de sultan hem naar Marokko te komen vanwege de vele ziektes die er heersten. Maimom reisde af naar Fès en is daar vijf jaar gebleven.

Aan de culturele uitwisseling kwam een einde toen de Spaanse katholieken Spanje terugveroverden en moslims en joden in de Reconquista terugdreven naar Noord-Afrika. De sefardische stadsjoden uit Andalusië - afgeleid van het Hebreeuwse woord sefarad, voor 'Spanje' - vestigden zich in Fès, Marrakech en Tétouan. Daar vormden zij een nieuwe stedelijke elite, die neerkeek op de 'plattelandsjoden'.

Vanaf die tijd deden de sultans graag een beroep op de joden vanwege hun talenkennis. In 1608 was de joodse Samuel Pallache de eerste Marokkaanse ambassadeur in de toenmalige Republiek der Verenigde Provinciën. Andere joden bekleedden belangrijke functies aan het hof als vizier, eerste minister van de sultan. Veel joden werden benoemd tot handelaar van de sultan, waarbij ze gevolmachtigd waren zaken te doen met Europa. Zodoende was de helft van de inwoners van Marokko's officiële invoerhaven Essaouira joods.

Sommige joden werkten voor de sultan als belastinginner, vertrouwenspersoon, (wapen)handelaar of bankier. Dankzij tussenkomst van joodse handelaars werden Europese gevangenen, buitgemaakt door Marokkaanse piraten, vrijgekocht en overgedragen aan Europese staten tegen dertig procent rente. Door deze beroepen kreeg de joodse elite onder het Marokkaanse volk de reputatie op geld belust te zijn. Obdeijn: 'Maar het ging slechts om twintig procent van alle joden in Marokko. De andere tachtig procent leefde al eeuwen in dezelfde armoede als de moslims.'

Hij beklemtoont dat de positie van de joden in Marokko tussen de zeventiende en negentiende eeuw beter was dan in Europa. 'Antisemitisme en langdurige pogroms, zoals in Polen en Rusland, waren onbekend. Joden in Marokko spraken Berbers of Arabisch, en op het platteland waren de verschillen tussen joden en moslims niet groot. Beiden vereerden elkaars heiligen en maakten bedevaarten naar hun graven. En nog steeds zijn er moslims die joodse heiligengraven bezoeken.' 

Loyaliteitscrisis
In de negentiende eeuw kregen de Europese mogendheden vanwege scheepvaart en handel meer invloed in Marokko. Veel christenen vestigden zich in het land. Handelscontacten liepen in toenemende mate rechtstreeks, zonder joodse bemiddeling. Hierdoor voelden de joodse elite zich achtergesteld en groeide hun onvrede jegens de islamitische heersers. Toen de internationale joodse organisatie Alliance Israélite Universelle in 1862 in Tétouan haar eerste school opende, kwamen de joden in aanraking met Europees onderwijs, werden de contacten met de joodse gemeenschap in Frankrijk aangehaald en begonnen de joden zich steeds Europeser te kleden.

De Franse kolonisatie, die duurde van 1912 tot 1956, leidde onder joden zowel tot vervreemding van de Marokkaanse cultuur als emancipatie van de gemeenschap. De dhimmi-status werd in de ijskast gezet en de joodse elite zag zijn kansen schoon om zijn sociaal-economische positie uit te bouwen. Er ontstonden joodse onderwijsinstellingen (écoles franco-israélites) en voor familierecht kon men terecht bij joodse rechtbanken. De positie van de joden was nagenoeg gelijkwaardig aan die van de moslims; ondertussen ontwikkelden zij een voorkeur voor de Franse cultuur.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog werden de Marokkaanse joden gespaard voor vervolging. Na de Franse capitulatie wilde het pro-Duitse Vichy-regime de rassenwetten invoeren in de koloniën. Maar de toenmalige sultan Mohamed V weigerde: 'Ik sta mijn kinderen niet af. Wij hebben hier alleen Marokkanen.'

Na de oorlog groeide het verlangen naar onafhankelijkheid van de Fransen onder de stedelijke - zowel joodse als islamitische - elite. De oprichting van de staat Israël in 1948 en zijn strijd met omringende Arabische landen leidde echter tot anti-joodse gevoelens, waardoor veel joden in een liteitscrisis terechtkwamen. 'De meerderheid van de joden was arm en koos er simpelweg voor hun leven te verbeteren. Ze woonden op het platteland, zonder elektriciteit, terwijl hun in Israël huizen werden beloofd. Anderen vochten echter in Marokko's onafhankelijkheidsoorlog of migreerden naar Algerije of Frankrijk,' licht Verdonck toe.

In 1948-49 werden 8000 joden uit dorpsgemeenschappen naar Israël overgebracht. Via de Marokkaanse vleugel van de internationale zionistische organisatie vertrokken in 1955-'56 meer dan 60.000 joden. Na Marokko's onafhankelijkheid in 1956 werd de dhimmi-status officieel afgeschaft. Er was geen sprake van oppositie tussen moslims en joden zoals in Algerije, waar moslims zich tegen de joden met Frans staatsburgerschap hadden gekeerd. Het vertrek van de joden betekende een grote financiële en sociale aderlating voor Marokko. Daarom sloot koning Hassan II een deal met de Israëlische regering. Israël zou 50.000 joden 'vrijkopen' voor 50 dollar per persoon. In 1964 waren meer dan 100.000 joden vertrokken naar het Beloofde Land. 

Zesdaagse Oorlog
De migratie naar Israël kwam pas goed op gang na de Zesdaagse oorlog tussen Israël en de Arabische wereld in 1967. Ten tijde van de oprichting van de staat Israël was er nauwelijks sprake van nationale bewustwording onder Arabieren. De opkomst van het pan-Arabisme en het verlies van de Zesdaagse Oorlog waren voor hen echter een collectieve vernedering en versterkten anti-joodse sentimenten. In Meknes werd een jood gedood, in heel Marokko klonk de roep om joodse handelaars en zakenlieden te boycotten. Verdonck. 'Er zijn zelfs joden uit hun officiële functies gezet. Pure discriminatie.' Voor wie de carrière ten einde was lokte emigratie. In vijf maanden tijd migreerden er 7000 joden.

Tussen 1948 en 1980 hebben 300.000 joden Marokko verlaten voor Israël, Frankrijk en Canada. Anno 2005 zijn 3000 van de 30 miljoen inwoners van Marokko joods. De meerderheid woont in Casablanca; de plattelandsgemeenschappen zijn nagenoeg uitgestorven. Maar nog steeds is er in Marokko een aantal invloedrijke joden, zoals André Azoulay, de adviseur van de koning. Ook is het hoofd van het conglomeraat dat de financiën van de koning beheert joods.

Veel Marokkaanse joden hadden aanvankelijk spijt van hun migratie; hun integratie verliep niet zoals gehoopt. Israël werd gedomineerd door Europese joden; de Marokkanen werden beschouwd als Arabieren, tweederangsburgers. Bovendien sloot de Israëlische economie niet aan bij de ambachtelijke tradities van de Marokkaanse joden en hun lage onderwijsniveau.

Inmiddels is de Marokkaans-joodse identiteit in Israël geaccepteerd. De Marokkaanse joden vormen een van de grootste etnische groepen in Israël en zijn als potentiële kiezers interessant voor politici. Veel prominente Israëliërs hebben een Marokkaanse achtergrond, zoals David Levy, voormalig minister van Buitenlandse Zaken. Het toerisme naar Marokko wint aan populariteit; de behoefte onder joden van Marokkaanse herkomst om hun wortels te herontdekken groeit en back-to-the-roots-reizen zijn populair.

De wereldwijde netwerken van de joods-Marokkaanse gemeenschap vormen nog altijd de basis voor een speciale relatie tussen Marokko en Israël - hoogst bijzonder in de Arabische wereld. Obdeijn herinnert zich dat tijdens het hoogtepunt van het Israëlisch-Palestijnse conflict bedevaarten naar joodse heiligengraven in Marokko werden georganiseerd, waarbij Israëliërs zonder problemen een laissez-passer ontvingen. 'Ook speelde Marokko een grote rol bij het totstandbrengen van geheime contacten tussen Israël en de Palestijnen. Op de begrafenis van Hassan II in 1999 was zowel een Israëlische als een Palestijnse delegatie aanwezig.'

Geen enkele andere joodse gemeenschap onderhoudt zo'n nauwe band met het land van herkomst. Verdonck: 'Ze spreken Marokkaans-Arabisch, eten couscous en spelen Andalusische muziek. In hun woonkamers hangen foto's van koning Mohamed V, uit dankbaarheid voor zijn gedrag in de Tweede Wereldoorlog.' 

Moslimfundamentalisme
Frères ennemis oftewel 'vijandige broeders' - zo noemen oudere Arabieren in Marokko de joden vaak. Ze vervulden een belangrijke maatschappelijke rol in Marokko's nationale ontwikkeling, maar werden vanwege het Israëlisch-Arabische conflict geconfronteerd met een vijandige houding. De tijd dat moslims en joden samenleefden onder het Franse protectoraat wordt vaak verheerlijkt, constateerde Verdock tijdens haar bezoeken aan Marokko. 'Sommige oudjes noemen het de mooiste tijd van hun leven. Ze zien het als een tragedie dat de joden vertrokken zijn. Zij herinneren zich nog dat ze bij hun joodse buren gingen eten. Joden horen bij Marokko. Met name Berbers zijn er trots op dat zij samen met de joden de eerste oorspronkelijke cultuur van Marokko vormden. Dat heeft deels te maken met het feit dat beide groepen minderheden zijn tegenover de dominerende moslimscultuur. Berbers mogen pas sinds kort hun Berberse cultuur in Marokko uitdragen.'

In het huidige Marokko groeit de anti-Israëlische stemming naarmate het moslimfundamentalisme terrein wint. De aanslagen van 2003 op vier joodse doelen in Casablanca heeft de Marokkaanse regering schrik aangejaagd. Joodse doelen worden zwaar bewaakt en de strijd tegen het terrorisme is een welkom excuus om het met de mensenrechten niet zo nauw te nemen.

Driekwart van de Marokkaanse bevolking is echter na de grote emigratiegolf van 1967 geboren en weet niets van de joodse invloed in de Marokkaanse politiek en cultuur. Ook schoolboeken zwijgen over de joodse historie van Marokko. Voor de jonge Marokkanen zijn joden degenen die de Palestijnen hebben verdreven en ombrengen. 

Kaspi, een Marokkaanse jood, vindt het ronduit pijnlijk dat ook Nederlandse Marokkanen geen notie hebben van de joodse geschiedenis van Marokko. Om populaire sentimenten als 'Hamas, Hamas, alle joden aan het gas' tegen te gaan, bezoekt Kaspi's stichting Maimon scholen in Nederland. 'Als ik op een zwarte school in djellaba binnenkom en de kinderen groet met salaam alaikoem en shaloom, dan zie ik hun ogen rollen. Als ik vertel dat ik joods én Marokkaan ben, zijn ze gechoqueerd. Het is jammer dat ze joods-zijn niet kunnen scheiden van Israëlisch.'

Als koning Mohamed VI ooit besluit de bescherming van de joden op te heffen, is het afgelopen met de joodse gemeenschap in Marokko; ze zullen waarschijnlijk vertrekken voor de situatie verslechtert. Dat zal echter niet gebeuren, meent Obdeijn. 'Marokko vindt het heerlijk om invloed te hebben op de 700.000 Marokkaanse joden in de diaspora én om door hen verheerlijkt te worden. Het koningshuis hecht nog steeds aan die status van wereldlijk en religieus heerser. En een jood zal nooit iets slechts zeggen over Marokko.' 

Nicolien Zuijdgeest is arabist en journalist. Zij schreef het boek 'De laatste kolonie van Afrika. Reizen door de Westelijke Sahara' (Bulaaq, 2004). 

Het programma van 400 jaar Nederland-Marokko staat op de website www.marokkonederland2005.nl 

Musea
Musée d'Art Juif Marocain, Place Vander Elst 19, 1180 Brussel. Info: 00 32-2-34 38 630Twee culturen in een. Joden in Marokko. 26 januari tot en met 15 mei. Joods Museum van België, Minimenstraat 21, 1000 Brussel. 00 32-25 12 19 63 of www.jewishmuseum.be