Contact | Adverteren | Login | Klantenservice | Privacy
Log in
Wachtwoord vergeten
Historisch Nieuwsblad 8/2003

Mijn verhaal: ’Langzaam begon ik iets te begrijpen van de Indonesische vrijheidsstrijd’

Door: Martine Postma
Met deze knop kunt u artikelen toevoegen aan een leeslijst op uw persoonlijke pagina. Klik hier om in te loggen.
In 1946 werden de eerste dienstplichtigen naar Indonesië gestuurd om daar het Nederlandse gezag, tijdens de oorlog door de Japanners omvergeworpen, te herstellen. Wim Balijon (78) maakte deel uit van deze 7 December Divisie, die pas eind 1949, kort voor de souvereiniteitsoverdracht, naar Nederland terugkeerde.


'Wat wist ik als eenvoudige arbeidersjongen van Indië? Helemaal niets. Maar we hadden net die rotoorlog achter de rug en ik had wel zin in een goedkope en avontuurlijke vakantie. Dus toen de oproep voor militaire dienst in de bus viel, kwam dat prachtig uit. 

Onze opdracht was om in de Oost de Verenigde Staten van Indonesië te stichten. Dat land moest op basis van zelfstandigheid deel gaan uitmaken van het Koninkrijk der Nederlanden; zo had koningin Wilhelmina het verwoord in een rede die zij in 1942 vanuit Londen uitsprak. Het nieuwe koninkrijksverband zou het einde betekenen van het kolonialisme; dat leek me wel een nobel doel. 

Na een lange zeereis - met 2500 man op het schip de Boissevain - werden we gelegerd in Batavia, waar ik chauffeur bij het stafpeloton werd. Ik moest boodschappen doen voor de staf en ook wel eens medicijnen of een arts naar een buitenpost brengen. Ik heb nooit aan het front in de rimboe gezeten; dat heeft mijn beeld van die hele periode wel bepaald, denk ik. 

Voor mij was het een mooie tijd. Met de wagen die ik tot mijn beschikking had, toerde ik rond. Ik ging veel uit en had Indische vriendinnetjes: halfbloedmeisjes die goed Nederlands spraken en vaak meer van ons land wisten dan ikzelf. Met één van hen ben ik ongeveer een jaar omgegaan. Haar vader, ook een halfbloed, vertelde me over de Indische cultuur, over discriminatie door de Hollanders, over slavernij. Langzamerhand kreeg ik meer inzicht in de Indonesische maatschappij en begon ik iets te begrijpen van de vrijheidsstrijd van de bevolking. Maar dat heeft er nooit toe geleid dat ik me niet meer kon verenigen met onze opdracht. 

Kijk, welbeschouwd hadden de Nederlanders natuurlijk geen enkel recht om daar te zijn. De lui die het gebied honderden jaren geleden koloniseerden, waren gewoon een stelletje rovers. Maar de Indonesische bevolking bestaat uit allerlei verschillende rassen - op Java, Borneo, Timor - en die pruimen elkaar onderling ook niet. Toen wij van Batavia waren overgeplaatst naar Bandoeng, durfden de baboes die met ons mee waren gereisd in Bandoeng bijvoorbeeld niet naar de bioscoop uit angst voor de Soendanezen in de stad. 

Wij hadden de opdracht om stabiliteit in die situatie te brengen; al die rassen zouden binnen de Verenigde Staten van Indonesië een eigen status krijgen. De Republiek Indonesië die Soekarno had uitgeroepen, voorzag op geen enkele manier in het behoud van zo'n eigen identiteit; dat was onder meer wat wij tegen Soekarno hadden. 

Ik vind de politionele acties van 1947 en '48 dan ook nog steeds gerechtvaardigd. Want het was wenselijk om een einde te maken aan de chaos van al die rivaliserende bendes. De inlanders stonden langs de weg te juichen als de Nederlanders binnentrokken; eindelijk kwam er weer wat rust! Maar omdat landen als Engeland hun kolonies volledige vrijheid hadden gegeven, moest Nederland dat van de Verenigde Naties ook doen. 

Toen wij in 1949 alles moesten overdragen aan de Republiek Indonesië, heb ik me afgevraagd: zijn onze jongens nou voor niks gestorven? Ons doel hadden we immers niet bereikt. Maar uiteindelijk denk ik toch van niet. Wij Nederlanders zijn in de jaren na de oorlog een stabiliserende macht geweest in Indonesië, die de scherpe kantjes van de onderlinge strijd af heeft gehaald. En vergeet niet: we hebben heel veel Hollandse en Indische mensen uit de jappenkampen bevrijd! Daar zijn die mensen nog steeds dankbaar voor.'