Contact | Adverteren | Login | Klantenservice | Privacy
Log in
Wachtwoord vergeten
Historisch Nieuwsblad 1/2003

Professor Henk Wesseling is met emeritaat

`Je moet niet aan zijn empire komen'

Door: Shirley Haasnoot
Met deze knop kunt u artikelen toevoegen aan een leeslijst op uw persoonlijke pagina. Klik hier om in te loggen.
Hoogleraar en rector van het Netherlands Institute for Advanced Study Henk Wesseling gaat met emeritaat. Hoewel hij twintig boeken en honderden artikelen publiceerde, staat hij bekend om zijn talent om verschillende mensen met elkaar in contact te brengen. `Hij ziet de geschiedenis zoals hij zelf ook werkt. Zijn wereld draait om personen.'

Henk Wesseling vertelt ze graag, de verhalen over zijn eerste bezoeken aan Parijs in de jaren vijftig, toen hij een jaar of zeventien, achttien was. Over het hotel aan de rue de l'Ancienne Comédie met de wc op de gang. `Daar hing alleen een stuk elektriciteitssnoer met stukken krantenpapier als wc-papier. Het was er dus tamelijk eenvoudig, hoewel het wel Le Monde was, een kwaliteitskrant.'
        Zijn relativeringsvermogen en ironie laat hij zelden varen. Maar als hij in 1991 koningin Beatrix vergezelt op een staatsbezoek naar Parijs, doet dat hem toch wel wat. In het `Hollands Dagboek' van NRC Handelsblad schrijft hij over zijn aankomst per presidentiële helikopter en de garde te paard die de stoet auto's begeleidt: `Niet naar de rue de l'Ancienne Comédie, maar naar het Elisée. We have come a long way.'
        Het is een zeldzaam oprechte uitspraak, want Wesseling staat bekend als een man die door zijn relativeringsvermogen, charme en humor nooit het achterste van zijn tong laat zien. `Ik ben mij uit pure luiheid voor Frankrijk gaan interesseren.' De mythevorming rond de Leidse historicus is dan ook groot. Volgens publicist Bastiaan Bommeljé houdt Wesseling veel mythes zelf in stand. `In ieder interview legt hij er de nadruk op hoe fijn hij weer wijn heeft gedronken met de Franse ambassadeur.' Maar een collega meent: `Hij ziet de geschiedenis zoals hij zelf ook werkt. Zijn wereld draait om personen. Hij neemt zijn beslissingen achter zijn bureau en legt zijn contacten tijdens het diner.'

Als hij in de zomer van 2002 met emeritaat gaat als hoogleraar algemene geschiedenis aan de Universiteit van Leiden, en bovendien afscheid neemt als rector van het Netherlands Institute for Advanced Study (NIAS), heeft Wesseling meer dan twintig boeken en honderden artikelen geschreven. Hij is een van de bekendste Nederlandse historici. Zelf zal hij dat relativeren, en hij kan het zich veroorloven. Dat zijn nieuwste boek, Europa's koloniale eeuw 1815-1919, dit voorjaar bij zowel zijn Nederlandse uitgever Prometheus/Bert Bakker uitkomt als bij de prestigieuze historische uitgeverij Longman's in Londen, vindt hij dan ook helemaal niet zo bijzonder. `De Britse historicus David Cannadine, die een van de adviseurs is, ken ik heel goed uit mijn jaar in Princeton.'
        Niet dat hij het niet heerlijk vindt om met de groten der aarde aan tafel te zitten. `Mijn finest hour als dinerganger beleefde ik tussen Henry Kissinger en prins Bernhard,' zegt hij in een interview met Vrij Nederland. En een bezoek aan Henry Kissinger in New York, georganiseerd door oud-staatssecretaris Ernst van der Beugel, met wie hij in een eetclubje zit, is zeer aan hem besteed. Van der Beugel: `Ik ben natuurlijk nogal select in wie ik Henry op zijn dak stuur. Ik heb Henry achteraf nog gesproken, en ik geloof dat hun ontmoeting wel een succes was.'

Pottertjes
Henk Wesseling (1937) wordt in Den Haag geboren als tweede zoon uit het tweede huwelijk van de katholieke journalist en politicus C.D. Wesseling (1875-1947) en zijn veel jongere echtgenote Geesje Vink (1902-1992). `Wij woonden tussen allemaal gravinnen en baronessen, maar we waren zelf helemaal niet deftig.' De oorlog is een moeilijke tijd voor het gezin, en twee jaar later overlijdt C.D. Wesseling. Tussen 1949 en 1955 gaat Wesseling naar het katholieke Aloysiuscollege, waar de Franse lessen van pater Van Rijckevorsel zijn interesse voor Frankrijk wekken.
        Geschiedenis in Leiden gaat hij in 1955 naar eigen zeggen min of meer toevallig studeren. `Andere studies vielen gewoon af.' Tussen zijn medestudenten valt hij op. Elsbeth Locher-Scholten, koloniaal historica aan de Universiteit Utrecht, herinnert zich hem uit haar studietijd als `zo'n aardige ouderejaars. Hij stond bekend als heel knap.' In Leiden ontmoet hij Marijke Teppema, met wie hij in 1963 trouwt. Het echtpaar krijgt drie zoons.
        Van 1961 tot 1966 geeft Wesseling les op een middelbare school. Zijn assistente bij het NIAS Lise Grünfeld: `Hij eet altijd Pottertjes. Studenten beginnen al te lachen als ze het Potter-doosje zien verschijnen. Het stamt uit de tijd dat hij leraar was. Hij heeft toen zijn stem bedorven, zegt hij zelf.' Als hij wetenschappelijk medewerker wordt bij de Leidse hoogleraar B.W. Schaper, gaat Wesseling terug naar de universiteit. Bij hem promoveert hij drie jaar later, in 1969, op het proefschrift Soldaat en Krijger. Franse opvattingen over leger en oorlog, 1905-1914. In 1973 wordt Wesseling hoogleraar algemene geschiedenis. Hij is dan vijfendertig jaar oud. Zijn vakgebied: Frankrijk en de geschiedenis van het kolonialisme. Daarnaast publiceert hij geregeld in vaktijdschriften, kranten, opinieweekbladen en bladen als de Nieuwe Limburger en het Leids Universiteitsblad. Hoewel hij graag koketteert met de uitspraak dat hij eigenlijk heel lui is, werkt hij volgens collega's ontzettend hard.
        Studenten kennen hem als een afstandelijk persoon. Aan lesgeven heeft hij geen hekel, aan tentamens en werkstukken nakijken wel. `Ik lees niet graag werk van andere mensen. Heel vervelend vind ik dat.' Wellicht daarom heeft hij tijdens zijn negenentwintigjarige hoogleraarschap maar twaalf promovendi. Oud-studente Jeannine de Hoop Scheffer-Van Oorschot heeft echter warme herinneringen aan Wesseling als docent. Tijdens haar studie Frans deed ze bij hem tentamen Franse geschiedenis. `Hij wist heel goed af te dalen naar de studenten. Ik vond de negentiende eeuw het meest interessant, en hij heeft me toen de periode 1850-1870 aangeraden, de tijd van Napoleon III. Ik heb gesmuld van de boeken die hij me heeft opgegeven, en na zevenentwintig jaar zou ik de inhoud nóg kunnen navertellen.'
        Wesseling valt op door zijn gastvrijheid en talent om verschillende mensen rond de eettafel met elkaar in contact te brengen. `Aan tafel worden uitgebreide intellectuele discussies gevoerd. Dat is belangrijk.' In 1976 nodigt hij zo'n tien, vijftien collega's van de vakgroep geschiedenis uit in zijn zomerhuis in de Franse Savoie. In Wesselings favoriete restaurant is de Leidse hoogleraar Europese expansiegeschiedenis Piet Emmer getuige van een heftig debat over Franse wijn tussen Wesseling en de sommelier: `Tijdens dit debat ging het niet meer om de inhoud van de argumenten, maar om de stelligheid daarvan, over zaken als het verschil tussen wijn uit houten vaten en betonnen bakken. De discussie was afgelopen op het moment dat Wesseling zich versprak. Hij zei la foi (het geloof) in plaats van le foie (de lever). De sommelier, die aan het verliezen was, hief daarop zijn handen: iemand die le met la verwart kan niets van wijnen weten.' Wesseling herinnert het zich anders: `Het was de sommelier die deze fout maakte. Fransen maken steeds meer fouten met hun lidwoorden.'

Patriarch
Wesseling weet zich al snel een onbetwistbare plek in de vakgroep te veroveren. `Een patriarch, duidelijk de nummer een,' zeggen oud-collega's. Eind jaren tachtig laat hij met een opmerking Elsbeth Locher-Scholten, die in Leiden een gastcollege geeft, sprakeloos achter. Als zij na afloop van een seminar opmerkt dat ze blij is dat er eindelijk aandacht is besteed aan vrouwengeschiedenis – vrouwen vormen tenslotte de helft van de mensheid –, antwoordt Wesseling dat het overgrote deel van het aardoppervlak uit oceanen bestaat, maar dat de zeegeschiedenis desondanks een beperkt onderdeel is van de geschiedwetenschap. Locher-Scholten: `Ik had er graag een vlijmscherp antwoord op gegeven.'
        Organisatorisch is Wesseling in de vakgroep weinig actief. De jaarlijkse vergadering aan het begin van het studiejaar beperkt hij tot een uurtje, waarna de bijeenkomst wordt voortgezet in het café. Wel gebruikt hij zijn talent om verschillende mensen met elkaar in contact te brengen, als hij in 1975 de werkgroep opricht die het Instituut voor de Geschiedenis van de Europese Expansie en de Reacties daarop (IGEER) gaat heten. Het interdisciplinaire en internationale centrum is iets nieuws in het Nederland van de jaren zeventig, waar de studie naar kolonialisme niet populair is en er weinig contact bestaat met buitenlandse onderzoeksinstellingen. Wesseling: `Het was een simpel idee, het kwam uit Parijs, waar ik een jaar had gezeten. Daar heb je voor alles een centre.'
        Het succes van het IGEER, dat vier medewerkers krijgt en elk jaar een international congres organiseert, leidt tot spanningen tussen Wesseling en hoogleraar oude geschiedenis en decaan Harry Pleket. Oud-collega's herinneren zich `legendarische ruzies'. Bommeljé: `Leiden was een mastodontencircus. Als Wesseling en Pleket botsten, trilde de grond.' Zowel Wesseling als Pleket spreekt echter van een incident. Pleket: `We hebben een klein conflictje gehad toen ik decaan was, in de periode tussen 1986-1989. Ik kwam erachter dat het college van bestuur jaarlijks stiekem 10.000 gulden aan portokosten betaalde om het tijdschrift Itinerario te versturen, dat door het Centrum van de Europese Expansie werd uitgegeven. Toen ik dat ter sprake bracht, probeerde Wesseling achter mijn rug om mijn eigen project te torpederen. Ik was toen ontzettend nijdig.'
        Rancune is er niet volgens beide historici, die elkaar nog steeds ontmoeten in de kantine van de Leidse geschiedenisopleiding tijdens het maandelijkse vrijdagavondclubje De Historische Kring. Pleket: `Wesseling is een buitengewoon getalenteerd man, maar als je hem te na komt, kan hij gevaarlijk worden. Mijn opvolger in het faculteitsbestuur H.S. Versnel, hoogleraar oude geschiedenis, heeft ooit een artikel geschreven in het Leidse studentenblad HIC, waarin hij Wesseling vergeleek met Le Roi Soleil, de Zonnekoning. Je moet niet aan zijn empire komen.'
        Maar Bastiaan Bommeljé noemt de Leidse hoogleraar `heel sportief'. Ooit kwam hij met Wesseling in aanvaring na diens kritiek op zijn essaybundel De sfinks op de rots uit 1987. `Ik heb hem toen van repliek gediend, we hebben met de koppen hard tegen elkaar aan gestoten. Niet lang daarna kwamen we elkaar tegen op een borrel van NRC Handelsblad. We liepen naar elkaar toe met uitgestoken hand, en het was duidelijk dat het daarmee was opgelost.'

Willem-Alexander
Bij een echt groot publiek wordt Wesseling bekend vanaf het eind van de jaren tachtig. In 1987 gaat kroonprins Willem-Alexander aan de Universiteit van Leiden tot ieders verbazing geen rechten, maar geschiedenis studeren. Henk Wesseling wordt zijn studiebegeleider. Dat de kroonprins aanvankelijk geen lid wil worden van het Leidse studentencorps wordt vanuit het koninklijk huis niet gewaardeerd, maar Wesseling, zelf ooit lid van de katholieke studentenvereniging Augustinus, wil zich niet met de keuze van de prins bemoeien. `Ik kon alleen niet nalaten op te merken dat de prins zich er echt geen zorgen om hoefde te maken dat het Leids studentencorps de republiek zou uitroepen.' Het is uiteindelijk Wesselings echtgenote Marijke die Willem-Alexander over de streep trekt. `Ze kwam er even bij zitten en zei: ``Ach, je kunt het toch proberen? Als het tegenvalt, dan houd je er gewoon weer mee op.'' Ik geloof dat deze geniale, moederlijke gedachte de sleutel is geweest tot de bekering.'

In hetzelfde jaar - 1987 - geeft de jonge, ambitieuze historicus Mai Spijkers, aan het roer van uitgeverij Bert Bakker, twee bundels met Wesselinges artikelen uit. Spijkers: `Ik herinner me dat Boudewijn Büch zei dat ik achter Wesseling aan moest. We zijn toen uit eten geweest en hebben een meerjarenplan voor boeken en bundels ontvouwd. Wesseling moest wel wennen aan de manier waarop wij zijn boeken uitgaven: de typografie van Bert Bakker was eind jaren tachtig heel wild en revolutionair.'
        In 1991 verschijnt Wesselings grote boek Verdeel en heers, de deling van Afrika 1880-1914, dat in zes talen wordt vertaald. Het wordt positief ontvangen en geprezen om de meeslepende stijl, hoewel sommige critici het boek weinig vernieuwend vinden: `Het is geschiedschrijving zoals die al honderd jaar wordt bedreven.' Wesseling beschrijft de deling van Afrika vanuit de beslissingen van individuele Europese personen. Aan de omstandigheden in de Afrikaanse gekoloniseerde landen, zoals de Europese samenwerking met de lokale Afrikaanse machthebbers, besteedt hij geen aandacht. Ook sociaal-economische factoren, waarop de door Wesseling bewonderde Franse Annales-historicus Fernand Braudel de nadruk legt, komen in het boek niet ter sprake.
        Wesseling zelf pareert de kritiek meerdere malen: `Mijn boek heeft een duidelijk begrensd thema, namelijk hoe de Europeanen Afrika hebben opgedeeld in koloniale staten. Toen ik in 1980 in Princeton was, ontdekte ik tot mijn verbazing dat zo'n boek nog niet bestond. Toen ben ik het maar gaan schrijven, oorspronkelijk als een klein boekje voor studenten. Maar ik kwam zulke krankzinnige verhalen tegen - ze waren te leuk om niet op te schrijven.'
        Zijn nieuwe boek, Europa's koloniale eeuw, dat dit voorjaar uitkomt, beslaat de periode van 1815 tot de Vrede van Parijs, met de herindeling van de Duitse koloniën en de Turkse bezittingen in 1919. Het is een veel analytischer boek dan Verdeel en heers, denkt Wesseling. `Heel schools. Minder vertellerig, en ook saaier.' De economische kant, demografie, vrouwengeschiedenis, Afrikaanse literatuur - het zit er deze keer allemaal in. Primaire bronnen gebruikt hij nog steeds niet: `Ik schrijf gewoon over uit andere boeken.'

Homo Universalis
Een levensgenieter, zo staat Wesseling bekend, en zo schrijft hij ook zijn boeken. Geen moeizaam archiefonderzoek: `Ik vind zoeken heel vervelend en ik houd niet van stof.' Geen eindeloos gepieker: `Ik kan een beetje denken, maar op een gegeven moment ben ik uitgedacht.' Waar hij van houdt is schrijven. `Ik vind schrijven aardig, maar vreselijk moeilijk. Easy reading is hard writing.' In 1993 biedt NRC Handelsblad hem voor een jaar of twee een tweewekelijkse column aan. Wesseling zal zijn column acht jaar lang houden, en er ontstaat een grote schare Wesseling-fans. Ernst van der Beugel: `Dat die idioten bij de NRC hem hebben laten gaan, is een enorme blunder geweest.'
        Het belang van de gezamenlijke maaltijd, daarvan is Wesseling zich terdege bewust als hij in 1995 rector wordt van het NIAS, dat jaarlijks onderdak biedt aan zo'n veertig fellows van over de hele wereld. `Er wordt ook ontzettend veel geborreld, maar tijdens de lunch leren mensen elkaar kennen. In tegenstelling tot de Nederlandse universiteiten, waar alleen wordt gesproken over bezuinigen, salarissen en de auto, worden aan tafel zware gesprekken gevoerd, zeer intellectuele discussies.'
        Het gerucht dat de NIAS-onderzoekers in een jaar tijd tien kilo aankomen bestrijdt hij. `De meeste mensen komen er niet magerder vandaan, dat is zeker. Maar je moet niet vergeten dat de helft van de fellows uit buitenlanders bestaat. Die zijn niet gewend om met een broodje kaas en een glas melk te lunchen.'
        Je suis historien, donc j'aime la vie - graag citeert Wesseling de uitspraak van de Franse historicus Marc Bloch. Piet Emmer: `Wesseling is eigenlijk geen historicus, maar een homo universalis. Hij is geen man die in de archieven zit; dat vuile werk laat hij graag aan anderen over. Geschiedenis beoefent hij niet als vak, maar als levenshouding. Daar ben ik wel eens jaloers op.'