Contact | Adverteren | Login | Klantenservice | Privacy
Log in
Wachtwoord vergeten
Historisch Nieuwsblad 7/2002

De Vooruitgang: Rotterdammers mogen wel wat trotser zijn

Door: Ingrid van der Vlis
Met deze knop kunt u artikelen toevoegen aan een leeslijst op uw persoonlijke pagina. Klik hier om in te loggen.
Proefschriften, lezingen of artikelen kunnen ons beeld van het verleden ingrijpend veranderen. Aan de hand van het leven van de Mechelse immigrant Johan van der Veken laat Noortje de Roy van Zuydewijn in haar proefschrift zien dat Rotterdam in de zeventiende eeuw een groeiende en bloeiende handelsstad was.

`Zuid-Nederlanders trokken aan het eind van de zestiende eeuw in groten getale naar het noorden, waar zij voor economische bloei zorgden. In het huidige Nederland kwam ik nog veel verwijzingen naar hen tegen, in de huizenbouw bijvoorbeeld. Daardoor groeide bij mij het idee dat ook de culturele inbreng van deze immigranten van groot belang is geweest. In dezelfde periode hoorde ik over de geschiedenis van de Rotterdamse koopman Johan van der Veken, en dat bleek dé persoon te zijn die ik moest hebben.' Noortje de Roy van Zuydewijn combineerde zijn levensverhaal met de cultuurgeschiedenis van de Zuid-Nederlandse immigratie. Dit resulteerde in het proefschrift Van koopman tot icoon. Johan van der Veken en de Zuid-Nederlandse immigranten in Rotterdam rond 1600.
        `Johan van der Veken (1548-1616) vertrok omstreeks 1583 uit de Zuidelijke Nederlanden naar het noorden. Hij nam zijn haringhandel mee uit Mechelen en zette deze in Rotterdam voort. Zijn onderneming floreerde en Van der Veken werd een succesvolle en invloedrijke zakenman. Zo was hij betrokken bij het oprichten van de eerste beurs in de Republiek in 1598. Ik kan er niet genoeg op hameren dat de eerste beurs in Rotterdam stond en niet in Amsterdam. Die stad volgde pas zo'n tien jaar later. In Amsterdam zijn wellicht veel meer immigranten te vinden als Van der Veken. Het is echter een misvatting dat Zuid-Nederlanders alleen naar Amsterdam trokken. Van der Veken koos waarschijnlijk bewust voor Rotterdam omdat hij dacht daar zijn haringhandel het beste te kunnen voort zetten.'
        Mijn mooiste archiefvondst was het door Van der Veken eigenhandig geschreven testament en de verdeling van zijn goederen. In zijn testament beschrijft Van der Veken exact hoe hij zijn begrafenis geregeld wil hebben, maar ook hoe zwaar het immigrantenbestaan hem viel. Hij omschrijft het als een ``miserabel leven ende suere pelgrimagie''.
        Zijn papieren werden in een houten kistje bewaard en van generatie op generatie doorgegeven in de familie. Uiteindelijk bracht een van zijn nakomelingen ze onder in het Algemeen Rijksarchief in Den Haag. De Rotterdamse archivaris Eppe Wiersum hield er in 1912 een lezing over, waarin hij Van der Veken op een voetstuk plaatste. Hij beschouwde Van der Veken als een eminent vertegenwoordiger van de Rotterdamse handel en zorgde ervoor een beeltenis van diens hoofd een plaats kreeg op het net gebouwde Rotterdamse stadhuis. Wiersum putte af en toe uit zijn fantasie om het levensverhaal van Van der Veken in te vullen.
        Ik heb dat beeld nu bijgesteld. Johan van der Veken was geen uitzonderlijk figuur, hij paste gewoon in de groep Zuid-Nederlanders die in Holland neerstreek. Hij was wel een bijzonder persoon, die profiteerde van de vele mogelijkheden van de Rotterdamse economie. Het ging economisch immers zeer goed met de Republiek.
        De rijker wordende Noord-Nederlanders wilden graag aanzien verwerven, maar konden niet toetreden tot de adel. Zij zochten daarom een andere manier om hun rijkdom te tonen, wat leidde tot een proces dat ik ``verdeftiging'' heb genoemd. De nieuwe rijken kochten bijvoorbeeld een landgoed, liefst een met heerlijke rechten, zodat zij zich ``de heer van'' konden noemen. De Zuid-Nederlanders waren voor hen een voorbeeld wat betreft kleding, woninginrichting en huizenbouw. Mijn vergelijking tussen Johan van der Veken en Johan van Oldenbarnevelt toont de verschillen tussen de Zuid-Nederlandse en Noord-Nederlandse levensstijl. De versmelting van beide culturen leidde later tot wat wij de specifieke cultuur van de Gouden Eeuw zijn gaan noemen.
        Voor wie onderzoek doet in Rotterdam is het erg lastig dat daar zo weinig er zo weinig tastbaars bewaard is gebleven. De oude straten en gebouwen zijn verdwenen. Wellicht is er daarom zo weinig onderzoek gedaan naar de vroegmoderne tijd. Mensen zijn altijd verbaasd als ik uitleg dat Rotterdam heus iets voorstelde in de zeventiende eeuw. De Rotterdammers mogen wel wat trotser zijn op de groeiende en bloeiende handelsstad die het in die periode was.

VAN KOOPMAN TOT ICOON. JOHAN VAN DER VEKEN EN DE ZUID-NEDERLANDSE IMMIGRANTEN IN ROTTERDAM ROND 1600, door Noortje de Roy van Zuydewijn. 388 p. Bert Bakker/Prometheus, euro 24,95