Contact | Adverteren | Login | Klantenservice | Privacy
Log in
Wachtwoord vergeten
Historisch Nieuwsblad 3/2002

Het Niod-rapport over Srebrenica bevestigt wat we al zes jaar weten

Gebrek aan degelijkheid, zorgvuldigheid en precisie

Door: Bastiaan Bommeljé
Met deze knop kunt u artikelen toevoegen aan een leeslijst op uw persoonlijke pagina. Klik hier om in te loggen.
Vijfenhalf jaar, tien miljoen gulden en meer dan zesduizend pagina’s tekst had het Niod nodig. Toch bevestigt het rapport, dat het tweede kabinet-Kok ten val bracht, vooral het beeld dat sinds 1995 bestaat. Er blijven voldoende vragen open voor een parlementaire enquête.

Het rapport Srebrenica, een ‘veilig’ gebied’ omvat meer dan 6000 pagina’s tekst, waarvan ongeveer 4000 in druk en de rest op cd-rom. Alleen al het hoofdrapport in vier delen en drie banden beslaat 3393 bladzijden. Het vergde vijfenhalf jaar om te maken en vijf en een halve dag om het tweede Kabinet Kok te laten vallen.

Dit rapport wil, zoals de eindverantwoordelijke Niod-directeur J.C.H. Blom beklemtoont, dwars door alle commotie heen een ‘historisch wetenschappelijk’ onderzoek zijn. De aanzienlijke duur van de totstandkoming was volgens hem dan ook nodig om te voldoen aan ‘de professionele eisen van degelijkheid, zorgvuldigheid en precisie’. Dit werk verdient het om vanuit dat perspectief beschouwd te worden, en het zou jammer zijn indien het louter de geschiedenis zou ingaan als de papieren grafzerk van Wim Kok. Derhalve is het nuttig vast te stellen dat in geschiedschrijving ‘degelijkheid, zorgvuldigheid en precisie’ zich dienen te openbaren in een duidelijke vraagstelling, in een helder betoog, in een transparante weging der bronnen, in geldige conclusies, alsmede in nauwkeurigheid, consistentie en controleerbaarheid.

Delen van dit rapport, in het bijzonder die over de val van de enclave en de naweeën ervan, zijn zeker helder geschreven, en ook de epiloog van Blom is gesteld in bewonderenswaardig evenwichtige – vooral politiek evenwichtige - bewoordingen. Toch valt na lezing nauwelijks te ontkomen aan de indruk dat het rapport ondanks de hoge ambities en de verpletterende overdosis aan details niet op alle 6000 pagina’s even degelijk, zorgvuldig en precies is.

De eerste teleurstelling is de opvallend matige toegankelijkheid van de vier hoofddelen. Zo ontbreekt een complete inhoudsopgave (dus met alle tussenkopjes, die in sommige delen rijkelijk en in andere delen helemaal niet zijn gebruikt), begint de inhoudsopgave van Deel III plompverloren in Band II, ontbreekt een zakenregister (een omissie die de wetenschappelijke bruikbaarheid erg bemoeilijkt) en zijn de spaarzame kruisverwijzingen in de tekst vaak van het kaliber ‘meer hierover in Deel IV’.

Helaas biedt ook het personenregister geen waterdichte toegang tot de tekst. Hier treft men een woud van relevante en irrelevante personen (onder wie Jos Brink, Johan Cruijff en Frank Sinatra) die deels verdrinken in een zee van ongestructureerde paginaverwijzingen of simpelweg worden afgedaan met de dooddoener ‘passim’, ofwel ‘verspreide meldingen’. Dit klemt te meer daar het hier dikwijls gaat om hoofdrolspelers in het drama, zoals Yashusi Akashi (‘1211-3148 passim’), Relus ter Beek (simpelweg: ‘passim’) en Hans van den Broek (‘39-1132 passim’). Dat er ook nogal wat onnauwkeurigheden in de index staan, werd al gesignaleerd door J.A.A. van Doorn in Trouw, maar onvermeld bleef dat het lemma ‘Aarts’ niet alleen verwijst naar het CDA-kamerlid Aarts (die zonder voorletter één maal voorkomt), maar eveneens naar de Aartsbisschop van Kroatië.

Luizenshampoo
De toegankelijkheid van het rapport zou zeer gebaat zijn geweest met een beknopt chronologisch overzicht voorin (op de cd-rom staan twee chronologieën die onhanteerbaar groot zijn), alsmede een korte opsomming van de hoofdrolspelers en een lijst met de belangrijkste afkortingen. Er is achterin Band III weliswaar een uitgebreide lijst met afkortingen, maar die is geenszins waterdicht (zo staat bij CO ‘Commanding Officer’, terwijl het in de tekst veelal gaat om de ‘Centrale Organisatie’ van het ministerie van Defensie). Even jammer is dat de geboden kaarten niet uitblinken door duidelijkheid. Er ontbreekt een reliëfkaart van Srebrenica (waarover elke krant beschikt) zodat in één oogopslag duidelijk zou worden dat de stad in een geografische fuik ligt (zie de foto’s op blz. 1381). Helaas ontbreekt ook een illustratieverantwoording, zodat men op bladzijde 639 plotsklaps stuit op een onvertaalde plattegrond van het gevangenkamp Trnopolje, op bladzijde 1179 op ‘Figuur 1’ en ‘Figuur 2’ met de (onvertaalde) commandostructuur van UNPROFOR, en op bladzijde 1365 op een schema met de organisatie van DutchBat (blijkbaar geen ‘figuur’).

De matige toegankelijkheid is een wezenlijk probleem, daar dit rapport strikt chronologisch is opgezet en zonder nadere vraagstelling, thematisering of bondigheid millimeter voor millimeter door de geschiedenis kruipt. Pas na 1163 bladzijden en twee bijlagen van elk meer dan 100 pagina’s belanden we bij de Safe Areas en komt de Nederlandse aanwezigheid in Srebrenica in zicht. Weer 1400 pagina’s en een bijlage van 485 pagina’s verder is de enclave gevallen. Tenslotte duurt de nasleep dan nog 1000 bladzijden.

De kwaliteit en toon van de delen wisselen en men voelt soms dat passages geparachuteerd zijn in het betoog van anderen - zoals het te lange, nogal anekdotische hoofdstuk in Deel I over de ‘emotionalisering’ (sic) van het debat inzake de oorlog in het voormalige Joegoslavië. Sommige delen zijn strak geordend in korte paragrafen, andere baden in een woordenzee. Zo is er zeer veel ruimte voor de deels in scène gezette beelden van het gevangenkamp van Trnopolje uit 1992, terwijl de bemoeienis van de Tweede Kamer met de uitzending van DutchBat relatief kort en gefragmenteerd wordt behandeld.

Bij enkele lange uiteenzettingen, zoals over de luizenshampoo van de Nederlandse soldaten, dwalen de gedachten soms af naar andere kwesties. Bijvoorbeeld de vraag waarom in het rapport sprake is van ‘de Serf’ en ‘de Serven’, een schrijfwijze die weliswaar wordt getolereerd door Van Dale, doch wordt afgewezen door Het Groene Boekje en alle Stijlboeken van de Nederlandse kranten, die kiezen voor ‘Serviërs’. Blom tracht dit wel uit te leggen op bladzijde 13 (Serviërs is de term voor allen die in Servië wonen; Serven voor Serviërs buiten Servië), maar aan zijn instructie wordt geenszins de hand gehouden. In het rapport wordt louter over Serven gesproken, en in de bijlagen op cd-rom worden beide benamingen door elkaar gebruikt. Deze poging tot hypercorrectheid had men overigens ook mogen toepassen op de term ‘Ottomanen’ die in de passages en deelstudies over de geschiedenis van de Balkan wordt gebruikt, doch een ongelukkig anglicisme is voor de Osmanen, genoemd naar hun voorman Osman (niet Otto).

Dat acribie niet de sterkste kant is van dit Niod-rapport werd al duidelijk bij de pijnlijke fout in de samenvatting voor de pers waarin ten onrechte stond dat ‘het grootste deel’ van de gevluchte moslims bestond uit gewapende strijders. Die samenvatting was gecontroleerd door negen onderzoekers. Te vrezen valt dat dezelfde negen de bibliografie controleerden. Dit is een omvangrijke doch niet uitputtende verzameling titels, die voor een nogal verontrustend groot deel in de tekst verder niet worden aangehaald en rijk is aan uitglijders. Zo is het adding insult to injury dat in de titels van publicaties uit Bosnië, en het gehele Servo-Kroatische taalgebied, talrijke diakritische tekens ontbreken en het woord ‘i’ (‘en’) abusievelijk bijna steevast als ‘I’ is geschreven. Pijnlijk is ook het grote aantal fouten in de Franse titels, waar vele accenten en letters ontbreken of zijn verhaspeld (in zo’n 35 procent van de opgenomen literatuur). Duitse Umlauts (als in ‘ethnische Säuberung’) zijn evenzeer een endemisch probleem.

Massamoorden
In de lijst met geraadpleegde artikelen is ronduit sprake van verwijtbare onnauwkeurigheid. Naast het grote aantal tikfouten, ontbreekt talloze malen het cursief in de titelbeschrijving, en zijn titels als Foreign Policy en Politique Étrangère en Dien blijkbaar via de zoek-en-vervang optie aangebracht, zodat overal waar deze woorden voorkomen ze ook cursief en met hoofdletters staan (als in ‘MassameDien’). Dit probleem doet zich evenzeer voor bij het kopiëren van titels met spelfouten; zo is er verspreid over de lijst 25 keer sprake van ‘Internationale veiligheidsvraagstukken en het Nederlands persepctief’. Jammer is ook dat te dikwijls geen poging is gedaan de publicaties van een auteur chronologisch te ordenen, of doublures te voorkomen. Zo telt de lijst publicaties van J. van der Meulen in Maatschappij & Krijgsmacht, bij nadere beschouwing drie verdubbelingen en zelfs een verdriedubbeling van dezelfde titel.

Overigens bevatten alle deelstudies hun eigen bibliografieën en biedt de cd-rom een beknopt ‘literatuuroverzicht’. In al deze bibliografieën worden helaas verschillende regels voor titelbeschrijvingen gehanteerd. Het gemis aan eenvormige titelbeschrijving is soms hinderlijk (zo staat in het hoofdrapport The New York Review of Books op vier verschillende wijzen vermeld en komt de Frankfurter Allgemeine Zeitung ook in de varianten Algemeine en Allegemene voor), maar soms leidt het tot onduidelijkheid: is Falcon nu dezelfde periodiek als Falcon Buddy Bulletin en is het blad van de officierenvereniging Carré identiek aan het veel genoemde ongecursiveerde ‘Carre’?

De vele meldingen van zelfs de geringste stukjes in deze laatste twee legerperiodieken – net als die in het ‘onafhankelijke defensietijdschrift’ Armex – doen een fundamentele vraag rijzen. Is het niet zonderling – of verontrustend – dat de talrijke in de noten aangehaalde artikelen in binnen- en buitenlandse kranten en weekbladen zonder nadere uitleg ontbreken in de literatuurlijst? Dit klemt des te meer omdat het rapport geregeld in hoge – soms te hoge – mate steunt op persberichten als bron, maar tevens ook in diverse uitvoerige passages (en bijlagen op de cd-rom) beoogt de berichtgeving in de media te analyseren.

Dit is geen futiele kwestie: in de kwestie Srebrenica is zeker in de eerste weken na de val van de enclave de berichtgeving van de weinige (Amerikaanse en Engelse) journalisten ter plekke van cruciaal belang geweest. Zo berichtten David Rohde in The Christian Science Monitor, Charles Lane in The New Republic en Robert Block in The Independent al daags na de gebeurtenissen over de massamoorden. Naar hun werk wordt hier en daar verwezen, maar Block (die zeer kritisch schreef over DutchBat) werd niet geïnterviewd en Lane ontbreekt geheel in de index. Dit is jammer omdat zijn stukken niet alleen in de Verenigde Staten van invloed waren op de politiek, maar op 12 augustus 1995 ook een vertaling van zijn reconstructie verscheen in de Volkskrant onder de titel ‘Srebrenica, kroniek van een afgang’, dat een rol speelde in onze beeldvorming (het komt ter sprake maar is dus niet terug te vinden).

Het dient vastgesteld dat Block en Lane (net zoals Pulitzer-prijswinnaar Rohde) al kort na de val van de enclave de hoofdlijn van het Srebrenica-verhaal in kaart hebben gebracht: de kansloze ontsnapping naar Tuzla die uitliep op slachtpartijen, de vele honderden doden nabij Bratunac, de zwakte van het Verenigde Naties-optreden en de omstreden rol van DutchBat bij de ontruiming van Potocari. Wie nu hun verslagen terugleest, en in het bijzonder het boek van Rohde Endgame uit 1997 en de iets eerder verschenen voortreffelijke studie van Norbert Both en Jan-Willem Honig Srebrenica. Record of a war Crime (1996), alsmede het boek van Frank Westerman en Bart Rijs uit 1997, Srebrenica: het zwartste scenario, vraagt zich af wat dit rapport in feite aan wezenlijke nieuwe inzichten brengt (behalve een enorme berg aan details).

Pornofilms
Deze vraag is relevant omdat het Niod-rapport niet erg vaak rechtstreeks in debat gaat met de bestaande Srebrenica-literatuur. Een voorbeeld is de serie van acht artikelen die de gezaghebbende journalist Mark Danner in 1997 en 1998 in The New York Review of Books schreef over de oorlog in Bosnië. In de bibliografie van het rapport worden slechts vijf van deze stukken genoemd, maar in de tekst wordt er nergens naar verwezen (Danner ontbreekt dan ook in de index; hij werd wel geïnterviewd). Dit is jammer want juist in de niet genoemde stukken gaat hij in op de omstreden persconferentie cum polonaise van DutchBat te Zagreb. Door het Niod wordt deze episode afgeschilderd als een door de media uit het verband gerukte ontlading na een emotionele samenzang van het Wilhelmus. Danner daarentegen rept van drank en pornofilms. Zijn serie kreeg een prijs van de Overseas Press Club en alleen al daarom was het nuttig geweest zijn beweringen tegen het licht te houden.
        
Er zijn prangender vragen. Het rapport neemt DutchBat in bescherming tegen de aanklacht dat men ‘mede schuldig’ was door niks te doen. Gezien de rol van zondebok die vooral Karremans kreeg, is dat begrijpelijk, maar toch kan de conclusie dat DutchBat ‘geen andere keuze (had) dan meewerken’ met Mladic niet gelden als ‘historisch wetenschappelijk’. In elk geval ontbreekt elke verwijzing naar de houding van NordBat, het bataljon der Scandinaviërs in Bosnië dat in 1994 nabij Tuzla wel degelijk terugschoot op aanvallende Bosnische Serviërs en die daarmee op afstand hield.
Evenmin ‘historisch wetenschappelijk’ is het excuus dat massamoorden ‘letterlijk onvoorstelbaar’ waren (blz. 2697). Al op 12 juli, een dag na de val van de enclave, schreef Philip Corwin (de hoogste politieke gezagsdrager van de Verenigde Naties in Bosnië) in zijn dagboek: ‘Werkelijk niemand van ons gelooft dat de Moslimbevolking van Srebrenica veilig is. Het patroon is te bekend. De mannen zullen worden gescheiden van de vrouwen, dan gemarteld, gevangen gezet, afgeknald. De vrouwen zullen worden verkracht. Massagraven zullen haastig worden gegraven om de bewijzen te verhullen.’ Ik kan dit citaat niet terugvinden in het rapport, noch Corwin in de lijst van geïnterviewden.
        
Sterker nog: in de door de Volkskrant geopenbaarde notulen van de ministerraad op 11 juli staat dat Voorhoeve al na de val meteen zijn ‘grootste zorg’ uitte ‘dat alle mannelijke Moslims worden vermoord’. Pronk meende echter destijds dat men niet hoefde te vrezen voor genocide; een opvatting die het rapport toeschrijft aan ‘de ministerraad’. Toch rept het rapport ook van het besef bij de ministers dat men ‘het ergste’ moest vrezen ‘voor moordpartijen’.
        
Een andere vraag is onheus maar moet worden gesteld: waarom is de overigens zeer competente militair historicus Dick Schoonoord aangezocht om de hoofdmoot van het rapport te schrijven? Per slot is hij als oud-marineman op allerlei manieren verweven met de krijgsmacht. De door hem geschreven delen blinken uit door helderheid, maar ook door een positieve blik op DutchBat.  
      
De slotsom is dat dit rapport dat circa tien miljoen gulden kostte en het leven van de paarse kabinetten met zes jaar rekte, slechts het beeld bevestigt dat reeds vanaf 1995 bestaat en ook al vaak onder woorden is gebracht: 1 - de uitzending was slecht voorbereid en ondoordacht (dit stelde de kamer al vast in september en december 1995 en werd herhaald door de Commissie Bakker in 2000); 2 - de intelligence en de bevelstructuur van de Verenigde Naties schoot schromelijk tekort (dit stelden de Verenigde Naties zelf vast in het kritische rapport over het eigen falen in 1998); 3 – DutchBat had geen enkele greep op de gang van zaken (te vinden in alle beschikbare literatuur sinds 1995); 4 - op Defensie werden onwelgevallige feiten verhuld of verborgen voor minister en buitenwereld (dit stelde de kamer reeds vast in december 1995, en nog enkele keren nadien); 5- het rapport Van Kemenade uit 1998 hierover was te vergoelijkend (zoals destijds in de pers is vastgesteld); 5 - Kok vertoonde een gebrek aan regie (zoals in dezelfde bewoordingen was vastgesteld door pers en kamer in 1995 en wederom in die bewoordingen door de Commissie Bakker).
        
Dit rapport laat voldoende ruimte voor een parlementaire enquête. Zoals over de rol van premier Kok en minister Van Mierlo (die niet overmatig veel aandacht krijgen), over hoe Voorhoeve ervan werd weerhouden af te treden, over de gang van zaken in de ministerraad toen de enclave viel, en niet in de laatste plaats over de opdracht tot ‘historisch wetenschappelijk’ onderzoek aan het Niod in 1996. De Groene Amsterdammer suggereerde in 1998 dat het een idee was van Van Mierlo om ‘zijn’ paarse kabinet uit de wind te houden, maar hieromtrent valt in dit rapport geen woord te lezen.