Contact | Adverteren | Login | Klantenservice | Privacy
Log in
Wachtwoord vergeten
Historisch Nieuwsblad 1/2002

De georganiseerde misdaad in Nederland

Haar benen worden met zwavel ingesmeerd en gebrand

Door: Hasan Evrengun en Nico de Fijter
Met deze knop kunt u artikelen toevoegen aan een leeslijst op uw persoonlijke pagina. Klik hier om in te loggen.
De achttiende-eeuwse Republiek was een lusthof voor het bendewezen. Hetzelfde lijkt te gelden voor twintigste-eeuwse poldermaffia. En wie goed kijkt, merkt dat er grote overeenkomsten zijn tussen de twee perioden. Van de Bokkenrijders en het Zwartjesgoed naar Klaas Bruinsma en de Hakkelaar.
1 augustus 1742: De herberg annex het tolhuis van de weduwe Anna Sypekotten in Zweibrüggen wordt overvallen. De daders zijn tientallen leden van de bende de Bokkenrijders. Met een ladder, verkregen van de buurman, weten de bendeleden via de zolder het pand binnen te komen en van binnenuit de voordeur te openen. De bewoners worden ernstig mishandeld. Om te weten waar Sypekotten haar geld verborgen houdt, worden haar benen met zwavel ingesmeerd en gebrand. De Bokkenrijders verdwijnen met het geld, koperwerk, kleding en linnengoed.

Met een reeks georganiseerde misdaden terroriseerden de Bokkenrijders in de achttiende eeuw Zuid- en Midden-Limburg. De bendes opereerden in wisselende samenstelling en joegen de bevolking en de overheid veel schrik aan. Van de bendeleden werd gezegd ‘dat zij snagts als zij uijt stelen gingen, op bokken reijden, deze bokken en zoude geene natuerlijke bokken geweest zijn, maer de duijvel’. Voor geweld deinsden zij niet terug. Bij een overval op een boerderij werden de bewoners met stokslagen tot zwijgen gebracht en vastgebonden. Toen de boer probeerde te vluchten, werd hij neergestoken. Zijn vrouw werd gedwongen te zeggen waar het geld verborgen lag. Toen zij vertelde dat ze niet meer geld had dan wat in haar tas zat, werden haar benen bijeengebonden en in het haardvuur gehouden. Met een mes sneden de overvallers het vel van haar tenen en lieten het kaarsvet van een brandende kaars in de wonden druppelen.

Het beeld van de vreedzame, welvarende, keurig geordende, egalitaire en saaie achttiende-eeuwse Republiek laat eigenlijk geen ruimte voor georganiseerde misdaad, zo betoogt historica Florike Egmond. Egmond heeft veel onderzoek verricht naar de zeventiende- en achttiende-eeuwse criminaliteit. ‘Maar er was wel degelijk een onderwereld, al werd de term “georganiseerde misdaad” niet gebruikt. Er waren georganiseerde bendes, die veelal samen een groot netwerk vormden. Het beste voorbeeld hiervan is de Grote Nederlandse Bende. Die was actief in de jaren zeventig van de achttiende eeuw en bestond uit een netwerk van de Brabantse, de Meerssener, de Hollandse en de Noord-Brabantse Bende.’ In de eerste helft van de achttiende eeuw waren er vooral veel bendes in Brabant, maar ook na 1750 tiert het bendewezen welig. Bendes als de Moskovieters, de Zwartmakers, de Bende van Jaco, de Bende van Gerrit de Koe, de Bende van Engele Jantje en het Zwartjesgoed pleegden overval op overval en zorgden voor paniekgolven op het platteland en in de steden.

‘De geschiedenis van de misdaad heeft de vorm van een U-curve,’ legt criminoloog Frank Bovenkerk uit. Criminaliteit hangt samen met sociale en politieke ontwikkelingen. Als die omslaan, verandert de criminaliteit ook. Begin achttiende eeuw staan we in Europa aan het begin van de industriële revolutie en de verstedelijking. Het criminaliteitsniveau stijgt. Op het moment dat het veranderingsproces ten einde is, in Nederland na 1900, zakt dat niveau abrupt. Tot in de jaren vijftig blijft het dan vrij laag. En in de periode van de overgang van een industriële naar een postindustriële maatschappij – de jaren zeventig – begint de misdaad enorm toe te nemen.’

Armoede en sociale uitsluiting waren in de achttiende eeuw een belangrijke reden voor aansluiting bij een bende. Sterk vertegenwoordigd waren bijvoorbeeld de vilders, ook wel afdoeners of koudslachters genoemd. Dit waren ambachtslieden die tot taak hadden zieke dieren af te maken, gestorven vee en paarden te villen en kadavers op te ruimen. Ze fungeerden ook als assistenten van de scherprechter en hadden de taak lijken van veroordeelden te transporteren, op te hangen of onder de galg te begraven. Het vildersberoep was onrein en werd overgedragen van vader op zoon. Een vilder mocht niet trouwen met iemand uit een andere beroepsgroep. Hij leefde (letterlijk) aan de rand van de gemeenschap.

De vilders zijn met name in de eerste tien jaar van het bestaan van de Bokkenrijders sterk vertegenwoordigd in de bende. Andere leden waren ambachtslieden, dagloners, schoenlappers, voerlieden of marskramers. ‘Wat veel bendeleden gemeen hadden was hun mobiliteit,’ vertelt historicus Anton Blok, die uitgebreid onderzoek naar de Bokkenrijders heeft gedaan. ‘Bijna allemaal trokken ze rond vanwege hun beroep. Daardoor onttrokken ze zich aan de sociale controle van de dorpsgemeenschap. De vilders bijvoorbeeld hadden altijd een alibi om zich op ongewone tijdstippen op ongebruikelijke plaatsen te bevinden.’

Het verband tussen de criminele daden van een bendelid en zijn beroep wordt ook gesignaleerd door criminoloog Cyrille Fijnaut: ‘In de achttiende eeuw was de grens tussen de misdadige activiteiten van een bendelid en zijn eigenlijke beroep erg vaag – kijk naar de vilders. En dat zie je nu nog. In de autobusiness, bijvoorbeeld. Er zijn criminelen die een normale autogarage runnen en tegelijkertijd het criminele circuit van onderdelen voorzien. Er zijn veel mensen met dubbelrollen: januskoppen. Daar raakt de onderwereld de bovenwereld...’ Bovenkerk: ‘De beroepsachtergrond was altijd erg belangrijk, maar dat is verdwenen. Je hebt geen oneerlijke beroepen meer die erfelijk zijn. Het is nu vaak van meer invloed of je afkomstig bent uit een lage sociale klasse en uit een (etnische) minderheid. Uitsluiting is ook nu van belang; alle immigrantengroepen waarbij ik in eerder onderzoek discriminatie heb aangetoond – Surinamers, Turken, Marokkanen – scoren nu hoog in de georganiseerde misdaad.’

Zigeunerbendes
Maar ook daar is een parallel met de achttiende eeuw te trekken. De belangrijkste minderheidsgroepen in de achttiende eeuw waren de joden en de zigeuners. Zigeuners, ook wel Heijdens of Egyptenaars genoemd, werden zwaar gediscrimineerd. Alleen al omdat ze zigeuners waren konden ze worden opgepakt. In de eerste decennia van de achttiende eeuw ontstonden grote en uitstekend georganiseerde zigeunerbendes, die goed voorbereide diefstallen, gewelddadige inbraken en bijzonder agressieve gewapende overvallen pleegden. Bovenkerk: ‘Wat in de achttiende eeuw voor joden en zigeuners reden was om lid te worden van een bende, is dat nu ook voor bepaalde allochtone groepen. Antilliaanse jongens komen naar Nederland om de misdaad in te gaan; ze zien hier betere kansen.’

Ook joden werden de misdaad in gedreven door hun sociale uitsluiting en juridische beperkingen in de achttiende-eeuwse Republiek, vertelt Fijnaut. ‘Veel joden bekleedden vooraanstaande plaatsen in het criminele circuit en traden op als bemiddelaars en tussenpersonen in de criminele infra-structuur. Ze wisten waar een flinke buit te vinden was en ze beschikten over de juiste contacten om die buit elders weer te verkopen. Een belangrijke rol speelden de baldovers, een soort pandjesbazen, die vaak joods waren. Je kunt ze goed vergelijken met de hedendaagse helers.’

Volgens Anton Blok kwam de achterstelling van de Limburgers die lid werden van de Bokkenrijders tot uiting in het gedrag van de bende: ‘Hun daden hadden een wraakaspect. Er was ook genoeg reden om rancune te koesteren. De vilders, bijvoorbeeld, werden met de nek aangekeken.’

In de jaren vijftig van de achttiende eeuw ontwikkelden de Bokkenrijders zich tot een soort vrijkorps, dat hogere doelen voor ogen had. Tijdens verhoren vertelden bendeleden dat ze streefden naar maatschappelijke gelijkheid en gemeenschappelijk eigendom. Er vielen termen als ‘Het Nieuwe Koninkrijk’ en ‘Broederschap van Geluk’. In deze periode lijken de overvallen eerder een middel dan een doel te worden. De Bokkenrijders omgeven zich met semi-religieuze rituelen als het afleggen van een eed door nieuwe leden. Die moest de overgang van de gewone samenleving naar een geheim genootschap accentueren. De nieuwelingen zworen God en Maria af en beloofden in naam van de duivel veel kwaad te doen en de goede werken te verzaken. Dit alles gebeurde in een soort zwarte mis, een parodie op de kerkelijke rituelen. Op een geïmproviseerd altaar stond een Mariabeeld en vaak een doodskop of een afgehakte hand met een kaars erin. Na de eedaflegging vertrapten de nieuwelingen een crucifix. De Bokkenrijders pleegden regelmatig overvallen op kerken. Vaak gingen deze gepaard met heiligschennis, waaruit het symbolisch verzet van de bende bleek. Het kerkelijk vaatwerk werd gestolen, het interieur werd vernield, en regelmatig werd de hostievoorraad verorberd. ‘Het is wel belangrijk om op te merken dat de Bokkenrijders hierin een uitzondering vormen,’ vertelt Egmond. ‘Deze rituelen en de eedaflegging zie je nergens anders.’

Fijnaut herkent in de organisatiestructuren van achttiende-eeuwse criminele groepen veel van die van huidige criminele organisaties: ‘De Grote Nederlandse Bende is een goed voorbeeld van een groot internationaal netwerk. Dat reikte van Parijs, België en delen van Zuid-Nederland tot aan Mainz in Duitsland. Dit soort internationale netwerken, in feite tal van subnetwerken die vaak door familierelaties aan elkaar geknoopt zijn, zie je tegenwoordig ook in bepaalde soorten georganiseerde misdaad. Alleen zijn ze nu door de globalisering veel groter; ze zijn transcontinentaal, met name in de drugshandel.’

De criminologie maakt een onderscheid tussen predatory crime en consensual crime. Bovenkerk: ‘De huidige georganiseerde misdaad draait om figuren die producten leveren die wij kopen. Dat is consensual crime. Er zijn blijkbaar genoeg mensen die drugs willen gebruiken. In die zin is de misdaad een kwestie van vraag en aanbod. De achttiende eeuw heeft veel meer last van gewelddadige overvallen en diefstallen, predatory crime. De verschuiving van predatory naar consensual crime heeft een professionalisering van de misdaad met zich meegebracht.’

‘Dat is wellicht nog het grootste verschil,’ stelt Egmond. ‘Nu zijn bijvoorbeeld vervoer en communicatie belangrijk. Daar werd in de achttiende eeuw nauwelijks over nagedacht. Toch zijn de bestaande misdaadgenres nauwelijks veranderd. Zakkenrollerij in de twintigste eeuw verschilt echt niet van die uit de achttiende.’

De professionalisering van de georganiseerde criminaliteit nam pas in de twintigste eeuw een hoge vlucht. Over de criminaliteit in de negentiende eeuw is relatief weinig bekend. De U-curvetheorie doet vermoeden dat het een periode van rust is geweest. De meeste grote roverbendes waren rond 1800 opgerold. Tegelijkertijd werd de strafrechtspleging in de negentiende eeuw steeds verder uitgebouwd om bepaalde misdaadproblemen beter te kunnen beheersen. Wel is bekend dat de onderwereld in de steden bleef bestaan en in steeds sterkere mate een gevaar vormde voor de gevestigde orde.

Die ontwikkeling zette zich door in de eerste helft van de twintigste eeuw. Amsterdam, al snel het centrum van de Nederlandse onderwereld – ook wel penoze genoemd –, telde allerhande criminelen: van brandkastkrakers, helers, pandjesbazen, souteneurs en pakjesdieven tot een enkele drugssmokkelaar. De onderwereld was sterk verweven met het prostitutiewezen. Toch had de Amsterdamse criminaliteit niet de schaal van de huidige georganiseerde misdaad, ook al was de hoofdstad vaak een ontmoetingspunt en toevluchtsoord voor internationale misdadigers.

In deze periode was de plattelandscriminaliteit, met name in Brabant, gewelddadiger en omvangrijker dan stadscriminaliteit. Kippendiefstallen, stroperijen, mishandelingen, inbraken, overvallen en brandstichtingen vonden veelvuldig plaats. Het epicentrum van de Brabantse misdaad lag in de dorpen Oss en Sint-Willebrord; dit laatste plaatsje was ook in de achttiende eeuw een broedplaats van criminaliteit – en er is onlangs nog een grote XTC-bende opgerold. De continuïteit op misdaadgebied is in Brabant overigens opvallend; Florike Egmond legde de namen van enkele achttiende-eeuwse criminele families voor aan Brabantse politiemensen: ‘Ze begonnen verbaasd te lachen; deze namen kwamen ook hen heel bekend voor.’

De bestrijding van de criminaliteit in deze regio kwam tot een hoogtepunt met de zuivering van Oss in 1935. De strenge vervolging door politie en marechaussee werkte echter solidariteit bij het volk in de hand. Het plegen van misdaden werd gezien als een strijd tegen het gezag. De vergelijking met de Bokkenrijders uit de achttiende eeuw is dan ook snel gemaakt. In de vooroorlogse decennia ontwikkelde zich in de provincie een goed georganiseerd bendewezen.

Toch was er in deze periode sprake van een daling van de criminaliteit in Nederland. Alleen in en na de Eerste en Tweede Wereldoorlog stegen de misdaadcijfers plotseling snel. ‘Dat zie je in alle naoorlogse situaties,’ aldus Anton Blok. ‘De Bokkenrijdersbende bijvoorbeeld groeide na de Spaanse Successieoorlog, omdat de vilders geen werk meer hadden – in de oorlog waren er veel dode dieren die moesten worden opgeruimd.’ En met name de smokkelhandel bloeide enorm op rond de wereldoorlogen van de vorige eeuw. De voornaamste oorzaak lag in de prijsverschillen tussen België en Nederland. Duizenden tonnen boter, vee en sigaretten werden de landsgrenzen over gesmokkeld.

Tot in de jaren negentig werd het Nederlandse beeld van de georganiseerde misdaad bepaald door Hollywood-films over maffiafamilies als The Godfather en Goodfellas. De Siciliaanse maffia van Toto Riina en de vijf grote Cosa-Nostra-families in New York, dát was georganiseerde misdaad. Publicaties over het misdaadsyndicaat van Klaas Bruinsma en de activiteiten van Amerikaanse maffiosi als Dino Celline en Vincent ‘Jimmy Blue Eyes’ Alo – die miljoenen dollars in het gokcircuit op de Amsterdamse Wallen pompten – waren de eerste aanzetten tot een kentering in dit beeld.

Onderzoek naar de groep-Bruinsma confronteerde politie en justitie met een vorm van georganiseerde misdaad die tot dan toe in Nederland voor onmogelijk werd gehouden. De groothandel in hasj bleek meer te omvatten dan slechts wat huis-, tuin-, en keukengebruik. De angst bestond dat de samenleving zou worden geïnfiltreerd door dit soort goed georganiseerde misdaadbendes. Fijnaut: ‘De vergelijking met Amerika gaat hier aardig op. Daar wordt halverwege de jaren twintig, ten tijde van de eerste drooglegging, gesproken over organised crime. Bij ons is niet de drank maar zijn drugs verboden, en dat heeft ons de georganiseerde misdaad verschaft.’

Als gevolg van deze ontwikkelingen werd in 1994 de onderzoekscommissie-Van Traa ingesteld. PvdA-politicus Maarten van Traa kreeg de opdracht de georganiseerde misdaad in Nederland in kaart te brengen. De uitkomsten van het onderzoek veroorzaakten een wijziging in het opsporings- en vervolgingsbeleid. Fijnaut: ‘In de jaren tachtig en negentig ging men bij de opsporing op zoek naar de mensen aan de top. Dat werkte ook wel; Johan V.– ‘de Hakkelaar’ – is zwaar veroordeeld. Maar het bleek dat deze manier van werken langdurige onderzoeken met zich meebracht die procedureel erg ingewikkeld zijn. Daarom richten politie en justitie zich nu meer op de criminelen die lager op de ladder staan, die zich bezighouden met transport, bijvoorbeeld. Als je de logistieke component verwijdert, leg je hele netwerken lam.’

Het grootste probleem voor politie en justitie bij de huidige opsporing en vervolging van het bendewezen is de verbrokkelde politiestructuur. De Nederlandse politie valt uiteen in vijfentwintig korpsen, die slechts moeizaam samenwerken. En elk korps kent eigen districten. Fijnaut: ‘De slimme crimineel maakt daar gebruik van en zorgt dat hij grensoverschrijdend functioneert.’ Dit beeld is ook terug te zien in de achttiende eeuw. Ook toen werd de Nederlandse strafrechtspraak gekenmerkt door territoriale fragmentatie en verregaande decentralisatie. Zo besloeg het netwerk van de Bokkenrijders een gebied dat verbrokkeld was in rechtsprekende districten, banken genoemd. Veel banken waren slechts geïnteresseerd in wat er zich op het eigen grondgebied afspeelde. Het ontbrak aan centrale aansturing. De bendes hadden vrij spel. ‘Als er al bendeleden werden opgepakt,’ vertelt Blok, ‘lag dat vaker aan de domheid of onzorgvuldigheid van de leden dan aan de slimheid van de opsporende instantie.’

‘Er was in de achttiende eeuw wel samenwerking, maar die was incidenteel,’ vertelt Egmond. ‘Bij de vervolging van de zigeunerbendes bijvoorbeeld, en bij het oprollen van de Bokkenrijdersbendes. Veel criminelen waren bang voor een dergelijke samenwerking. Bendeleden die eerder veroordeeld waren geweest, vreesden dat dat bij een volgende arrestatie ontdekt zou worden. Ze verhulden littekens die ze hadden overgehouden aan brandmerken met ongebluste kalk; ze sneden ze zelfs weg.’

Verraad
De straffen in de achttiende eeuw waren zeer streng. Elke misdaad had zijn eigen straf. Bij diefstal werd vaak eerst de hand afgehakt. Als er uit een kerk was gestolen, werd de hand verbrand. Bij veel Bokkenrijders werden de vingers waarmee de eed was gezworen afgehakt. Geseling, verbanning en brandmerken waren aan de orde van de dag. De overheid zag deze strafcodes als een goed communicatiemiddel tussen overheid en burgers. Familie, buren, kennissen en nieuwsgierigen waren aanwezig bij ophanging, radbraken, pijnigen of verwurging van de misdadigers.

De hardheid van de straffen was effectief, vertelt Blok: ‘De eed die de Bokkenrijders aflegden bevatte ook de belofte medebendeleden nooit te verraden. Maar als het tot een arrestatie kwam, verried men elkaar bij het leven. De meeste namen waren bij het justitiële apparaat bekend door verraad.’ Uiteindelijk werden er van de bijna zeshonderd personen die wegens hun (vermeend) lidmaatschap van de ‘berugte Bende’ terechtstonden, ruim vijfhonderd veroordeeld.

In politie- en justitiekringen woedt momenteel de discussie over de oprichting van een landelijke recherche. Zo’n apart rechercheteam kan zich volgens het openbaar ministerie – groot voorstander van een dergelijke Nederlandse FBI – bezighouden met georganiseerde misdaad zonder dat het wordt lastiggevallen door lokale bestuurders. Fijnaut: ‘Er is nog steeds te weinig effectieve samenwerking. Op internationaal vlak komt het wel eens voor, maar dat komt dan voornamelijk doordat commissaris A toevallig commissaris B kent.’ En ook dat is te zien in de achttiende eeuw, aldus Blok: ‘Zoals er hechte bendenetwerken waren, die vaak door huwelijk of verwantschap waren ontstaan, waren er hier en daar ook families binnen de opsporende instanties die een netwerk vormden.’

En uiteindelijk was het de komst van een centraal systeem dat het einde betekende voor de achttiende-eeuwse bendes. De invoering van de marechaussee na 1800 zorgde voor een grote territoriale controle. Fijnaut: ‘Waarnaar nu gestreefd wordt, een homogene Europese samenwerking, daarvoor is in die tijd de basis al gelegd.’

Baantjer
Was de term `georganiseerde misdaad' onbekend in de achttiende eeuw, ook in de twintigste eeuw duurde het nog tot aan de jaren tachtig voordat deze vorm van criminaliteit in Nederland erkend werd. Misdaadromanschrijver Appie Baantjer: `Toen ik nog bij de Amsterdamse politie werkte, bestond er helemaal geen georganiseerde misdaad. De criminelen die er waren kende ik bijna allemaal van naam. Dat waren folkloristische figuren met namen als Frits van de Wereld of Zwarte Jopie de Vries. Van een gezamenlijk optreden van criminelen was nauwelijks sprake.' De criminaliteit van de jaren vijftig en het begin van de jaren zestig moet, aldus Baantjer, vooral worden gezien als huisvlijt.

Daarna verandert dat. De geestelijk vader van De Cock: `Het heeft te maken met de opkomst van de drugshandel. Die doet het bendewezen opbloeien. Voor die tijd waren er geen bendes in Nederland. De drugshandel zorgde voor een verbreding van de misdaad. Je hebt meer contacten nodig. Transport wordt heel belangrijk.'

Het duurde echter even voordat de politie op de nieuwe situatie inspeelde: `Onze narcoticabrigade bestond uit twee man. Die hadden genoeg tijd om een kaartje te leggen. Ik kende iemand die misdaadboekjes uit Amerika vertaalde. Hij belde me op met de vraag of ik wist hoe hij woorden als brown sugar en shot moest vertalen. Ik vroeg dat aan de jongens van de narcoticabrigade, maar die wisten het ook niet.'
        
Bella Bettien
De meest succesvolle Nederlandse vrouw in de georganiseerde misdaad was `Bella Bettien' Martens. Als jonge vrouw maakt zij kennis met de snelle wereld van drugs en glamour in het Spaanse Marbella. Daar raakt ze in de ban van een Colombiaanse drugshandelaar. Al snel weet ze zich op te werken tot een hooggeplaatste medewerker van het beruchte Colombiaanse Cali-kartel. Over haar verscheen in 1995 een boek van criminoloog Frank Bovenkerk, die haar opzocht in de gevangenis in Italië. Daar was ze in 1992 gearresteerd. In ruil voor het leveren van informatie over de georganiseerde misdaad kreeg Bettien via het Witness Protection Programme een nieuwe identiteit. Ze leeft nu ergens op een onbekende plek in de wereld. In maart komt er een film over haar uit.

Actrice Thecla Reuten speelt hierin de rol van Bettien. `Ik denk dat ze de film wel zal gaan zien. De film gaat over haar leven, waarin ze door toeval terechtkwam in een trein waaruit ontsnappen niet meer mogelijk leek. In haar verhaal zijn er geen helden en geen slachtoffers. Soms denk je: wat een goed wijf; soms heb je medelijden met haar. Ze kan keihard zijn, vooral als ze mensen onder druk moet zetten die hun betalingsverplichting niet nagekomen zijn. Uit de tapes van de telefoontaps blijkt dat ze dan als een razende tekeerging.

In het wereldje waarin ze terechtkwam is ze een heldin: ze heeft het als blonde Hollandse vrouw helemaal gemaakt. Ze zet netwerken op tussen Colombia en Europa, en krijgt op het laatst de leiding over het netwerk met Italië. Ze loopt gewoon over straat met papieren tassen met miljoenen dollars. Door haar succes krijgt ze toch een beetje het gevoel dat ze meer is dan ze eigenlijk was. Per slot van rekening wordt ze uiteindelijk alleen maar gebruikt door die Colombiaanse macho's. Daardoor is haar leven, zoals ik het zie, één grote desillusie. Want de wereld van glamour en glitter waar ze zo van houdt bestaat niet in het dagelijkse leven van de maffia. In Colombia moet ze soms dagen wachten op een volgende opdracht en verblijft dan bij familie van de kartelbazen. Daarnaast is er de eeuwige stress die het werk met zich meebrengt. De onderwereld is eigenlijk heel hard en vreselijk plat. Ik denk dat deze way of life haar uiteindelijk fatalistisch heeft gemaakt - dat ze haar arrestatie op het laatst als onafwendbaar beschouwde.

Dat blijkt ook uit het enige televisie-interview dat na haar arrestatie met haar is gehouden. Op de vraag of ze denkt dat mensen medelijden met haar zouden moeten hebben, antwoordt ze: ``Denk je dat iemand medelijden kan hebben met iemand die zoveel foute dingen heeft gedaan?'''




Georganiseerde misdaad in Nederland
1985 Justitie brengt de nota Samenleving en Criminaliteit uit. Vanaf de jaren zestig tot 1980 zijn de criminaliteitscijfers in Nederland vertienvoudigd. Nieuw beleid is hard nodig. De nota maakt onderscheid tussen kleine criminaliteit en zware, georganiseerde misdaad. Als maatregelen worden alternatieve straffen (tegen de kleine criminaliteit) en stevig repressief optreden (tegen de georganiseerde misdaad) voorgesteld. De vormgever van dit nieuwe beleidsplan, Jan van Dijk, wil het heersende taboe over misdaad doorbreken; veel burgers zijn de overlast beu. Minister Korthals Altes van Justitie komt over de brug met 16 miljoen gulden om de bekende IRT-teams op te zetten.

1986 Onder druk van de Amerikanen richt de politie een eigen Criminele Inlichtingendienst (CID) op. Met deze inlichtingendienst kan de war on drugs beter worden gestreden en is het mogelijk een inventarisatie van de onderwereld te maken.

1987 Onderzoek naar de omvang van de Nederlandse georganiseerde misdaad door middel van een schriftelijke enquête onder alle politiekorpsen. Resultaat: Nederland telt niet minder dan tweehonderd criminele organisaties. Het rapport lekt uit en ons land wordt ineens geconfronteerd met ‘georganiseerde misdaad’. Niemand blijkt geïnteresseerd te zijn in de kritiek van deskundigen op het onderzoek.

1991 Het onderzoek naar de omvang van georganiseerde misdaad wordt nog eens dunnetjes overgedaan en de uitkomst is nog onwaarschijnlijker: volgens deze telling bestaan er niet minder dan 599 criminele groepen. In de zelfde periode organiseert criminoloog Cyrille Fijnaut een conferentie over de aanpak van georganiseerde misdaad. Doel: de Amerikaanse opsporingsmethoden ook in Nederland te introduceren. Een criminele inlichtingendienst, het aftappen van telefoons, onderzoek naar geldstromen en het sluiten van deals met criminelen. De Amerikaanse werkwijze wordt overgenomen.

1994 De Amerikanisering van de Nederlandse aanpak leidt tot strafrechtelijke ontsporingen zo wordt duidelijk in de IRT-affaire. De Commissie Van Traa onderzoekt wat er mis gaat. Daarnaast wordt er wederom onderzoek gedaan naar georganiseerde misdaad in Nederland, onder leiding van Fijnaut en vier andere criminologen (waaronder Bovenkerk). Het resultaat is verrassend: het blijkt dat het met die georganiseerde misdaad wel meevalt. Er is geen sprake van systematische intimidatie van politie en justitie. Iemand als Klaas Bruinsma heeft politie of justitie nooit naar zijn hand kunnen zetten. Misdaadondernemers hebben geen grote belangen opgebouwd in de bovenwereld: geen enkele branche is in handen van de georganiseerde misdaad. Dat geldt ook voor steden of wijken. En ook bestaat er geen internationaal ‘Octopus-syndicaat’ dat zijn tentakels uitstrekt tot in Nederland.