Contact | Adverteren | Login | Klantenservice | Privacy
Log in
Wachtwoord vergeten
Historisch Nieuwsblad 7/2001

Het faillissement van 's werelds eerste multinational

'De VOC redden was een prestigekwestie'

Door: Bas Kromhout
Met deze knop kunt u artikelen toevoegen aan een leeslijst op uw persoonlijke pagina. Klik hier om in te loggen.
In 2002 vierde Nederland dat 400 jaar geleden de Verenigde Oost-Indische Compagnie is opgericht. `De eerste multinational ter wereld' gaat na twee eeuwen van bloeiende handel en machtsuitoefening in Azië in 1800 over de kop. De Britten geven de handelscompagnie de doodsteek, maar de VOC is dan allang verrot. Gebrek aan flexibiliteit en een falend financieel beleid doen het bedrijf de das om.
Talloze exposities en festiviteiten in verschillende steden besteden volgend jaar aandacht aan de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC), die in 1602 werd opgericht. Het zal vooral gaan om de positieve erfenis van de VOC: de welvaart en het contact met andere werelden en culturen. Misschien zal een enkele criticus wijzen op de schaduwkanten van de Nederlandse expansie in de Oost. Maar niemand is op het idee gekomen om vorig jaar stil te staan bij de dood van de VOC, in 1800. Toch was die even spectaculair als ondoorgrondelijk. Waaraan is deze economische reus nu eigenlijk gestorven?
        
Die vraag heeft generaties historici beziggehouden. Al in 1922 publiceerde W.M.F. Mansvelt een boek waarin hij kritiek had op de boekhouding van de VOC. Het was het begin van een groot aantal studies naar de ondergang van het bedrijf, waarbij economische aspecten de nadruk kregen. De huidige generatie VOC-historici denkt ook economisch, maar komt tot nieuwe conclusies.

Multinational
Vanaf het begin is duidelijk dat de VOC behalve economische ook politiek-militaire doelen dient. De compagnie wordt op 20 maart 1602 opgericht op initiatief van de Staten-Generaal, die veel verwachten van de handel op Oost-Indië en bovendien de Spanjaarden en Portugezen – die al in Azië actief zijn – de loef af willen steken. De Staten verlenen de Compagnie een zogenoemd `octrooi', dat elke vier jaar wordt verlengd. De VOC krijgt niet alleen het monopolie op de Aziatische handel, maar ook de bevoegdheid om in naam van de Staten-Generaal oorlog te voeren en gebieden te bezetten. Dat doet zij dan ook enthousiast. De Compagnie sticht talloze handelsposten langs de Aziatische kusten. `De VOC wordt vaak de eerste multinational genoemd, maar geen enkele moderne multinational heeft zoals de Compagnie ook nog eens 600.000 onderdanen,' zegt de Utrechtse historicus Jurrien van Goor, auteur van De Nederlandse koloniën (1993), die de VOC vooral vanuit politiek oogpunt heeft bestudeerd. `De Compagnie is naast koopman ook soeverein.'
        
In eerste instantie staat de machtsuitbreiding geheel in het teken van de handel. De VOC spint een net van vestigingen door Azië, dat zij gebruikt om binnen het continent handel te drijven. Het bedrijf koopt bijvoorbeeld zijde in China, ruilt dat voor Japans goud, koopt daarvan Indiase stoffen en betrekt vervolgens de felbegeerde Molukse specerijen. De Nederlanders hebben het wereldwijde monopolie op fijne specerijen als kaneel, kruidnagelen, foelie en nootmuskaat, en bewaken dat met forten en een bewapende vloot.
        
Later wordt handhaving van de eigen macht een belang op zich. In Batavia ontstaat een bestuurselite die zijn positie op Java belangrijker vindt dan de opbrengsten van de veilingen in Nederland. De VOC raakt verzeild in binnenlandse conflicten en wordt de archipel in gezogen. Van Goor: `De bewindhebbers in Nederland vinden dat vreselijk, want oorlog kost geld. Toch ontkomt de VOC er niet aan. Wie handel drijft in Azië, krijgt te maken met radja's en sultans die hun deel eisen. Dus moet de VOC deals sluiten en haar gezag laten gelden.'

De expansie van de VOC levert de Compagnie in de zeventiende eeuw nog grote winsten op. Dankzij het unieke systeem van intra-Aziatische handel behaalt de Compagnie met een kleine input hoge opbrengsten. Nederlands macht over de wereldzeeën is nog altijd onbetwist en het specerijenmonopolie kan ten volle worden uitgebuit. De aandeelhouders van de VOC worden verwend met een vast dividend van maar liefst 12,5 procent. Toch komt de Compagnie al snel geld tekort. Al in 1612 sluiten de Heren XVII, het hoogste college van de VOC (zie kader), leningen af. Deze zijn snel opeisbaar, en dus riskant. De seizoensvloot uit Batavia hoeft maar één keer niet aan te komen, of de Compagnie komt in de problemen. Als Frankrijk in 1672 de Republiek aanvalt en de handel wordt verstoord, moet de VOC uitstel van betaling aanvragen.
        
De Leidse historicus Femme Gaastra, schrijver van De geschiedenis van de VOC, heeft berekend dat de Aziatische afdeling van de VOC vanaf de periode 1689-1700 verlies begint te draaien. De bewindhebbers in Nederland moeten bijpassen, wat zwaar drukt op de winsten die op de veilingen gemaakt worden. `Het verlies in Azië wordt niet veroorzaakt door de handel, want die blijft voorlopig groeien,' zegt Gaastra. `Het zijn de kosten voor oorlogvoering en administratie in de bezette gebieden waardoor de balans negatief doorslaat.'
        
Maar naarmate de achttiende eeuw vordert, begint de VOC ook economisch zwakke plekken te vertonen. Terwijl de Nederlanders sterk blijven in de specerijenhandel, ontwikkelen zich nieuwe markten, waarin zij al snel een achterstand hebben. Rond 1730 zijn het de Britse en Franse compagnieën die de meeste textiel uit India naar Europa vervoeren. Ook in de theehandel mist de VOC de boot: haar Europese marktaandeel is slechts 22,5 procent. Terwijl Engelsen, Vlamingen, Fransen, Denen en Duitsers de thee zelf inkopen in Kanton, hanteert de VOC een systeem waarbij Chinese handelaren de thee eerst naar Batavia vervoeren. Deze thee is duurder en van een lagere kwaliteit dan die van de Europese concurrenten. Alleen in de koffie kan de VOC bijblijven, dankzij de introductie van het gewas op Java.

Mercantilisme
Toch is de VOC nog altijd de grootste in Azië. Ze drijft als enige compagnie handel binnen Azië; de anderen pendelen simpelweg heen en weer tussen het continent en het thuisland. Wel zagen Europese privé-handelaren, die wel tussen de Aziatische landen varen, aan de poten van het bedrijf. Ook de directe vaart bedreigt haar positie. Grootste kwelgeest van de VOC is de Britse East India Company. Eind zeventiende eeuw nestelen de Britten zich op de kust van India, waar ze de Nederlanders beginnen te overvleugelen en uiteindelijk verdrijven. De concurrentie en de toenemende vraag naar textiel in Europa drijven de prijs van Indiase stoffen op. Voor de VOC is dat ongunstig, want zij heeft de stoffen nodig om specerijen te kopen. Zo wordt de kostprijs hoger en gaan de winstmarges omlaag.
        
Ook een ander belangrijk ruilmiddel in Azië, Japans goud, is steeds moeilijker verkrijgbaar. De VOC heeft geluk dat zij als enige Europese mogendheid handel mag drijven met het keizerrijk. Maar vanaf 1685 legt Japan die handel steeds verder aan banden, en in 1752 wordt de uitvoer van goud helemaal verboden. Koper dient een tijdlang als vervanging, maar ook hierop leggen de Japanners steeds meer beperkingen. Dus zit er voor de VOC niets anders op dan meer edelmetaal vanuit Nederland naar Azië te verschepen.
        
Een hoge kostenpost voor de VOC is ten slotte de grote sterfte onder haar werknemers. `Vanaf 1732 overlijden jaarlijks grote aantallen soldaten en arbeiders in Batavia aan malaria,' zegt Gaastra. `Omdat de oversteek van Nederland naar Indië zo lang duurt, moet de VOC al deze mensen eerst een jaar lang salaris uitbetalen, voordat ze productief kunnen worden. En als ze kort na aankomst sterven, heeft de Compagnie voor niets betaald. In de loop van de achttiende eeuw wordt het steeds moeilijker personeel te vinden.' Niemand zit te wachten op een gruwelijke dood in de tropen. Alleen wie echt geen andere uitweg heeft uit zijn armoedig bestaan kiest voor een baan bij de VOC. Het merendeel van de soldaten en arbeiders komt dan ook uit Duitsland en Scandinavië.

Lange tijd kunnen de bewindhebbers de handelstekorten in Azië bijpassen, maar na 1740 wordt de situatie nijpend. Ook in Europa dreigt zwaar weer. Onder invloed van het mercantilisme gooien landen als Frankrijk en Pruisen hun grenzen dicht voor buitenlandse import. Nederland verliest zijn functie als Europese mainport. Halverwege de achttiende eeuw gaat het met de Compagnie snel bergafwaarts. Gaastra: `De VOC sluit steeds grotere leningen af. Ondertussen daalt het rendement op de investeringen dramatisch.'
        
De Heren XVII krijgen door dat er iets moet veranderen, wil de VOC overleven. In 1742 sturen ze Gustaaf baron Van Imhoff als nieuwe gouverneur-generaal naar Batavia om de Aziatische tak van het bedrijf te hervormen. Niet voor niets wordt het schip waarmee hij oversteekt `Hersteller' gedoopt. Van Imhoff wil de handel in Azië liberaliseren. In plaats van dure en moeilijk te handhaven verbodsbepalingen op te leggen aan privé-handelaren moeten deze vrije vaart krijgen. Zijn plannen worden direct gedwarsboomd door zijn medebestuurders in Batavia. In het kielzog van de Compagnie drijven velen van hen zelf privé-handel, en concurrentie kunnen zij daarbij niet gebruiken. Alleen de opiumhandel weet Van Imhoff te privatiseren: in plaats van de drug zelf over Azië te distribueren laat de VOC dat over aan een consortium van kleinere handelaren. Deze Amphioen Sociëteit koopt de opium voor een vaste prijs van de Compagnie.
        
Verder wil Van Imhoff dat de VOC zich concentreert op de nog altijd winstgevende specerijenhandel en de handel in nieuwe producten beperkt of staakt. Zijn opvolger Jacob Mossel probeert vanaf 1750 de Compagnie juist sterker te maken in de Chinese en Indiase groeimarkten. In de praktijk wordt geen van beide hervormingsplannen uitgevoerd. De VOC blijft op alle paarden tegelijk wedden.
        
De Nederlandse overheid ziet de krimpende resultaten van de VOC met lede ogen aan en eist meer invloed. In 1749 wordt stadhouder Willem IV `opperbewindhebber', met een ruime bevoegdheid om reorganisaties door te voeren in de top van de Compagnie. Maar Willem sterft twee jaar later, en zijn zoon neemt pas in 1766 het ambt van opperbewindhebber aan. Voor een radicale koerswijziging kunnen of willen ook de stadhouders niet zorgen.

Steekpenningen
De besluiteloosheid van de stadhouders wekt het ongenoegen van de opkomende patriottenpartij, die vanaf 1773 pamfletten verspreidt vol aanklachten tegen de `corruptie' binnen de VOC. Zij beschuldigt de werknemers in Azië van het aannemen van steekpenningen, sluikhandel en regelrechte diefstal ten koste van de Compagnie. `De protesten van de patriotten hebben te maken met de nieuwe economische ethiek die aan het einde van de achttiende eeuw ontstaat. Maar ze protesteren in feite tegen iets wat de twee eeuwen daarvoor lang volkomen geaccepteerd was,' zegt historica Els Jacobs, coördinator van de Nationale Jubileumexpositie over de VOC die in 2002 te zien zal zijn in het Maritiem Museum Rotterdam en het Scheepvaartmuseum in Amsterdam.
        
`In de zeventiende en achttiende eeuw is het gebruikelijk dat iemand geld krijgt als hij een ander aan een baan helpt. In de reglementen van de VOC was vastgelegd dat een hogergeplaatste dienaar bij elke transactie recht heeft op een deel van de opbrengst. Privé-handel is wel verboden, maar niet per se schadelijk. Die kan namelijk ook een functie hebben als smeermiddel voor de handel van de Compagnie.'
        
In een enkel geval maakt een werknemer het toch te bont en wordt hij vervolgd. In 1682 wordt in de Indiase vestiging Suratte een groot aantal corrupte ambtenaren ontslagen. Hun vervangers blijken geen verbetering. Wanneer boekhouder-generaal Paulus de Roo in Suratte op inspectie uitgaat, wordt hij zelfs vergiftigd. Tien jaar later sturen de Heren XVII onafhankelijke inspecteurs naar Azië om de boeken streng te controleren. Al snel burgeren de inspecteurs helemaal in en doen ze net zo hard mee met de collectieve zelfverrijking. Het bekendste corruptieschandaal uit de VOC-geschiedenis speelt zich af in de jaren dertig van de achttiende eeuw, opnieuw in Suratte. Directeur van de handelspost is Pieter Phoonsen; hij drijft er een eigen handel in specerijen, die hij uit de Compagnie-magazijnen steelt. Wanneer de diefstal uitkomt, vlucht hij naar Bombay.
        
`Toch zijn er in twee eeuwen VOC maar weinig koppen gerold,' zegt Gaastra. `De bewindhebbers hebben geen behoefte de corruptie te bestrijden, want ze zitten er zelf middenin. Ze regelen voor hun zonen en neven allerlei baantjes in de Oost en laten zich daarvoor betalen. Wie iets wil bereiken binnen de VOC is afhankelijk van patronage.'
        
Het is een wijdverbreid cliché dat de corruptie de VOC uiteindelijk ten val heeft gebracht. De letters `VOC' worden tegenwoordig zelfs verbasterd tot `Vergaan Onder Corruptie'. `Die mythe wordt graag geloofd, maar er is geen enkel overtuigend argument voor,' zegt Jacobs. `Sluikhandel en smeergeld zijn net zo gebruikelijk in de bloeiperiode van de VOC als ten tijde van het verval. Sommige onderzoekers wijzen erop dat de schatten die dienaren in de achttiende eeuw vergaren groter zijn dan in de zeventiende, maar dat is logisch: de omvang van de hele VOC-handel neemt dan toe.'

De VOC wankelt. Het wachten is op het laatste zetje. In 1780 verklaart Engeland de Republiek voor de vierde keer de oorlog, omdat die in Britse ogen te openlijk steun verleent aan de Amerikaanse rebellen. De Engelsen veroveren de VOC-vestigingen in India, en wat belangrijker is: een groot aantal goederen die bestemd zijn voor Europa valt in hun handen. De vaart ligt nagenoeg stil. Pogingen van de VOC om onder neutrale vlag nog iets naar Nederland te smokkelen hebben weinig succes. Dat betekent dat er amper iets te veilen valt. De kortlopende leningen kunnen niet meer worden afgelost. Slechts met behulp van de Staten van Holland en Zeeland en de stad Amsterdam kan de Compagnie het hoofd nog even boven water houden.
        
Voor de Nederlandse overheid staat vast dat de VOC niet ten onder mag gaan, omdat ze die ziet als de belangrijkste steunpilaar van de Republiek. Het is de vraag of dat terecht is. `De bijdrage van de VOC aan de Nederlandse economie is altijd overschat,' zegt Jacobs. `Hoe vaak horen we ook nu niet dat ons land de Gouden Eeuw aan de Compagnie te danken heeft? In werkelijkheid is de VOC verantwoordelijk geweest voor slechts 10 procent van de Nederlandse handelsomzet.' Maar volgens Gaastra doet dat er niet toe. `Waar het om gaat, is dat aan het eind van de achttiende eeuw nog steeds iedereen in binnen- en buitenland ervan overtuigd is dat de VOC Nederland sterk maakt. Dus dan is het zo. Het redden van de VOC is een prestigekwestie, zoals dat in onze tijd het geval was bij Daf en Fokker.'
        
Direct na de Bataafse Revolutie van 1795 wordt de VOC door de nieuwe, patriottische machthebbers genationaliseerd. Ze sturen de bewindhebbers de laan uit en een nieuw bestuur neemt de leiding over. Maar ook dat kan het tij niet keren. In 1798 valt Groot-Brittannië de Republiek opnieuw aan en is het met de VOC gebeurd. De Britten bezetten nagenoeg alle bezittingen in Azië en de handel ligt stil.
        
In 1800 wordt de VOC opgeheven; de Staten-Generaal willen het octrooi niet meer verlengen. De Nederlandse staat stelt zich verantwoordelijk voor de enorme schuld van 219 miljoen gulden, eenderde van de totale staatsschuld. `De belastingbetaler draait er uiteindelijk voor op,' zegt Gaastra. `Dat is een van de redenen dat de Belgen bij de aansluiting in 1815 zo tegensputteren. De schulden van de VOC blijven tot diep in de negentiende eeuw een zware last voor het Koninkrijk.'

Onverantwoord riskant
De ondergang van de VOC was voor Nederland welhaast een traumatische ervaring. Velen hebben zich vertwijfeld afgevraagd wat er mis is gegaan. Allerlei verklaringen zijn geopperd, zinnige en onzinnige. De mythe van de corruptie heeft afgedaan, en ook het klassieke argument dat de schepen van de VOC verouderd en dus te langzaam waren om de concurrentie bij te benen, wordt door de nieuwe generatie historici afgewezen.
        
Wat had de VOC dan wél anders moeten doen? `Het ging mis toen de Aziatische afdeling verlies begon te lijden vanwege de hoge bestuurskosten. Dus had de Compagnie zich moeten concentreren op de handel en het bestuur moeten overlaten aan de overheid,' meent Femme Gaastra. Maar volgens Jurrien Van Goor was dat onmogelijk: `Handel en politiek hoorden bij elkaar. De VOC moest militaire en politieke macht ontwikkelen om haar handelspositie te handhaven. Van een vrijemarkteconomie was nog lang geen sprake. Veel van de kritiek op het economisch functioneren van de VOC komt voort uit moderne, liberale opvattingen.'
        
Had de VOC dan moeten stoppen met handel drijven binnen Azië, om net als de Britten alleen rechtstreeks van en naar Europa te varen? Gaastra vindt van wel: `In de zeventiende eeuw was de handel binnen Azië de grote kracht van de VOC, maar in de achttiende eeuw had ze het anders moeten aanpakken. Het bedrijf had zich in onderdelen moeten splitsen. Dat hebben de bewindhebbers nooit aangedurfd, omdat ze halfhartig en conservatief waren.'
        
Els Jacobs wil daar niets van weten: `Dat hele net van de VOC binnen Azië was juist nodig om de specerijen te krijgen. De Sumatranen zaten niet te wachten op Europees zilvergeld; die wilden Indiase stoffen. Voor koffie, thee en textiel had je zo'n netwerk niet nodig. Er is daarom wel geopperd dat de VOC haar monopolie in de specerijenhandel had moeten opgeven. Maar dat was nu juist haar corebusiness. Als de VOC al iets had moeten laten, dan was het de theehandel geweest. Het harde zilvergeld dat daarvoor nodig was had de Compagnie beter in haar meer succesvolle handelstakken kunnen investeren.'
        
Kritiek op de bewindhebbers weerspreekt Jacobs vurig: `Natuurlijk zijn er blunders gemaakt, maar daar staan genoeg goede beslissingen tegenover. Dat de VOC koffie introduceerde op Java was een prima idee. Na de Vierde Engelse Oorlog ging de VOC schepen huren en kopen, om het ontstane gebrek aan scheepsruimte zo snel mogelijk te compenseren. Eeuwenlang had de VOC alle schepen op haar eigen werven gebouwd. Ook deze koerswijziging was verfrissend, en bepaald niet conservatief.'

Over één ding zijn de historici het wel eens: het financieringsbeleid van de VOC was onverantwoord riskant. Het vermogen van de VOC bestond in 1780 voornamelijk uit geleend geld, zo'n 14 miljoen. Daartegenover stond slechts 6,5 miljoen aan uitstaande aandelen. En dat was al zo sinds de oprichting in 1602. `Begin zeventiende eeuw was ruim 6 miljoen aan eigen vermogen nog genoeg om alle concurrenten te overvleugelen, maar in 1709 had de East India Company al een aandelenkapitaal van 35 miljoen. Het is mij een raadsel waarom nooit iemand binnen de VOC heeft geopperd het aandelenkapitaal uit te breiden,' zegt Jacobs. Met een groter eigen vermogen was de Compagnie minder acuut in de schulden gekomen toen de Britten in 1780 haar goederen kaapten. Gaastra: `De VOC is ten onder gegaan aan dalende rendementen en een liquiditeitscrisis, die acuut werd door de Vierde Engelse Oorlog. Misschien had zij een doorstart kunnen maken als puur koloniaal bestuurder zonder handelsactiviteiten. Maar toen de Britten vijftien jaar later bijna alle bezittingen in Azië overnamen, crashte het bedrijf.'

In het kader van 400 jaar VOC worden talloze evenementen en tentoonstellingen georganiseerd. De activiteiten zijn te vinden op www.voc2002.nl en in de loop van volgend jaar in de agenda van Historisch Nieuwsblad.


Zeventiende eeuw: opgang
1602        Oprichting van de Verenigde Oost-Indische Compagnie.
1612        Tegenvallende resultaten nopen de VOC de eerste leningen af te sluiten.
1618        Jan Pietersz. Coen sticht Batavia.
1641        Vestiging van een VOC-post op het Japanse eiland Deshima.
1652        Stichting van de Kaapkolonie.
1655        Verovering van Ambon.
1656        Verovering van Colombo.
1659        Verovering van Negatpatnam (Zuid-India) op de Portugezen.
1660        Begin van tien jaren van recordwinsten.
1672        Rampjaar voor de Republiek; de VOC vraagt uitstel van betaling aan.
1692        De Aziatische tak van de VOC begint verlies te draaien.

Achttiende eeuw: ondergang
1703        Eerste Javaanse Successieoorlog: de VOC mengt zich in de binnenlandse politiek.
1718        Tweede Javaanse Successieoorlog.
1730        De Britse en Franse compagnieën streven de VOC in de Indiase textielhandel voorbij.
1732        Malaria en tyfus beginnen een zware tol te eisen onder de bevolking van Batavia.
1740        De bewindhebbers in Nederland kunnen de Aziatische tekorten niet meer aanvullen; de rendementen zijn dramatisch laag en de schuldenlast is inmiddels torenhoog.
1742        De Heren XVII sturen Gustaaf van Imhoff naar Batavia om orde op zaken te stellen.
1752        De Japanse-goudstroom droogt op.
1760        Voornamelijk Britse privé-handelaren gaan in de Aziatische wateren een heftige concurrentieslag met de VOC aan.
1773        De patriotten hekelen in pamfletten de corruptie binnen de VOC.
1780        De Vierde Engelse Oorlog breekt uit; de handel met Azië wordt zwaar belemmerd.
1781        Verlies van Negatpatnam aan de Britten.
1795        De Bataafse Republiek wordt uitgeroepen en de VOC wordt genationaliseerd.
1796        De Britten veroveren Ceylon.
1798        Opnieuw oorlog met Engeland; alle bezittingen behalve Java worden bezet.
1800        De VOC wordt opgeheven.


Hollanders in Taiwan
Als een van de weinige ex-kolonies van de VOC zal Taiwan in 2002 uitgebreid inhaken op de herdenking van het feit dat 400 jaar geleden de Verenigde Oost-Indische Compagnie werd opgericht. De VOC was in de zeventiende eeuw al met al nog geen veertig jaar actief op het eiland tegenover de Chinese kust (1624-1662). De invloed van die aanwezigheid was echter zo groot dat de Taiwanese historicus Chen Kuo-tung ronduit stelt dat `de geschiedenis van Taiwan in feite begint met de komst van de Hollanders'.
        
De dienaren van de Compagnie zetten niet alleen de ontwikkeling van landbouw in gang, stichtten scholen en vestigden een eerste bestuurlijke organisatie op wat toen Formosa werd genoemd, maar lieten ook nog eens een uiterst belangrijke geschreven bron na: de Dagregisters van kasteel Zeelandia. De Dagregisters bevatten uitvoerige informatie over de handel en wandel van de VOC op Taiwan. Belangrijk voor de Taiwanezen zijn met name de vele landkaarten, de gedetailleerde geografische beschrijvingen van het eiland en ook de informatie over de inheemse bevolking. Die bestond uit verschillende stammen, van Austronesische afkomst; op dit moment wonen nog een kleine 400.000 van deze zogeheten aborigines in Taiwan.
        
Zoals in meer gebieden waar de VOC actief was, hebben de Nederlanders sporen achtergelaten. Het woord pak (pacht) is lange tijd in Taiwan gebruikt, en aan de westkust zijn nog inwoners te vinden met een lichte kleur haar, huid en ogen. Ook hebben de Hollanders diverse forten gebouwd, waarvan het belangrijkste Fort Zeelandia is, het bestuurlijk centrum van de VOC. Op dit moment worden de mogelijkheden onderzocht om de restanten van het fort - inmiddels ingekapseld in de moderne stad Tainan - te restaureren.
        
Intussen wordt in Taiwan ook gewerkt aan de opbouw van een nieuw Nationaal Museum voor Geschiedenis. De locatiekeuze, nabij Tainan, geeft al aan dat de VOC-periode een belangrijke plaats in het museum zal innemen. Voor het zover is, zal het National Palace Museum in Taipei (thuisbasis van de duizenden Chinese kunstschatten die de nationalist Chiang Kai-shek met zich meevoerde op zijn vlucht naar Taiwan, in 1949) volgend jaar zomer flink uitpakken met een VOC-tentoonstelling. Hiervoor geeft het Westfries Museum in Hoorn vrijwel de gehele collectie-VOC in bruikleen.
Marilou den Outer

De lange lijnen van de VOC
De VOC is wel een mammoettanker genoemd. Alles aan het bedrijf is groot en indrukwekkend, maar het was ook log en soms stuurloos. Het bedrijf verbindt de Europese en de Aziatische economie met een uitgebreid netwerk van handelsposten, forten en verversingsplaatsen. De lijnen zijn lang en informatie sijpelt maar langzaam door. Formeel is de leiding in handen van de zogenaamde `bewindhebbers' in Nederland, die in zes lokale kamers zijn georganiseerd. Zij sturen vertegenwoordigers naar de vergaderingen van de Heren XVII, het hoogste college. Ver weg in Batavia zetelt de Hoge Regering, onder leiding van een gouverneur-generaal, die soms een eigenzinnige koers vaart. En dan zijn er nog de bestuurders van de verschillende vestigingen in Azië, die weer hun eigen belangen hebben. In deze diffuse gezagsverhouding is het moeilijk alle neuzen één kant op te krijgen.

Welkom bij Historisch Nieuwsblad!

Maak nu gratis kennis met de journalistiek van Historisch Nieuwsblad. In dit dossier hebben wij de mooiste verhalen uit ons archief voor u gebundeld. Lees bijvoorbeeld welke kant van Martin Luther King Amerika liever vergeet, waarom de Slag om Arnhem faliekant mislukte en hoe Willem van Oranje slim gebruikmaakte van propaganda.