Contact | Adverteren | Login | Klantenservice | Privacy
Log in
Wachtwoord vergeten
Historisch Nieuwsblad 2/2001

Archeologie misbruikt door politiek Europa

Door: Theo Toebosch
Met deze knop kunt u artikelen toevoegen aan een leeslijst op uw persoonlijke pagina. Klik hier om in te loggen.
Archeologen in Israël trokken de velden in met de schop in de ene en de Bijbel in de andere hand. De opgraving van bijbelse plaatsen moest het nationale bewustzijn verhogen en de claims van kolonisten versterken. Maar ook de Europese Unie gebruikt archeologie om de lidstaten een gezamenlijke geschiedenis en identiteit te geven.


‘De seniele playboys van de wetenschap, die wroeten in de vuilnisbelten van de
oudheid.’ Dat was volgens Ernest Hooton, in de jaren twintig, dertig en veertig van de vorige eeuw Dean of Anthropology aan Harvard, het beeld van archeologen bij het grote publiek. Dankzij Indiana Jones is het imago inmiddels verbeterd. Veel mensen vinden archeologie nu zelfs een leuke, spannende wetenschap – gesteld dat er iets te zien valt. Maar om nu te zeggen dat archeologie bijzonder relevant is voor wat in het heden gebeurt, nou nee. Vreemd is dat eigenlijk, constateerde Bruce Trigger ruim tien jaar geleden in zijn History of Archaeological Thought, want talloos zijn de voorbeelden van regeringen en machthebbers die archeologie politiek hebben gebruikt om hun denkbeelden en daden te verantwoorden en de wetenschap daardoor juist wel een grote relevantie gaven.

Een van de landen waar archeologie en politiek veelvuldig hand in hand gaan is Israël. Op de Tempelberg in Jeruzalem is een islamitische organisatie bezig met werkzaamheden rond de al-Aqsa moskee en de Rotstempel. Israëli’s worden van de plek geweerd, wat voer is voor joodse complottheorieën: de moslims zouden willens en wetens bezig zijn de archeologische resten uit de tijd van David en Salomo te vernietigen. Of die op deze plek daadwerkelijk te vinden zijn is nooit bewezen.

Tussen 1960 en 1985 zijn in Jeruzalem vier grote opgravingen gedaan. Het toeval wil dat alle vier de leiders van de opgravingen inmiddels zijn overleden en dat hun onderzoek nog niet is gepubliceerd. Maar voorzover bekend heeft geen van hen iets gevonden dat er op zou wijzen dat Jeruzalem rond 1000 voor Christus de grote stad van de Bijbelse koning David en zijn opvolger Salomo is geweest. Het maakt niet uit: menig Israëlische archeoloog, menig rabbijn en daarom ook menig Israëli is er van overtuigd dat in deze stad de Eerste Tempel heeft gestaan. Onderling twisten ze over de precieze lokatie, maar dat is een ander verhaal.

Talloos zijn inmiddels de comités van verontruste burgers en archeologen, de speciale bijlagen van kranten en de websites die oproepen tot protest. In het geheim gemaakte foto’s tonen de werkzaamheden op de Tempelberg met onderschriften als ‘vooral die plastic zak ziet er verdacht uit’. De enkele Israëlische archeoloog die zegt dat de Arabieren geen ‘archeologisch kwaad’ in de zin hebben wordt uitgemaakt voor rotte vis. Dat overkwam bijvoorbeeld Israël Finkelstein, archeoloog aan de Universiteit van Tel Aviv. Hij publiceerde vorig jaar met Neil Silberman het boek The Bible Unearthed, waarin hij op basis van archeologisch onderzoek stelt dat Abraham, Isaac en Jacob nooit hebben bestaan, dat er nooit een Exodus is geweest en dat David en Salomo geen grote koningen waren, maar kleine plaatselijke leiders. Finkelstein wordt beschouwd als een Palestijnse infiltrant die zo veel mogelijk joodse geschiedenis wil weggeven.

Het directe politieke belang van archeologie in Israël blijkt duidelijk uit de gebeurtenissen na het bezoek van Ariel Sharon aan de Tempelberg vorig jaar. Sharon zei dat Israël deze ‘heilige plaats’ nooit zou opgeven, De Palestijnen riepen hierop dat ‘hun’ al-Aqsa moskee werd bedreigd en ontketenden een nieuwe intifadah, die de positie van Barak ondermijnde en de weg vrij maakte voor Sharon. En wie hebben van de Tempelberg de omstreden heilige joodse plaats gemaakt? Juist ja, de archeologen. Om precies te zijn de bijbelse archeologen.

Die genieten dan ook de meeste steun van de Israëlische overheid. Want vergelijk alle emoties rond de Tempelberg met wat ruim een jaar geleden gebeurde in Gesher Benot Ya’aqov. Van deze 780.000 jaar oude vindplaats aan de oevers van de Jordaan staat al meer dan zestig jaar vast dat zij belangrijke wetenschappelijke informatie levert voor het onderzoek naar de verspreiding van de Homo Erectus vanuit Afrika. De plaatselijke, voor de waterafvoer verantwoordelijke overheidsinstantie had echter geen enkele boodschap aan de wetenschappelijke waarde van de vindplaats en wilde een deel van de Jordaan verbreden om toekomstige overstromingen te voorkomen. Bemoeienis van archeologen vonden ze maar lastig en daarom rukten ze op een nacht met bulldozers uit en verwoestten de vindplaats over enkele honderden meters. Een schanddaad? De zaak haalde nergens de voorpagina’s van de kranten en de overheid greep niet in. ‘Typisch Israël’ was de gelaten reactie van de prehistorisch archeologen. ‘Het gaat hen alleen om de bijbelse archeologie.’

Varkensbotten
Sinds de stichting van de staat speelt bijbelse archeologie een belangrijke rol bij de bevestiging van de verbanden tussen het oude en het nieuwe Israël. De opgravingen van bijbelse plaatsen dienen ter verhoging van het nationale bewustzijn en ter versterking van de claims van kolonisten op het land waar ze hun nederzettingen bouwen. Prominenten als generaal Moshe Dayan maakten van de archeologie zelfs een soort nationale sport. Het is een publiek geheim dat het deze beroemde eenogige amateur-archeoloog niet om wetenschappelijke informatie ging, maar om het verzamelen van zoveel mogelijk objecten voor zijn privé-collectie en het vinden van ‘bewijzen’ voor Israëls glorieuze verleden.

Maar ook Israël’s professionele archeologen lieten zich door politieke motieven leiden. Neem Yigael Yadin, een voormalig lid van de verzetsgroep Haganah en in 1948 Chef van de Generale Staf van het leger. Nadat hij archeoloog was geworden trok hij met zoals hij zelf zei ‘in de ene hand een schop en in de andere de bijbel’ de velden in. Hij begon in 1963 met de opgraving van Masada, het hooggelegen fort waar volgens de overlevering de Zeloten tijdens de Joodse Opstand het laatste verzet tegen de Romeinen boden en in het jaar 73 massaal zelfmoord pleegden. Het is ook de plek waar Israëlische dienstplichtigen na beklimming van het zogenaamde Slangenpad de eed zweren ‘Masada zal niet nog een keer vallen’.

Yadin ging op deze plek, die hij voordien reeds ‘een symbool van moed’ had genoemd en ‘een monument voor onze grote nationale figuren’, specifiek op zoek naar de stoffelijke overblijfselen van de ‘helden die de dood verkozen boven een leven van fysieke en morele slavernij’. Een dergelijke motivatie verwordt al snel tot het bijbelse ‘zoekt en gij zult vinden’. En verdomd, in een grot aan de voet van het fort vond hij een aantal skeletten: de beenderen van de Zeloten! De Romeinen hadden de lijken na de inname van Masada natuurlijk naar beneden gegooid. De heilige skeletten kregen een staatsbegrafenis en Yadin werd een gevierd man, zeker na publicatie van zijn populaire boek Masada, Herod’s fortress and the Zealots last stand (1968).

Een wetenschappelijke publicatie, met name over het onderzoek naar de stoffelijke resten, is echter nooit verschenen. Wel werd drie jaar geleden in een artikel in Archeology duidelijk dat Yadin en zijn team bij de skeletten ook botten van varkens hadden gevonden. Hij had dus waarschijnlijk geen Zeloten, maar Romeinse soldaten en hun offerdieren opgegraven. Ook bleek dat Yadin in zijn opgravingsdagboek wel degelijk twijfels had geuit, maar die in zijn populair-wetenschappelijke boek weer had ingeslikt. In hetzelfde Archeology-artikel stond tevens dat hij vlak voor zijn dood in 1984 al eens zou hebben verteld dat hij gezwicht was voor de druk van de politieke leiders om van de gevonden skeletten hoe dan ook Zeloten te maken en ze te verbinden met de legende van Masada. Israël heeft dus waarschijnlijk niet de volkshelden, maar juist hun onderdrukkers een staatsbegrafenis gegeven.

Het zijn niet alleen de Israëli’s die de archeologie gebruiken voor politieke doeleinden. De Palestijnen doen het net zo goed. Tijdens de vredesonderhandelingen is Arafat regelmatig met archeologische ‘bewijzen’ gekomen die de claims van Israël op bepaalde gebieden moesten ontkrachten. Een paar jaar geleden organiseerde de Palestijnse autoriteit in het amfitheater van Sabatsia, een dorp op de westoever bij Nablus, een ceremonie waarbij jongeren de legende verbeeldden van Baäl, de god van de Kanaänieten. Maar Sabatsia is nooit een stad van de Kanaänieten geweest. De vereenzelviging van de Palestijnen met de Kanaänieten is bovendien hoogst twijfelachtig. Voor de Palestijnen was dit alles geen probleem: het ging om het idee, om het creëren van een identiteit. Hiertoe is het van belang te benadrukken dat de Palestijnen op dezelfde wijze leven als de Kanaänieten toen.

Stamvaders
Politiek gebruik van archeologie is allerminst een ver-van-mijn-bed-show. Onder Europese archeologen is de laatste tijd een discussie gaande over de wijze waarop de Europese Unie archeologie gebruikt om de lidstaten een gezamenlijke geschiedenis en identiteit te geven.

Dat gebeurt nogal geforceerd, zoals vooral blijkt uit de tentoonstellingen die met Europese gelden worden gesubsidieerd. Zo heeft de Raad van Europa al 25 tentoonstellingen gefinancierd met de Bronstijd als thema. Vorig jaar was in Athene de tentoonstelling Gods and Heroes of Bronze Age Europe te zien, een ‘succesvolle uitkomst van samenwerking tussen twintig Europese landen met als gemeenschappelijk doel het geven van een representatief beeld van Europa in de Bronstijd’. Objecten uit landen als Denemarken, Duitsland, Hongarije en Rusland lagen broederlijk naast elkaar. Samen ‘weerspiegelden ze de wereld van krijgers, ambachtslieden en reizigers, die een bloeiende, onderzoekende gemeenschap creëerden, open voor de uitwisseling van ideeën en nieuwe technologieën die tot menselijke vooruitgang leidden’. Archeologie of propaganda?

Ook de Franken werden ingeschakeld. Die Franke, wegbereiter Europas was de titel van een tentoonstelling die Mannheim, Berlijn en Parijs aandeed en mede tot doel had te laten zien dat Fransen en Duitsers ‘altijd al vrienden zijn geweest’. Geen toeval dus dat de tentoonstelling opende met een foto van Adenauer en De Gaulle die elkaar de hand geven en verder ging met afbeeldingen van Karel de Grote en koning Clovis, de ‘stamvaders’ met wie het allemaal was begonnen. De tentoonstelling eindigde met het motto van de Europese Unie: ‘Van verscheidenheid naar eenheid’.

Maar in het jongste nummer van het wetenschappelijke tijdschrift Archaeological Dialogues relativeert de Zwitserse archeoloog Marc-Antoine Kaeser de zorgen van de serieuze wetenschappelijke Europese archeologen: de nadruk op het gemeenschappelijk Europees erfgoed dient niet zozeer een politiek maar een economisch doel, namelijk toeristen trekken.
Theo Toebosch is archeoloog en freelance journalist.