Contact | Adverteren | Login | Klantenservice | Privacy
Log in
Wachtwoord vergeten
Historisch Nieuwsblad 0/2019

Route naar de hel

Hoe begon de Armeense genocide?

Door: Ewout Klei
Met deze knop kunt u artikelen toevoegen aan een leeslijst op uw persoonlijke pagina. Klik hier om in te loggen.

Was de dreigende ineenstorting van het Ottomaanse Rijk in de Eerste Wereldoorlog de aanleiding voor de Armeense genocide? Deze populaire verklaring wordt door nieuw onderzoek in twijfel getrokken. De autoriteiten smeedden al veel eerder plannen om alle Armeniërs in het rijk uit te roeien.

De aanleiding voor de Armeense genocide hebben historici tot nu toe gezocht in een serie militaire gebeurtenissen in het voorjaar van 1915. Op 17 januari leed het Ottomaanse leger bij Sarikamis een nederlaag tegen de Russen, en op 25 april landden geallieerde troepen uit Australië en Nieuw-Zeeland op het schiereiland Gallipoli, dicht bij de hoofdstad Constantinopel. Deze ontwikkelingen aan het front zouden bij de regering de overtuiging hebben doen postvatten dat het Ottomaanse Rijk op het punt stond om te vallen en dat de Armeniërs, die zij als verraders beschouwde, uit de weg moesten worden geruimd. De arrestatie van 235 prominente Armeense inwoners van Constantinopel, één dag eerder dan de geallieerde landing begon, wordt doorgaans opgevoerd als het begin van de volkenmoord.


De landing van de Australische en Nieuw-Zeelandse troepen op Gallipoli. Schilderij door Charles Dixon.

Maar deze analyse klopt niet, zo blijkt uit nieuw onderzoek van de Turkse historicus Taner Akçam, dé autoriteit als het gaat om de Armeense genocide. Hij baseert zich op documenten waaruit blijkt dat de Ottomaanse autoriteiten al enkele maanden eerder plannen maakten om de Armeniërs uit te roeien.  
 

‘Permanente maatregelen’

De Ottomaanse regering was sinds 1908 in handen van een Turks-nationalistische partij die zich Comité voor Eenheid en Voortuitgang (CEV) noemde. De hoogste partijbazen, verenigd in het Centraal Comité, maakten de dienst uit. In de Oost-Anatolische stad Erzurum was een provinciaal Centraal Comité gevestigd, dat zeer wantrouwend stond tegenover de plaatselijke Armeense bevolking en vreesde voor een opstand. Op 17 november 1914, amper twee weken nadat het Ottomaanse Rijk had besloten mee te doen aan de Eerste Wereldoorlog aan de zijde van het Duitse Rijk en Oostenrijk-Hongarije, schreven de provinciale autoriteiten aan minister van Binnenlandse Zaken Talaat Pasja in Constantinopel dat de tijd was gekomen om ‘permanente maatregelen’ te nemen tegen de Armeniërs. Talaat antwoordde dat men moest doen wat de situatie voorschreef, totdat er definitieve orders zouden worden gegeven over wat er met de Armeniërs moest gebeuren.

Op 1 december 1914 – ruim voordat de Slag bij Sarikamis begon – stuurde het Centraal Comité van Erzurum aan Talaat een strikt vertrouwelijk telegram, waarin stond: ‘Die Armeniërs, zowel in de stadscentra [van Bitlis en Van] als in de omliggende [steden en dorpen] die ervan worden verdacht potentiële leiders van de opstand te zijn of die moslims zouden aanvallen, moeten van tevoren worden gearresteerd [en] in het geval van aanvallen op moslims moeten zij allemaal onmiddellijk naar Bitlis worden gedeporteerd om te worden uitgeroeid.’
 

‘Het Comité heeft besloten om alle Armeniërs te vernietigen’

Op 20 december ontving Talaat opnieuw bericht van het Centraal Comité van Erzurum: de Armeense opstand zou nu echt op uitbreken staan, want sommige telegraaflijnen waren doorgesneden en er was een sergeant vermoord. Het Comité wilde dat er keihard tegen de Armeniërs kon worden opgetreden, in Erzurum, maar ook in de andere provincies.

Deze twee telegrammen lijken cruciaal in het besluitvormingsproces dat leidde naar de genocide. In het eerste telegram wordt immers gesteld dat Armeniërs uitgeroeid moesten worden, ook al ging het ‘slechts’ om potentiële rebellen in de steden Biltis en Van, en in het tweede wordt aan de regering voorgesteld om harde maatregelen te nemen tegen alle Armeniërs in het Ottomaanse Rijk. Op 31 december telegrafeerde ook de gouverneur van Van aan het Centraal Comité in Constantinopel – dat er een principebesluit moest worden genomen over het lot van de Armeniërs.
 

Zucht naar wraak

Dat principebesluit kwam er. Op 3 maart 1915 schreef Bahattin Şakir, een vooraanstaand lid van het landelijke Centraal Comité, een brief aan Cemal Bey, de partijgevolmachtigde voor Adana, die zich op dat moment in Aleppo bevond. In de brief staat onder meer: ‘Het Comité […] wiens beker overstroomt door een niet-aflatende zucht naar wraak, heeft besloten om alle Armeniërs die in Turkije leven te vernietigen, niemand wordt toegestaan in leven te blijven, en de regering verregaande bevoegdheden te geven wat dit betreft. Op de vraag hoe dit doden en afslachten zullen worden uitgevoerd, zal de regering de nodige instructies geven aan de provinciale gouverneurs en legercommandanten.’

Intussen was het moorden in het oosten al begonnen. In de stad Başkale en het omliggende gebied werden Armeense mannen in december 1914 systematisch uitgeroeid. Het Ottomaanse bestuur in Van stuurde op 18 februari 1915 een uitgebreid rapport aan Talaat, waarin onder meer te lezen stond: ‘De Armeniërs werden ontwapend en weggestuurd om zich op een onbekende plek opnieuw te vestigen […]. Slachtingen worden uitgevoerd in sommige dorpen en gehuchten in de omgeving van Başkale en Saray.’
 

Voorstelling van een moordpartij op Armeniërs op de cover van het Franse tijdschrift Le Petit Journal van 12 december 1915.

Şakir wond er in zijn brief aan Cemal Bey geen doekjes om, maar maakte duidelijk wat de intenties van het Centraal Comité in Constantinopel waren. Het ging er niet om, zoals genocideontkenners beweren, dat de Armeniërs naar veilige gebieden moesten worden geëvacueerd om te voorkomen dat ze in opstand zouden komen en zich zouden aansluiten bij het binnenvallende Russische leger. De Ottomaanse leiders wilden niets minder dan de fysieke uitroeiing van alle Armeniërs.
 

Handtekening

Van de brief van Şakir zijn historici al heel lang op de hoogte, maar aan de authenticiteit ervan werd jarenlang getwijfeld. In 1921 werd de brief in de openbaarheid gebracht door de Armeense journalist Aram Andonian in zijn boek Medz Vociri (‘Een grote misdaad’). De documenten waaruit Andonian putte, werden een tijdlang voor vervalsingen aangezien. Dit kwam vooral door een succesvolle publicatie van de Turkse Historische Vereniging uit 1983, waarin revisionistische historici op een – op het eerste gezicht – overtuigende manier betoogden dat Andonian loog. Zijn boeken zouden Armeense propaganda bevatten, en de brieven, telegrammen en memoires, waaruit volgens Andonian bleek dat de Ottomaanse regering de Armeniërs wilde vernietigen, zouden namaaksels zijn.
 

Aan de authenticiteit van de brief is jarenlang getwijfeld

Maar niets is minder waar. Historicus Akçam concludeert op basis van een grondige vergelijking met originele Ottomaanse documenten dat de handtekening van Şakir op de brief aan Cemal Bey echt is. Bovendien klopt de inhoud tot in detail met wat uit andere bronnen bekend is. Zo was Cemal Bey inderdaad in Aleppo toen Şakir hem zijn brief stuurde.



Op basis van deze – naar nu blijkt – authentieke brief van een hoge regeringsfunctionaris komt Akçam tot de conclusie dat het centrale besluit om alle Armeniërs in het Ottomaanse Rijk te vermoorden is genomen tussen 15 februari en 3 maart 1915. Van de vergadering van het Centraal Comité in Constantinopel waarop dit besluit is genomen zijn geen notulen bewaard. Als lid van het Comité kreeg Şakir het echter snel te horen. Dat had een reden, want Şakir was een van de Ottomaanse politici die vanaf eind 1914 voor een eindoplossing van het Armeense vraagstuk hadden gepleit.

 
Geen acuut gevaar

Nadat het principebesluit was gecommuniceerd aan de provinciale gouverneurs, was het wachten op groen licht. In tegenstelling tot de nazi’s, die eufemistische termen als ‘eindoplossing’ en ‘speciale behandeling’ gebruikten wanneer ze het hadden over het uitroeien van de Joden, spraken de Ottomaanse gouverneurs hun genocidale intenties duidelijk uit. Zo schreef de gouverneur van Sivas de centrale regering op 29 maart 1915 dat als er een besluit was genomen ‘dat de ordelijke massale verwijdering en eliminatie verzekert’, hij dat onmiddellijk wenste te horen. Ook liet hij weten voldoende troepen tot zijn beschikking te hebben. ‘Als er een besluit is genomen voor de vernietiging en verplaatsing’ van de Armeniërs, dan was dit ‘het goede moment om zo’n plan uit te voeren’.

De door Akçam onderzochte brieven leveren niet alleen ondersteunend bewijs dat de Armeense genocide echt heeft plaatsgevonden, ze werpen ook een nieuw licht op de beweegredenen van de daders. Al vóór de nederlaag bij Sarikamis waren er in het oostelijke grensgebied moordpartijen op Armeense mannen aan de gang, en drongen de provinciale autoriteiten aan op richtlijnen van de regering. Het principebesluit om alle Armeniërs in het Ottomaanse Rijk uit te roeien werd genomen vóórdat de geallieerden bij Gallipoli aan land gingen. De oorlog speelde vermoedelijk wel een rol, maar op het moment dat de genocide in gang werd gezet bestond er geen acuut gevaar voor het voortbestaan van het Ottomaanse Rijk.
 
Kader 2: Tijdlijn Armeense genocide
1914
28 juli: De Eerste Wereldoorlog begint.
2 augustus: Duitsland en het Ottomaanse Rijk sluiten een geheim bondgenootschap.
2 november: Rusland verklaart het Ottomaanse Rijk de oorlog, nadat de Turkse vloot de Zwarte Zeehavens heeft aangevallen.
November: Irreguliere Ottomaanse troepen vallen Armeniërs aan, moorden, verkrachten en plunderen.
December: Het provinciebestuur van Erzurum pleit voor uitroeiing van potentiële opstandelingen en vraagt om richtlijnen.
22 december: de Slag bij Sarikamis begint.

1915
17 januari: Het Ottomaanse leger bij Sarikamis vlucht.
3 maart: Bahattin Şakir schrijft zijn brief, waarin staat dat de regering heeft besloten de Armeniërs uit te roeien.
18 maart: De geallieerde vloot valt Turkse posities bij de Dardanellen aan.
April-mei: Armeniërs in Van vechten terug. Ze worden uiteindelijk door de Russen ontzet.
24 april: Ottomaanse autoriteiten arresteren in Constantinopel zo’n 235 vooraanstaande Armeniërs.
25 april: ANZAC-troepen gaan bij Gallipoli aan land; ze stuiten op hevige Turkse tegenstand.
Mei-juni: Armeense mannen worden ontwapend, gedeporteerd en afgeslacht. Vrouwen en kinderen worden naar de Syrische woestijn gedeporteerd, waarbij velen omkomen.
September: het Ottomaanse Rijk vaardigt een wet uit om de bezittingen van de gedeporteerden te confisqueren.
 
 
Kader 1: Hitlers inspiratiebron
De Armeense genocide inspireerde Adolf Hitler bij zijn plannen om Oost-Europa etnisch te zuiveren. In 1939 vroeg Hitler, die vond dat het Duitse leger genadeloos tegen de Polen moest optreden, aan zijn generaals: ‘Wie herinnert zich vandaag de dag nog de uitroeiing van de Armeniërs?’

Hitler heeft zijn informatie mogelijk van Max von Scheubner-Richter, die in 1915 als viceconsul in Erzurum getuige was van de Armeense genocide. Deze Duitse diplomaat sloot zich na de Eerste Wereldoorlog bij de nazipartij aan en werd op 9 november 1923 tijdens de Bierkellerputsch in München doodgeschoten.

Een andere Duitse getuige van de Armeense genocide was de officier Armin T. Wegner. Omdat hij te nieuwsgierig was, besloten de Ottomaanse autoriteiten hem het land uit te zetten. Wegner wist echter een heleboel fotonegatieven mee te smokkelen, die hij had verstopt in zijn riem. Zijn foto’s vormen een belangrijk bewijs voor de Armeense genocide. In 1933 schreef Wegner, inmiddels een gevierd schrijver, een brief aan Hitler, waarin hij zorgen uitte over de Jodenvervolging in Duitsland.
 
Kader 3: Nog maar één Hollywood-film
De eerste film die over de Armeense genocide gemaakt werd, was Ravished Armenia (1919). Een groot deel van deze film is verloren gegaan, maar de overgebleven 24 minuten verschenen in 2009 op dvd. De film is gebaseerd op het autobiografische boek Auction of Souls van Aurora Mardiganian, die als meisje de genocide overleefde.

Het bekendste boek over de Armeense genocide is Die vierzig Tage des Musa Dagh (1933) van de Joods-Oostenrijkse schrijver Franz Werfel. Centraal staat de ontsnapping van een groep Armeniërs, die veertig dagen worden belegerd door Turkse troepen, dankzij tussenkomst van de Franse vloot. Het boek werd in nazi-Duitsland al snel verboden.

De Turks-Duitse regisseur Fatih Akin maakte in 2014 The Cut, waarin de zoektocht van een vader naar zijn twee vermiste dochters centraal staat. The Promise uit 2016 is de eerste en tot dusver enige Hollywood-productie over de Armeense genocide. De film werd geregisseerd door Terry George, die in 2004 Hotel Rwanda, maakte over de Rwandese genocide. De ontsnapping van Musa Dagh komt in de film ook aan bod.
 
Meer weten
Killing Orders: Talat Pasha’s Telegrams and the Armenian Genocide (2018) door Taner Akçam
Talaat Pasha: Father of Modern Turkey, Architect of Genocide (2018) door Han-Lukas Kieser
Vervolging, onteigening en vernietiging. De Deportatie van Ottomaanse Armeniërs tijdens de Eerste Wereldoorlog (2007) door Uğur Ümit Üngör