Contact | Adverteren | Login | Klantenservice | Privacy
Log in
Wachtwoord vergeten
Historisch Nieuwsblad 10/2019

Zhenotdel – de vrouwenafdeling van de Communistische Partij van de Sovjet-Unie

Door: Ivo van de Wijdeven
Met deze knop kunt u artikelen toevoegen aan een leeslijst op uw persoonlijke pagina. Klik hier om in te loggen.

Met de Sovjet-Unie was veel mis – maar niet als het ging om vrouwenrechten. Zo had de Communistische Partij vanaf de begindagen een speciale vrouwenafdeling, de Zhenotdel. Vriend en vijand roemde de positie van de Sovjetvrouw. De praktijk was echter vaak weerbarstig, en ook de Zhenotdel was geen lang leven beschoren.


Op 23 februari 1917 trok een stoet van duizenden vrouwen door de straten van de Russische hoofdstad Petrograd, zoals het Duits klinkende Sint-Petersburg sinds het begin van de Eerste Wereldoorlog officieel werd genoemd. Arme textielarbeidsters eisten luidkeels brood en een einde aan de oorlog die al aan zoveel van hun echtgenoten en familieleden het leven had gekost. ‘Geef de kinderen van de verdedigers van het moederland te eten,’ stond op spandoeken. De vrouwen lieten zich niets gelegen liggen aan de politiemacht die hen probeerde tegen te houden.

Gaandeweg sloten ook steeds meer mannen zich aan. Aan het einde van de dag dromden 100.000 demonstranten samen op de Nevski Prospekt, de belangrijkste boulevard van de stad. De toon van het protest veranderde. ‘Weg met de tsaar!’ werd de leuze. Zo begon op Internationale Vrouwendag – een dag die sinds 1910 op de socialistische kalender stond – de Russische Revolutie. Tien dagen later trad tsaar Nicolaas II af.
 

Opbouw van de heilstaat

Vrouwen in de voorhoede van de revolutie, het was een beeld dat de bolsjewieken zeker tijdens de moeilijke geboortestonde van de Sovjet-Unie graag opriepen. In tijdschriften als Rabotnitsa, Kommunistka en Krest’ianka – arbeidster, communiste en boerin – werden Russische vrouwen met ronkende teksten en mooie beloftes aangemoedigd om ook hun bijdrage te leveren aan de opbouw van een communistische heilstaat.

Die tijdschriften kwamen stuk voor stuk uit de koker van de Zhenotdel, de ‘vrouwenafdeling’ (zhenskii otdel) van de Communistische Partij. Binnen deze afdeling waren duizenden vrouwen actief als ‘afgevaardigde’ op alle niveaus van de partij; sommige schattingen gaan uit van 2 miljoen Zhenotdel-afgevaardigden.

De Zhenotdel was in 1919 opgericht door de Raad van Volkscommissarissen, het bolsjewistische kabinet dat later zou uitgroeien tot de ministerraad van de Sovjet-Unie. De initiatiefneemsters waren Aleksandra Kollontaj en Inessa Armand. Terwijl de Russische Burgeroorlog nog in volle hevigheid woedde, bepleitten zij de mobilisatie van vrouwen om de door mannen in het Rode Leger leeg gelaten plekken in de fabrieken en op het platteland in te vullen. De economie was als gevolg van de voor Rusland desastreus verlopen Eerste Wereldoorlog en de daaropvolgende burgeroorlog vastgelopen. Het ontbrak de Russen aan bijna alles. Volgens Kollontaj en Armand moesten vrouwen helpen om het land weer vlot te trekken.



Armand en Kollontaj, 45 en 47 jaar oud, waren bolsjewistische oudgedienden. Ze hadden hun sporen verdiend in de partij en waren al politiek actief ten tijde van de mislukte revolutie tegen het tsaristische bewind in 1905. Bovendien waren zij ook fervente voorvechters van vrouwenrechten. Communisme en feminisme gingen voor hen en veel andere vrouwelijke intellectuelen in de bolsjewistische gelederen hand in hand. Vrouwelijke artsen, docenten en andere hoogopgeleide leden van de lage adel probeerden de positie van vrouwen in de Russische maatschappij al sinds de laatste decennia van de negentiende eeuw te verbeteren, maar de succesjes waren veelal zwaarbevochten. In de revolutie zagen ze de kans om eindelijk de traditionele drie-eenheid van tsaar, kerk en patriarchaat definitief omver te werpen. Het communisme had ook de belofte van gelijkheid tussen man en vrouw in zich.

Omgekeerd waren vrouwen voor de communisten een interessante doelgroep. Tijdens de mislukte revolutie van 1905 staakten vrouwelijke fabrieksarbeiders al zij aan zij met hun mannelijke collega’s. Toen tijdens de Eerste Wereldoorlog het aantal vrouwen in de fabrieken enorm toenam doordat alle mannen naar het front werden geroepen, was dat een belangrijke motivatie om hen met uitgekiende propaganda te winnen voor het communistische ideaal. Immers: hoe meer steun voor de revolutie, hoe beter.
 

Rijzende ster

De ster van Aleksandra Kollontaj was ten tijde van de Oktoberrevolutie hoog gestegen. Ze was een populaire spreker in binnen- en buitenland. Kollontaj was de enige vrouw in het centrale comité dat in oktober 1917 besloot de voorlopige regering die na de protesten in maart was aangetreden omver te werpen. Na de machtsgreep van de bolsjewieken werd ze door Vladimir Lenin hoogstpersoonlijk benoemd tot volkscommissaris voor Sociaal Welzijn.

In de onstuimige eerste maanden na de machtsovername werden op het terrein van vrouwenemancipatie enorme stappen gezet. Vrouwen kregen een gelijke juridische én politieke status. Discriminatie werd verboden. Vrouwen kregen bijvoorbeeld gelijke rechten bij het verdelen van het land van grootgrondbezitters. Het huwelijk werd niet langer in de kerk, maar op het stadhuis geregistreerd. Abortus werd gelegaliseerd en was zelfs gratis in staatsziekenhuizen. Daarnaast loodste Kollontaj zwangerschapsverlof, kraamzorg en kinderbijslag voor jonge moeders door de Raad van Volkscommissarissen.

Toen kreeg de uitgesproken Kollontaj het echter aan de stok met Lenin, omdat ze ongezouten kritiek uitte op de voor de Russen zeer nadelige Vrede van Brest-Litovsk met Duitsland. In maart 1918 vertrok ze met slaande deuren uit de Raad.

Op papier was de Sovjet-Unie in wording op dat moment het meest vooruitstrevende land ter wereld als het ging om vrouwenrechten. Maar het was ondertussen ook verzeild geraakt in een verwoestende burgeroorlog. Tegen die achtergrond kwamen Armand en Kollontaj met het idee voor de Zhenotdel. ‘De bevrijding van vrouwelijke arbeiders is onlosmakelijk verbonden met de overwinning van het proletariaat. En die overwinning is ondenkbaar zonder deelname van vrouwen aan de strijd,’ aldus Armand.
 

Inessa Armand werd het eerste hoofd van de Zhenotdel. Het gerucht circuleerde dat ze de minnares van Lenin was, en boze tongen beweerden dat ze daar ook haar positie aan te danken had. Toen de onvermoeibare Armand in de herfst van 1920 overleed aan cholera, mocht Kollontaj haar ondanks de eerdere ruzie met Lenin toch opvolgen. Zolang de burgeroorlog nog niet gewonnen was, was het voor de bolsjewieken simpelweg alle hens aan dek.

Zhenotdel-afgevaardigden deden tijdens de burgeroorlog veel vrijwilligerswerk. Ze verzorgden gewonden in ziekenhuizen en haalden in steden afval op. Maar Kollontaj keek ook naar de toekomst. Ze maakte van de Zhenotdel de spreekbuis voor communistische ideeën over vrouwenemancipatie en de centrale spil in de wervingscampagne voor vrouwelijke leden van de partij.
 

Miljoenen weduwes

Dat was geen makkelijke taak, want door de ontberingen van de burgeroorlog hadden veel Russische vrouwen – en dan vooral die op het platteland – maar weinig op met de communisten. De economie zat aan de grond en legers trokken plunderend door het land, met ziektes als tyfus en cholera in hun kielzog. In grote delen van Rusland heerste hongersnood. Miljoenen vrouwen waren weduwe geworden als gevolg van het oorlogsgeweld.



De communistische heilstaat was voor deze vrouwen nog heel ver weg en ze hadden wel wat anders aan hun hoofd dan vrouwenemancipatie, ook toen de burgeroorlog eenmaal in het voordeel van de communisten was beslecht. De Zhenotdel speelde daarop in door in grootschalige voorlichtingscampagnes – duizenden afgevaardigden reisden stad en land af – vrouwen niet alleen op de hoogte te brengen van hun nieuwe rechten in de Sovjet-Unie, maar ook praktische zaken te bespreken als de bestrijding van alcoholisme, misbruik, prostitutie, ongeletterdheid, ziekte en ongedierte.

Dankzij Lenins Nieuwe Economische Politiek (NEP), waarbij het strakke oorlogscommunisme tot afschuw van rechtlijnige communisten werd ingeruild voor grotere economische vrijheid, ging het vooral Russen op het platteland al snel wat beter. Dat maakte het werk van de vrouwelijke Zhenotdel-afgevaardigden wat gemakkelijker, maar het kwam zeker in afgelegen boerendorpen vaak genoeg voor dat de ‘stadse dames’ met pek en veren overladen werden weggejaagd.

Dat gold zeker voor de Zhenotdel-afgevaardigden die afreisden naar de Sovjetrepublieken in Centraal-Azië. Juist in van oudsher islamitische regio’s als Oezbekistan was de combinatie van het seculiere communisme en vrouwenemancipatie olie op het vuur. Tradities als gearrangeerde huwelijken stonden lijnrecht tegenover het communistische en feministische gelijkheidsideaal.

De Zhenotdel hoopte meerdere vliegen in één klap te slaan door ontsluiering aan te moedigen. Bevrijd van hun sluier zouden de vrouwen in Centraal-Azië ook moderne Sovjetburgers kunnen worden. Maar zij die daadwerkelijk gehoor gaven aan de oproep van de Zhenotdel om hun sluier af te doen, werden vaak verstoten door hun familie – alleen bedelaars en prostituees gingen traditioneel ongesluierd over straat – en moesten hun daad soms zelfs met de dood bekopen.

 
Vrouwelijke betweters

Op papier waren man en vrouw in de Sovjet-Unie dan wel gelijk, maar in de praktijk reikte de machtige arm van Moskou nog niet tot in alle uithoeken van het land. En zelfs waar dat wel het geval was, zaten lokale mannelijke apparatsjiks vaak helemaal niet te wachten op vrouwelijke betweters. Op lokaal niveau werd de Zhenotdel vaak op uiteenlopende manieren tegenwerkt.
 

Emancipatie – Vrouwen kregen in de Sovjet-Unie een gelijke juridische en politieke status; discriminatie werd verboden

Zo was het voor fabrieken weliswaar verplicht om te voorzien in kinderopvang en zwangerschapsverlof, maar door domweg geen vrouwen aan te nemen kon de tijdrovende administratieve rompslomp die daarmee was gemoeid ook achterwege blijven. Arbeidskrachten waren er na het einde van de burgeroorlog toch wel genoeg, toen mannen in groten getale terugkeerden van het front.

In de Zhenotdel-propaganda verschoof het accent in de jaren twintig naar de zegeningen van industrialisatie en landbouwcollectivisatie. Vrouwelijke arbeiders werden net als hun mannelijke collega’s opgeroepen te streven naar een zo hoog mogelijke productie, maar de realiteit was dat onder vrouwen vooral de werkloosheid een stijgende lijn vertoonde.
Tegelijkertijd ging er vanuit de Communistische Partij steeds minder geld naar de Zhenotdel. Daarbij wreekte het zich dat de organisatie zelfs door de oprichters als een tijdelijk fenomeen was bedoeld. ‘Wanneer vrouwen bewuster worden en actiever deelnemen aan de opbouw van de Sovjetstaat, zullen de Zhenotdel en propaganda specifiek gericht op vrouwen niet langer nodig zijn,’ aldus een leerstuk uit 1922.

In dat jaar werd Kollontaj vanwege kritiek op de NEP weggepromoveerd naar de diplomatieke dienst. Vanuit het buitenland moest ze met lede ogen toezien hoe Lenins opvolger Jozef Stalin de taken van de Zhenotdel stapsgewijs overhevelde naar het propagandaministerie.

 
Feminisme uit de mode

In 1930 werd de emancipatie van vrouwen voltooid verklaard. De Zhenotdel werd opgeheven. Vooral in de Russische steden hadden vrouwen tegen die tijd op grotere schaal toegang tot beter onderwijs en tot beroepen die voorheen vooral werden vervuld door mannen. Vrouwelijke ambtenaren, artsen, onderwijzers en verkopers waren niet langer een uitzondering. Sovjetvrouwen stonden hun mannetje: gelijke rechten binnen het huwelijk leidden tot een groter aantal echtscheidingen en kleinere gezinnen.

In de turbulente jaren na de revolutie leek alles mogelijk, maar onder Stalin stabiliseerde de Sovjet-Unie. Jonge revolutionairen leken ook hun wilde haren te zijn verloren. Voor Stalin was het gezin de hoeksteen van de samenleving, dus het traditionele gezin werd weer het ideaalbeeld. En het overgrote deel van de bevolking vond dat eigenlijk ook wel prima.
De opvolgsters van Kollontaj protesteerden niet toen Stalin de stekker uit de Zhenotdel trok. Radicaal feminisme was definitief uit de mode. Tijdens de Grote Terreur (1936-1938) zou bovendien pas echt blijken hoe gevaarlijk het was om kritiek te uiten op Stalin. Honderdduizenden burgers verdwenen in werkkampen of belandden voor het vuurpeloton.

Zelfs de mondige Kollontaj leek zich daar maar al te bewust van toen ze in 1946 – zes jaar voor haar dood – schreef: ‘Iedereen weet dat de Sovjet-Unie uitzonderlijke successen heeft geboekt door vrouwen bij de opbouw van de staat te betrekken. Zelfs onze vijanden betwisten dat niet. De Sovjetvrouw is een volledig gelijke staatsburger. Door geen beperkingen op te leggen heeft onze staat tegelijkertijd de voorwaarden geschapen die een vrouw nodig heeft om haar natuurlijke plicht te vervullen – die van een moeder die haar kinderen opvoedt en het huishouden bestiert.’

Ondanks de revolutionaire start bleek de Sovjet-Unie uiteindelijk een stuk traditioneler dan de propaganda in Rabotnitsa, Kommunistka en Krest’ianka deed vermoeden.
 
Ivo van de Wijdeven is historicus en politiek analist.