Contact | Adverteren | Login | Klantenservice | Privacy
Log in
Wachtwoord vergeten
maandag 11 februari 2019

Voorpublicatie: Een liefde in Dresden - Michel Veering

Met deze knop kunt u artikelen toevoegen aan een leeslijst op uw persoonlijke pagina. Klik hier om in te loggen.

In Een liefde in Dresden ontrafelt Michel Veering de bijzondere liefdesgeschiedenis van zijn ouders Jan en Therese. Zij overleefden het bombardement op Dresden, waarna ze elkaar uit het oog verloren maar niet loslieten. Hieronder leest u een voorpublicatie uit het boek, dat ook unieke ooggetuigenverslagen van het beruchte bombardement bevat.

Eind 1944 leert de jonge Jan Veering, die als dwangarbeider in Dresden werkt, de half-joodse Therese uit Oostenrijk kennen. Het is liefde op het eerste gezicht. Maar veel tijd is ze niet gegund: in de nacht van 13 februari 1945 breekt de hel los. Met een van de grootste bombardementen van de oorlog verwoesten de geallieerden de stad. Tienduizenden mensen komen om. Jan en Therese zitten gevangen in een allesverzengende vuurstorm, die ze als door een wonder overleven.

Na de oorlog keren ze beiden door de puinhopen van het verscheurde Europa terug naar huis: hij naar Haarlem, zij met haar moeder via Praag naar Wenen. Jan en Therese verliezen elkaar uit het oog, maar laten elkaar niet los. Ze blijven brieven schrijven totdat ze elkaar een jaar later eindelijk terugzien. Ditmaal voorgoed.

Tientallen jaren later vindt Michel Veering, de zoon van Jan en Therese, in een hutkoffer in de kelder brieven, een dagboek en enkele half verbrande foto’s. Voor het eerst leest hij het dramatische verhaal van de intense liefde tussen zijn ouders die, koste wat kost, dwars tegen de grote krachten van de geschiedenis in, met elkaar verder wilden leven.

Een liefde in Dresden is naast een uniek ooggetuigenverslag van het beruchte bombardement een verhaal van een liefde alles overwon. Hieronder leest u enkele passages uit het boek.

***

Inferno


Dresden, 13 februari 1945

Hilde vertelt:

Het is 22.00 uur (meestal liggen we dan al in bed) als plotseling de sirenes beginnen te loeien. We pakken gauw onze spullen en rennen de trappen af naar de schuilkelders onder het huis. Mijn dochter Therese gaat nog een keer terug naar boven om het rode tasje te halen met al onze papieren en documenten erin, die we toevallig net hebben bekeken. Terwijl ik in het trappenhuis op haar wacht, zie ik door de lichtkoepels dat het buiten plotseling helemaal licht is.

We horen ook bommen inslaan en ik ben bang dat er misschien brandbommen op het dak zijn gevallen. Uit alle appartementen zijn de bewoners al de kelder in gevlucht. Weer horen we het geluid van inslaande bommen, dan is er een korte pauze. Therese en ik gaan naar de ingang van de kelder, op dit late uur lijkt het alsof het buiten midden op de dag is. Alles is felverlicht en we zien hoe honderden lichtkogels door de wind meegenomen worden. Er staat iets verschrikkelijks te gebeuren.

Na een paar minuten horen en voelen we enorme inslagen. We hebben de schuilkelder nog niet bereikt wanneer er een bom op ons huis valt. Het is meteen donker en de lucht is vol met kalk, die ons de adem beneemt. Door een volgende dreun worden de deuren uit hun sponningen geslagen en daardoor komt er ineens frisse lucht naar binnen en kunnen we weer ademen. Ik ben in de keldergang voor de schuilkelder gebleven en Therese en onze huishoudster Mia staan bij de deur naar de binnenplaats, ook nog buiten de echte schuilkelder. Therese roept: ‘Mama, mama!’ Ik kruip over een berg tegels naar haar toe; het gaat maar door, knal na knal en daartussen geloei, gesuis en andere herrie. Mia kijkt me met angstige ogen aan.

Plotseling hoor ik iemand roepen: ‘Hier ligt buurvrouw Peppelmann, ze kan niet weg!’ Maar die blijft zelf heel kalm en zegt: ‘Laat me hier maar liggen tot het wat rustiger is’, waardoor ik me helemaal niet realiseer dat er iets ergs met haar is gebeurd. Kort daarop blijkt dat het plafond van de schuilkelder en van de andere kelder waar we allerlei spullen hebben opgeborgen, is ingestort. Alle mensen in de schuilkelder zijn eronder bedolven. Mevrouw Peppelmann stond op dat moment naast de ingang. Nu liggen haar benen onder een zware tafel en haar bovenlichaam steekt uit de deuropening de voorkelder in. Iemand rent de straat op en roept om hulp. Algauw komen er een paar mannen met grote haken waarmee ze proberen de mensen vanonder het puin te bevrijden.

Opeens begin ik verschrikkelijk te trillen. Half verdoofd door alle bominslagen dring ik erop aan dat wij zo snel mogelijk naar buiten moeten zien te komen. Dat lukt via de portierswoning en eenmaal op straat zien we dat er overal branden woeden. Het gebouw naast ons is helemaal niet beschadigd maar voor de hoofdingang van ons huis ligt een enorme hoop puin, de helft van het gebouw is weggereten; waar eens het dak van ons appartement was, zien we alleen nog maar de helverlichte lege lucht...

Therese weet toch nog haar fiets uit de kelder te halen en bij toeval vindt ze daar ook het rode tasje, dat ze in de verwarring was kwijtgeraakt.

De spullen die in onze kelder staan halen  we later wel op, tenminste, als ze er dan nog zijn.

Therese, onze huisgenote Christa, Mia en ik proberen een open plek te bereiken waar we buiten het bereik van de vlammen zijn. Doelloos lopen we heen en weer door de straten, overal wordt de weg versperd door een enorme vuurzee.

Therese wil alleen maar weg en zegt: ‘We moeten naar tante Henny gaan om te kijken of ze nog leeft.’

Bannerafbeelding: Therese (midden) en Jan (rechts), 11 maart 1945 in Dresden.