Contact | Adverteren | Login | Klantenservice | Privacy
Log in
Wachtwoord vergeten
donderdag 24 januari 2019

Voorpublicatie: De tempeliers - Dan Jones

Strijders voor Jeruzalem

Door: Dan Jones
Met deze knop kunt u artikelen toevoegen aan een leeslijst op uw persoonlijke pagina. Klik hier om in te loggen.

Keer op keer werden kruisvaarders in het Heilige Land aangevallen door vijandige buurvolken. Een nieuwe orde van gewapende pelgrims kreeg daarom de opdracht Jeruzalem te beschermen. Deze tempeliers groeiden uit tot de machtigste militaire orde ooit.

De Orde van de Arme Ridders van de Tempel werd in 1119 in Jeruzalem opgericht en in 1120 officieel erkend. Maar vrijwel niemand nam er notitie van. De tempeliers ontstonden niet in reactie op de eisen of verlangens van het volk en waren ook niet het product van vooruitziende planning van de ontluikende kruisvaardersstaten en de religieuze autoriteiten van de westerse christenheid. Geen van de overgeleverde kronieken uit de tijd onmiddellijk na de oprichting, hetzij christelijk, hetzij islamitisch, besteedde aandacht aan de vroegste activiteiten van de orde. En toen het verhaal over het ontstaan ervan enkele generaties later alsnog werd opgetekend, werd het gekleurd door wat de orde inmiddels was geworden. Het gebrek aan aandacht mag geen verbazing wekken. Net als de heersers en inwoners van Jeruzalem hadden de historici en geruchtenverzamelaars van het Heilige Land in het jaar 1120 andere en grotere zorgen aan hun hoofd.

De kruisvaarders die in het Oosten verbleven om het Heilige Land te besturen, waren buitenlandse indringers die hun gezag probeerden te vestigen over een gemengde bevolking van soennieten, sjiieten, Joden, Grieks- en Syrisch-orthodoxe christenen, Samaritanen en arme kolonisten uit heel Europa. Het was een samenleving die verdeeld was naar taal, religie, cultuur en loyaliteiten, en waarin iedereen zich probeerde te handhaven in een natuurlijke omgeving die zich soms ook tegen vestiging leek te verzetten.

In 1113 en 1114 werden Syrië en Palestina door zware aardbevingen getroffen die hele steden met de grond gelijkmaakten en mensen onder de ingestorte gebouwen bedolven. Vrijwel elke lente was er sprake van muizenplagen en zwermen sprinkhanen die de wijngaarden en velden kaalvraten en de bast van de bomen knaagden. Van tijd tot tijd kleurden vreemde verduisteringen de maan en de lucht bloedrood. Al deze dingen hadden invloed op de bijgelovige gemoederen van de kolonisten. Het was alsof het land de kruisvaarders eruit wilde gooien en van de hemel verlangde dat die hen voor hun verovering zou bestraffen.

De kwestie van veiligheid was even ernstig als de plagen en voortekenen. In de twintig jaar na de verovering van Jeruzalem en de stichting van hun vier kruisvaardersstaten waren de Franken gedwongen geweest hard te vechten om langs de kust voet aan de grond te krijgen. Er waren een paar grote successen geboekt: de steden Akko, Beiroet en Tripoli waren ingenomen, mede dankzij de regelmatige toevloed van troepen uit het christelijke Westen. Maar deze indrukwekkende territoriale successen konden de realiteit van het leven onder de brandende zon aan de Levantijnse kust niet veranderen. Het bleef onvoorspelbaar en gewelddadig.

In 1118 overleed Boudewijn I, de eerste koning van Jeruzalem. Drie weken later stierf ook Arnulf, patriarch van Jeruzalem en hoofd van de Latijnse kerk in het koninkrijk. De twee mannen werden respectievelijk opgevolgd door de graaf van Edessa, een ervaren kruisvaarder, die koning Boudewijn II werd, en Warmund van Picquigny, een bevlogen geestelijke uit een vooraanstaande familie in Noord-Frankrijk. Zij waren beiden imponerende persoonlijkheden, maar de opvolging lokte niettemin gelijktijdige invallen uit van de Seltsjoeken in Oost-Syrië en de Egyptische Fatimiden. Het betekende het begin van een nieuwe ronde van schermutselingen en oorlogvoering. De verdediging van het koninkrijk vergde veel mankracht en moraal, en de christelijke strijdkrachten werden voortdurend overbelast. De kroniekschrijver Fulcher van Chartres beschouwde het als ‘een wonderbaarlijk mirakel dat we te midden van zoveel duizenden en duizenden [vijanden] overleefden’.
 

700 pelgrims rennen in extase de woestijn in om God te danken

In het jaar 1119 stonden de zaken er slechter voor dan ooit, wat te wijten was aan twee bijzonder ernstige gebeurtenissen. De eerste vond plaats op Heilige Zaterdag, 29 maart, na het wonder van het hemelse vuur in de Heilig Grafkerk. Tijdens dit jaarlijkse ritueel begon een olielamp die naast de rots met het graf van Christus werd bewaard op paasavond spontaan te branden. Vervolgens werden de kaarsen en de lampen van de gelovigen die getuige waren van het wonder met de heilige vlam aangestoken. Daarna renden 700 pelgrims in extase vanuit de kerk de woestijn in om in de rivier de Jordaan te baden en God te danken.

De Jordaan ligt op ongeveer 32 kilometer van de oostelijke muur van Jeruzalem, en de pelgrims bereikten hun bestemming nooit. De kroniekschrijver Albert van Aken tekende op dat ze toen de bergen waren afgedaald naar ‘een plaats van eenzaamheid’ dicht bij de rivier, er gewapende en zeer woeste Saracenen uit Tyrus en Askelon verschenen, twee steden die nog in handen van de moslims waren. Ze vielen de pelgrims aan, die ‘vrijwel ongewapend’ waren, ‘moe na een reis van vele dagen en verzwakt door hun vasten in Jezus’ naam’. Het was niet eens een gevecht. ‘De verdorven slachters achtervolgden hen, doodden driehonderd [pelgrims] met het zwaard en namen zestig gevangen,’ schreef Albert.

Zodra Boudewijn II over de wandaad hoorde, stuurde hij onmiddellijk troepen uit Jeruzalem om wraak te nemen, maar hij was te laat. De aanvallers zaten alweer veilig in hun verschansingen, telden hun gevangenen en verheugden zich over de buit van hun plundertocht.

Nauwelijks twee maanden later kwam er nog meer vreselijk nieuws uit het noorden. Op 28 juni 1119 trok een groot christelijk leger dat in Antiochië lag bij Sarmada in Noordwest-Syrië ten strijde tegen een leger onder aanvoering van de Artuqidische heerser Ilghazi, een dronkenlap maar ook een gevaarlijke generaal die het nabijgelegen Aleppo in handen had. Volgens een ooggetuige werd de slag uitgevochten tijdens een hevige zandstorm: een ‘wervelwind [...] die zichzelf omhoogwentelde als een enorme kruik op een pottenbakkersschijf, oplaaiend van vuur en zwavel’.

De christenen werden massaal in de pan gehakt. Hun aanvoerder, Rogier van Salerno, werd ‘door het zwaard van een ridder midden door zijn neus tot in zijn hersenen geraakt’ en stierf onmiddellijk. Overal om hem heen lag het land bezaaid met lijken en stervende paarden die door zoveel pijlen waren geraakt dat ze op stekelvarkens leken. ‘De ruiterij werd verpletterd, de infanteristen [werden] in stukken gehakt en de volgers en dienaren allemaal gevangengenomen,’ schreef de Arabische historicus Ibn al-Adim met instemming. Maar dat was nog niet alles.

Na de slag werden een paar honderd christelijke gevangenen met hun nekken aan elkaar gebonden, waarna ze door de verzengende hitte moesten marcheren, gekweld door het zicht op een watervat waaruit ze niet mochten drinken. Sommigen werden doodgeslagen, anderen gevild, weer anderen gestenigd of onthoofd. Fulcher van Chartres schatte dat er in totaal zevenduizend christenen werden gedood, en slechts twintig mannen van Ilghazi. Zijn getallen zijn misschien overdreven, maar de demoraliserende nederlaag werd later onder de Franken bekend als de Bloedakker. De nederlaag bij Sarmada was niet alleen voor de christenen van Antiochië een afschuwelijk moment, maar voor alle Franken in het algemeen. Uit de ervaring sproot echter ook een idee voort dat tot de kern van de tempeliersideologie zou gaan behoren.
 

Het land ligt bezaaid met stervende paarden, die door zoveel pijlen zijn geraakt dat ze op stekelvarkens lijken

Na de slag waren er noodmaatregelen vereist om verdere verliezen in Antiochië te voorkomen. Ilghazi bereidde een directe aanval op de stad voor. Walter de Kanselier, een hoge ambtenaar uit Antiochië, had de slag om de Bloedakker vrijwel zeker meegemaakt en werd zeer waarschijnlijk gevangengenomen. ‘Vrijwel de hele strijdmacht van Frankische inwoners ging verloren,’ schreef hij. Er was dringend om militaire bijstand van het koninkrijk Jeruzalem gevraagd, maar het zou uiteraard tijd vergen voordat die arriveerde.

Het was Bernard van Valence, de eerste Latijnse patriarch van Antiochië, die het vacuüm vulde. Bernard was een van de hoogste geestelijken in de kruisvaardersstaten. Hij werd in 1100 patriarch, nadat de westerse invasiemacht die Antiochië veroverde en de Grieks-orthodoxe patriarch had verjaagd, een eigen man had geïnstalleerd die de tradities van de roomse kerk volgde. In de jaren daarna had hij vaak christelijke legers geholpen zich spiritueel op de strijd voor te bereiden. Hij preekte voor de soldaten en nam de biecht af bij degenen die tijdens de oorlogen bloed hadden vergoten. Maar nu moest hij geen zielen redden, maar zijn stad.

‘Noodzakelijkerwijs kwam het volledig op de geestelijkheid aan,’ schreef Walter de Kanselier, en dat was geen loutere retoriek. Terwijl Ilghazi zijn troepen verzamelde, nam de patriarch in Antiochië het militaire opperbevel op zich. Hij kondigde een avondklok af en verbood iedereen in de stad wapens te dragen, behalve de Franken. Daarna zorgde hij ervoor dat elke verdedigingstoren van Antiochië ‘onmiddellijk [werd] bezet met monniken en geestelijken’, ondersteund door alle inzetbare christelijke leken die er te vinden waren. Bernard zorgde ervoor dat er constant gebeden werd ‘voor de veiligheid en verdediging van het christelijke volk’, en terwijl dit alles werd georganiseerd, bleef hij ‘onophoudelijk [...] dag en nacht met zijn gewapende geestelijken en ridders als een soldaat afwisselend de poorten, omwallingen, torens en muren bezoeken’.

Dit was eerder de aanpak van een echte militaire bevelhebber dan de verdedigende maatregel van een man van de kerk. En het was verbluffend succesvol. Toen hij zag hoe goed de stad verdedigd werd, blies Ilghazi de aanval af. De korte adempauze in de vijandelijkheden gaf Boudewijn II de kans om troepen te verzamelen en de strijd over te nemen. Antiochië was gered. In de woorden van Walter de Kanselier ‘speelde [...] de geestelijkheid de militaire rol zowel naar binnen als naar buiten wijs en ijverig, en hield zij de stad met Gods kracht onaangeroerd door de vijand’. Het was een voorproefje van wat er komen zou.

Het idee dat geestelijken niet alleen met het gebed, maar ook met dodelijke wapens de strijd in gingen, was niet nieuw. Het getuigde van de al meer dan duizend jaar oude spanning in de kern van het christelijke denken: het vredelievende voorbeeld van het leven van Christus tegenover de strijdvaardige mentaliteit die uit de christelijke retoriek en geschriften sprak. En het beeld van de strijdende geestelijke was ook een vanzelfsprekende consequentie van de ideeën waarop de kruisvaardersbeweging geënt was.

Op het eerste gezicht was het christendom een vredelievend geloof. Jezus had zijn discipelen tenslotte zelfs onder de extreemste omstandigheden terechtgewezen omdat ze naar geweld grepen, en hun opgedragen hun wapens tijdens zijn arrestatie in de hof van Getsemane in de schede te laten. ‘Wie naar het zwaard grijpt, zal door het zwaard omkomen,’ had hij gezegd. Maar in de decennia onmiddellijk na zijn dood spoorde de apostel Paulus de inwoners van Efeze aan om zich te wapenen met ‘de gerechtigheid als harnas om uw borst’, de ‘helm [als] de verlossing’ en ‘als zwaard de Geest, dat wil zeggen: Gods woorden’. De strijd die Paulus propageerde, was eerder geestelijk dan fysiek, maar de termen van de christelijke ideologie waren direct aan oorlogstaal ontleend.
 

'Als een geesteijke de wapens opneemt in een geval van zelfverdediging, wordt hem geen enkele schuld aangerekend'

De voorstelling van het christelijk bestaan als een kosmische, spirituele strijd – een gevecht tegen de duivel – was prominent aanwezig in de wereldvisie van veel grote christelijke denkers uit de laatklassieke wereld, zoals Ambrosius en Augustinus van Hippo. Dat was ook niet zo verrassend wanneer we bedenken hoe vaak de gelovigen in de eerste eeuwen van de opkomst van het christendom gedwongen waren om lichamelijk geweld te gebruiken of te verduren, hetzij in de Romeinse amfitheaters, hetzij in de doodsstrijd van het martelaarschap. Het martelaarschap was zelfs iets bewonderenswaardigs geworden en een belangrijk kenmerk van heiligheid.

Ten tijde van de Eerste Kruistocht was de christelijke strijd niet slechts een beeld, maar realiteit. De christelijke maatschappijen van Europa waren rond de krijgerskaste van de ridders gestructureerd, en ook geestelijken stelden zich soms niet langer tevreden met de strijd van de ziel, maar gingen zich directer met oorlogvoering bezighouden. Op het woelige strijdtoneel in Syrië en Palestina werd elke beperking voor christenen om wapens te dragen in de praktijk steeds onhoudbaarder. Om te beginnen was een van de pijlers onder het bestaan van de kruisvaardersbeweging het alom geaccepteerde idee van de christelijke heilige oorlog die door leken werd gestreden voor geestelijk gewin.

Opeenvolgende pausen hadden dit uitgewerkt tot een praktische filosofie van het christelijk geweld, die zich in de Eerste Kruistocht concreet manifesteerde. Leken die de moslims in het Oosten gingen bevechten, werden beschreven als mannen die zich aan ‘het leger van Christus’ (militia Christi) hadden verbonden, of aan het ‘evangelische leger’ (evangelicam militiam).

Als vechtende mannen dus ‘heilig’ konden worden, was het nog maar een kleine stap om zich omgekeerd voor te stellen dat ‘heilige’ mannen ook konden vechten. En gezien de beperkte middelen waarover de kruisvaardersstaten in de jaren twintig van de twaalfde eeuw beschikten, was het eenvoudig noodzakelijk om toe te laten dat geestelijken van tijd tot tijd wapens hanteerden, zoals patriarch Bernard in Antiochië had gedaan. Enkele maanden later, tijdens een grote vergadering van geestelijke en wereldlijke leiders in het koninkrijk Jeruzalem, werd het idee van geestelijken die wapens droegen voor het eerst geïnstitutionaliseerd.

Het Concilie van Nabloes kwam op 16 januari 1120 bijeen onder leiding van koning Boudewijn II en Warmund, de Latijnse patriarch van Jeruzalem. Het werd bijgewoond door veel van de hoogste geestelijken in het Heilige Land. Het doel van de kerkvergadering in Nabloes (een stadje in een vallei tussen twee bergen in Centraal-Palestina) was een aantal geschreven wetten – zogenoemde ‘canons’ – op te stellen aan de hand waarvan het koninkrijk juist geregeerd kon worden, op een manier die God welgevallig zou zijn.

Het concilie produceerde 25 decreten die in eerste instantie vooral betrekking hadden op de afbakening van bevoegdheden tussen de wereldlijke en de geestelijke autoriteiten en die vooral handelden over seksualiteit. Er werden verklaringen opgesteld tegen zonden als overspel, sodomie, bigamie, souteneurschap, prostitutie, diefstal en seksuele relaties met moslims, waarbij de voorgeschreven bestraffingen varieerden van boetedoening en verbanning tot castratie en de neus afsnijden.

Tussen deze decreten was ook een uitspraak opgenomen die van fundamenteel belang zou worden voor het ontstaan en de geschiedenis van de tempeliers. Canon 20 stelde in de eerste regel: ‘Als een geestelijke de wapens opneemt in een geval van zelfverdediging, wordt hem geen enkele schuld aangerekend.’ De tweede regel suggereerde dat dit als een tijdelijke noodzakelijkheid werd opgevat en dat het verruilen van de verplichtingen van de geestelijke voor die van de soldaat uitsluitend onder grote druk mocht plaatsvinden. Geestelijken die hun tonsuur permanent vaarwel zeiden om ridder te worden of zich bij seculiere gemeenschappen aan te sluiten, konden door de patriarch en de koning worden bestraft. Maar in de context van de vroege maanden van 1120 was dit zeer zeker een betekenisvol decreet.

De mannen in Nabloes werkten niet slechts wetten en morele regels voor het Heilige Land uit, maar plantten in de teksten ook het zaadje van een revolutionaire gedachte, die veel later zou uitgroeien tot de overtuiging – en het feit – dat religieuze mannen onder de wapenen konden dienen als een belangrijke pijler in de verdediging van de kruisvaardersstaten.

‘Aan het begin van de regering van Boudewijn II kwam er een Fransman uit Rome naar Jeruzalem om te bidden,’ schreef de geestelijke Michael de Syriër in de late twaalfde eeuw. De naam van de Fransman was Hugo van Payns. Hij was iets voor 1070 geboren, waarschijnlijk in het dorpje Payns, dicht bij Troyes, ongeveer 145 kilometer ten zuidoosten van Parijs, in het graafschap Champagne. We weten weinig meer over zijn vroegere leven dan dat hij een rang had die hoog genoeg was om als getuige charters voor plaatselijke edelen in Frankrijk te ondertekenen.
 

Als Michael de Syriër gelijk heeft, was Hugo van Payns toen het Concilie van Nabloes in januari 1120 bijeenkwam ongeveer even lang in het Heilige Land als Boudewijn II koning was – zo’n twintig maanden. Het was lang genoeg geweest om alle heiligdommen te bezoeken, de gevaren van de streek te leren kennen, en – kennelijk – te besluiten dat hij niet over de van piraten wemelende Middellandse Zee naar huis zou vluchten, maar een groot deel van zijn resterende jaren als lid van de Frankische bezettingsmacht in Jeruzalem zou doorbrengen. Zijn plan was om eerst in het koninklijke leger te dienen en zich vervolgens uit het harde soldatenleven aan het front terug te trekken om monnik te worden.

Hugo nam die beslissing niet als enige. Er waren op dat moment andere mannen van ridderlijke stand in Jeruzalem en zij begonnen samen te komen op de meest voor de hand liggende plaats waar alle reizigers en nieuwkomers van alle achtergronden en nationaliteiten elkaar ontmoetten: de Heilig Grafkerk.

En ze deden meer dan alleen samenkomen. Het lijkt erop dat een handjevol uitheemse ridders in Jeruzalem een soort losse broederschap had gevormd, van het soort dat in de voorafgaande eeuw in het Westen was ontstaan met het doel kerken en heiligdommen tegen rovers te beschermen. Ze hadden een eed van gehoorzaamheid afgelegd voor Gerard, de prior van de Heilig Grafkerk en hun gastvrije beschermheer, van wie ze afhankelijk waren voor hun dagelijkse levensonderhoud.

Ze waren, strikt gesproken, geen geestelijken, maar eerder stevige krijgerpelgrims die konden vechten en die het opmerkelijke besluit hadden genomen om verder te gaan dan de normale geloften van een kruisvaarder en een quasimonastiek leven van boetedoening, armoede, gehoorzaamheid en plichtsbetrachting te gaan leiden.

Begin januari 1120 heerste het gevoel dat deze religieus georiënteerde soldaten te weinig werden ingezet. Een latere schrijver karakteriseerde het dagelijkse leven van Hugo van Payns en zijn metgezellen in die tijd als tijdverspilling in werkeloze frustratie: ‘Drinken, eten, tijd [...] verspillen en nietsdoen’ bij de Heilig Grafkerk. Als het inderdaad zo ging, was het een beschamende verkwisting van talent. Er bestond op dat moment al een orde van benedictijner monniken die zich in het Hospitaal van Sint-Jan van Jeruzalem aan de verzorging van zieken en gewonden wijdden.

Deze orde van de hospitaalridders was in 1113 officieel door de paus erkend en werkte vanuit een locatie niet ver van de Heilig Grafkerk. Ze waren nog geen soldaten, hoewel ze dat later wel zouden worden, maar ze leverden hun bijdrage aan het leven in Jeruzalem al generaties lang en werden erom gewaardeerd. Een orde van gewapende begeleiders moet een welkome aanvulling hebben geleken, die het werk van de hospitaalridders zou verlichten en de omstandigheden voor de duizenden pelgrims die door de streek trokken verder kon verbeteren.

Rond de tijd van het Concilie van Nabloes werd beslist dat deze vrome broederschap van ridders niet aan de Heilig Grafkerk zou worden verbonden, maar onafhankelijk zou worden en de middelen zou krijgen om zich te voeden en te kleden. Bovendien kregen de broeders toegang tot priesters die op de juiste uren van de dag bij hen konden voorgaan in gebed, en een verblijfplaats in een van de vooraanstaande wijken van Jeruzalem.

De kroon zou helpen met de middelen voor hun levensonderhoud, maar hun belangrijkste taak zou van gelijk belang zijn voor de koning, de patriarch en iedere andere christelijke bezoeker van het Heilige Land. In de bewoordingen van het charter dat in 1137 werd opgesteld, zouden ze verantwoordelijk zijn voor ‘de verdediging van Jeruzalem en de bescherming van pelgrims’. Als kleine groep van lijfwachten annex bedelbroeders zouden zij zich alleen nog op wapens en het gebed richten: de tempeliers hadden nu een doel.
 



Dan Jones
De Tempeliers. De opkomst en ondergang van de tempelridders

480 pagina's
€ 30
Bestel dit boek nu in onze webshop


 

Welkom bij Historisch Nieuwsblad!

Maak nu gratis kennis met de journalistiek van Historisch Nieuwsblad. In dit dossier hebben wij de mooiste verhalen uit ons archief voor u gebundeld. Lees bijvoorbeeld hoe de Stasi tijdens de Koude Oorlog spioneerde in Nederland, waarom we 1968 kunnen bestempelen als rampjaar en wat ooggetuigen van de Tachtigjarige Oorlog in hun dagboek schreven.