Contact | Adverteren | Login | Klantenservice | Privacy
Log in
Wachtwoord vergeten
Historisch Nieuwsblad 1/2019

Het grootste Britse spionageschandaal: de Cambridge Spies

Tussen Cambridge en het Kremlin

Door: Koen Vossen
Met deze knop kunt u artikelen toevoegen aan een leeslijst op uw persoonlijke pagina. Klik hier om in te loggen.

Vijf voormalige college boys bespioneerden in dienst van de Sovjet-Unie jarenlang de Britse overheid. Toen ze uiteindelijk tegen de lamp liepen, was het publiek in alle staten, de regering in grote verlegenheid en de reputatie van de geheime dienst MI5 aan flarden. Wat bezielde de Cambridge Spies?

Wie van spionageverhalen houdt, belandt vanzelf in Groot-Brittannië. Door auteurs als John le Carré, Frederick Forsyth en Ian Fleming is Her Majesty’s Secret Service met de afdelingen MI5 en MI6 minstens zo bekend als de CIA en de KGB. Het grootste spionageschandaal uit de Britse geschiedenis is ongetwijfeld dat rond de zogenoemde Cambridge Spies: een groep universitair opgeleide diplomaten en geheim agenten die tussen 1935 en 1955 heimelijk voor de Sovjet-Unie spioneerden. Er zijn inmiddels al heel wat boeken, toneelstukken, films en documentaires verschenen over de vijf spionnen. Niet vreemd, want de vraag blijft fascineren: wat dreef deze overwegend uit deftige milieus afkomstige Britten om te spioneren voor de Sovjet-Unie? Hoe hielden zij het vol om jarenlang een dubbelleven te leiden, en hun beste vrienden en soms zelfs partners voor de gek te houden?

Zeker is dat vier van de vijf mannen elkaar begin jaren dertig als student in Cambridge hebben ontmoet. Deze vier deelden een hartgrondige afkeer van het upperclass-milieu waaruit zij afkomstig waren, met zijn victoriaanse moraal, spartaanse privéscholen en Kipling-achtige imperialisme. Dat zij zich tot het communisme aangetrokken voelden, was in het Cambridge van de jaren dertig niet vreemd. In deze periode van economische crisis en opkomend fascisme zagen veel jaargenoten in het communisme het enige alternatief voor een algehele ondergang. Sommigen namen deel aan de hunger marches van werkloze Britse arbeiders; een enkeling ging zelfs naar Spanje om tegen Franco te vechten.

De tekst loopt door onder de afbeelding.

Anthony Blunt verkeert in de allerhoogste kringen: hij is familie van koningin Elizabeth.

Maar deze vier studenten gingen nog een stap verder: ze lieten zich rekruteren door een agent van de NKVD, de Russische geheime dienst. Deze drukte hun op het hart om hun communistische sympathieën in het openbaar af te zweren, zodat ze, geholpen door hun afkomst en netwerk, carrière konden maken in de Britse diplomatie of geheime dienst. Daar waren ze veel bruikbaarder dan als activisten voor de piepkleine Britse communistische partij. De bekering van het viertal riep weinig achterdocht op: veel Britse jongeheren hadden in hun jeugd een tijdje ‘rode koorts’ gehad, maar waren daar tijdig van hersteld om hun plicht voor King and Country te kunnen vervullen.

Hoeveel duizenden geheime documenten de Cambridge Spies hebben doorgespeeld naar de Sovjet-Unie is niet precies duidelijk. Het zijn er in elk geval zoveel geweest dat Moskou er lange tijd rekening mee hield dat zij dubbelspionnen waren. De gelekte informatie varieerde van uitgebreide namenlijsten van Britse geheim agenten in de Sovjet-Unie (die vervolgens konden worden opgepakt) tot de details van militaire operaties, en van de voortgang van de vervaardiging van de atoombom tot de voorbereidingen op de Korea-oorlog. Een exacte reconstructie van hun activiteiten wordt echter ernstig bemoeilijkt doordat er zowel vanuit de Sovjet-Unie als vanuit Groot-Brittannië bewust veel misleidende informatie over het vijftal de wereld in is gestuurd. Wat waarheid en mythe is, is daardoor vrijwel onmogelijk na te gaan.
 

 

Bizar dubbelleven 

Wel is het zeker dat alle vijf steeds hoger op de maatschappelijke ladder klommen. Drie van hen maakten carrière binnen de Britse geheime dienst. Eén van hen, Kim Philby, werd zelfs hoofd van de Britse contraspionage. Het bizarre dubbelleven dat de mannen moesten leiden eiste wel bij allen een stevige tol. Ze dronken vele liters sterkedrank om de stress tegen te gaan.

Dankzij de informatie van overlopers en onderschepte Russische berichten ontdekten de Amerikanen eind jaren veertig dat er een lek was op de Britse ambassade in Washington. Philby kreeg als hoofd Contraspionage het verzoek mee te helpen bij de jacht op de mol. Hij wist welke ambassademedewerker voor het lek verantwoordelijk was: zijn eigen oud-studiegenoot uit Cambridge en medespion Donald Maclean. Philby wist hem tijdig te waarschuwen, zodat hij kon vluchten naar de Sovjet-Unie. Maar omdat Maclean een zenuwinzinking nabij was, kreeg een ander lid van het netwerk vervolgens de taak om hem in juni 1951 te begeleiden. Dit was Guy Burgess, die eveneens een hoge functie in de diplomatieke dienst bekleedde.

De tekst loopt door onder de afbeelding.

Guy Burgess voldoet niet aan het clichébeeld van een spion. Dat maakt hem juist effectief.

De verdwijning van de twee Britse diplomaten – pas in 1956 werd officieel bevestigd dat Maclean en Burgess in Moskou zaten – zorgde voor een schok in Londen. De CIA deed een boekje open over het amateurisme binnen de Britse inlichtingendiensten en de diplomatieke dienst, waar elke verdenking van keurige diplomaten als ongepast gold en vrije weekenden zelfs op crisismomenten heilig waren.

De Britse inlichtingendienst kreeg een tweede klap te verwerken toen in 1963 ook Philby wist te ontsnappen dankzij de grove incompetentie van de Britse spionagedienst. Hoewel de CIA al in 1951 vermoedde dat Philby zijn oude studievrienden had getipt, bleef hij opvallend lang buiten schot. Wel werd hij binnen MI5 langzaam op een zijspoor gedirigeerd, waarna hij in 1957 als correspondent naar Beiroet ging. In 1962 tipte de CIA de Britse collega’s dat een Russische overloper had bevestigd dat Philby een spion was. Toen de Britse inlichtingendienst Philby in de kraag wilde grijpen, was de vogel echter al gevlogen. De agent die hem had moeten bewaken bleek op skivakantie in de Libanese bergen te zijn.
 
 

Doofpot ontdekt

Vanaf dat moment regende het speculaties in de Britse pers over een mogelijke vierde en vijfde man. Het duurde tot 1979 alvorens de net aangetreden premier Margaret Thatcher officieel bekendmaakte dat er inderdaad een nummer vier was: niemand minder dan de eminente kunsthistoricus en conservator van de koninklijke kunstverzameling sir Anthony Blunt. Hij had al in 1964 bekend dat hij ‘de vierde man’ was, in ruil voor ontslag van rechtsvervolging. Her Majesty’s Secret Service had daar met medeweten van de regering geen ruchtbaarheid aan gegeven, omdat zij vreesde voor een nieuw publiek schandaal. Het maakte de ontzetting alleen maar groter toen de doofpot in 1979 aan het licht kwam. Blijkbaar golden er in de hoogste kringen andere mores en werden de grootste misstappen er met de mantel der liefde bedekt.
 

 

Complottheorieën

Bovendien leidde de ontmaskering van Blunt voor een nieuwe golf aan speculaties over spionage in de hoogste kringen. Zo kwam de oud-spion Peter Wright in zijn boek Spycatcher uit 1985 met de onthulling dat het voormalige hoofd van MI5 Roger Hollis ‘de vijfde man’ was. De Britse regering deed er alles aan om publicatie van het boek tegen te houden – ze spande zelfs een rechtszaak aan. Tevergeefs, want wereldwijd werden meer dan 2 miljoen exemplaren verkocht. Toch bleek Wright het bij het verkeerde eind te hebben. Uit de meegenomen documenten van de in 1992 gevluchte Russische KGB-archivaris Vasili Mitrochin kwam naar voren dat niet Hollis, maar de oud-diplomaat John Cairncross ‘de vijfde man’ was. Ook deze spion bleek overigens al veel eerder tegen de lamp te zijn gelopen, maar net als Blunt had Cairncross in ruil voor zijn discretie een nieuwe carrière kunnen opbouwen in de Verenigde Staten.

Door alle onthullingen, die vervolgens schoorvoetend en vaak halfslachtig werden bevestigd door de Britse regering, is het verhaal van de Cambridge Spies tot op de dag van vandaag voer voor complottheorieën, speculaties en mythologisering. Nieuwe onthullingen op basis van archiefmateriaal of herinneringen van inmiddels stokoude spionnen leiden nog steeds tot speculaties over een mogelijke zesde of zevende mol. In zijn eind 2017 verschenen boek Enemies Within. Communists, the Cambridge Spies and the Making of Modern Brittain stelt de gezaghebbende historicus Richard Davenport-Hines dat de gevolgen van alle ophef rondom de Cambridge Five tot op de dag van vandaag voelbaar zijn. Zo is de Brexit volgens hem een direct gevolg van het in zijn ogen hysterische wantrouwen tegenover het Britse establishment, dat is gevoed door de stapsgewijze ontmaskering van de vijf spionnen. Deze redenering mag wat vergezocht zijn, maar zij illustreert wel hoezeer het verhaal van de Cambridge Five de Britten tot op de dag van vandaag blijft fascineren.