Contact | Adverteren | Login | Klantenservice | Privacy
Log in
Wachtwoord vergeten
Historisch Nieuwsblad 1/2019

Studentenprotest in de jaren 60

De doorbraak begint in Tilburg

Door: Twan van den Brand
Met deze knop kunt u artikelen toevoegen aan een leeslijst op uw persoonlijke pagina. Klik hier om in te loggen.

Nog eerder dan het Maagdenhuis raakt de Katholieke Hogeschool Tilburg in de greep van het studentenprotest. In april 1969 wordt de hogeschool door linkse actievoerders bezet. Negen dagen lang maken ze er de dienst uit.Goedemorgen, u spreekt met de Karl Marx Universiteit.’

Het is stervenskoud. De gevoelstemperatuur ligt ver onder nul. Er ligt een pak sneeuw. Toch hebben twaalf studenten van de Katholieke Hogeschool Tilburg de voorbije nachten – in wisseldiensten – urenlang in een greppel gelegen. Die beproeving is nodig om in kaart te brengen op welk tijdstip de bewakers hun ronde doen. Het gebouw ligt aan de stille rand van de stad, in het groen van de Oude Warande.

Maar nu, in de vroege ochtend van dinsdag 18 februari 1969, zo tegen vieren, sjouwen de studenten met ladder, kwast en menie naar de hoofdingang. Boven de poort schilderen ze in rode kapitalen: KARL MARX UNIVERSITEIT. Als het karwei een uur later is geklaard, kruipen ze in een nabije studentenflat haastig in een warm bed. De nachtelijke actie haalt slechts mondjesmaat de media.
 

De tekst loopt door onder de afbeelding


Op 18 februari 1969 geeft een groep studenten de hogeschool een andere naam.

Enkele maanden later is de reactie heel anders. Dan krijgt die brave hogeschool in het zuiden ineens de volle aandacht vanwege een langdurige bezettingsactie. De senaat, het college van hoogleraren dat tevens het dagelijks bestuur vormt, heeft op 28 april ’s avonds zijn vergadering net afgesloten als zo’n veertig studenten binnenstormen. Aan de notulen van de bijeenkomst wordt naderhand toegevoegd: ‘NB: na deze vergadering is Links Front de senaatszaal binnengedrongen en heeft deze ook in de nacht niet meer verlaten.’

Dezelfde radicale voorhoede neemt de volgende ochtend om halfacht bezit van de telefooncentrale. Binnenkomende gesprekken worden dan aangenomen met: ‘Goedemorgen, u spreekt met de Karl Marx Universiteit.’ Later die dag bezetten honderden studenten de hele hogeschool. Ze verlangen medezeggenschap op alle niveaus voor alle geledingen, studenten en personeel incluis.

Begin mei, na overleg met een strijdbare studentendelegatie, verwoordt minister van Onderwijs Gerard Veringa (KVP) in de Tweede Kamer zijn bezorgdheid: ‘Zonder van een complete crisis te spreken, meen ik de situatie, die ontstaan is aan en rond de Tilburgse hogeschool, te mogen bestempelen als zeer ernstig.’ De minister voorziet meer onrust. Hij hoort in veel universiteitssteden een echo.   
 

 ‘De situatie in de Tilburgse hogeschool is zeer ernstig’   

De Tilburgse hogeschool is in de jaren zestig niet meer het elite-instituut van voorheen. Net als andere universiteiten krijgt ze te maken met een toeloop van studenten uit nieuwe milieus. De Nederlandse regering is ervan overtuigd geraakt dat behalve de dokterszoon ook het arbeiderskind tot studeren moet worden aangezet teneinde het vaderland op te stoten. Studietoelages helpen daarbij. In het zuiden komt de aanwas later op gang dan elders, maar als het eenmaal zover is, gaat het ook veel sneller.     

Hoogleraar Johan de Vries, chroniqueur van de hogeschool, beschrijft de ontwikkeling met woorden waarin ontzetting doorklinkt. De toeloop van ‘lagere sociale klassen’ zorgt voor ‘een ontstellende teruggang in cultureel niveau’. Volgens hem krijgt ‘grauwheid de overhand’. En – ook dat nog: ‘In Tilburg hielden de studenten van westerns.’

De vele nieuwelingen vertegenwoordigen de veranderende samenleving en zijn niet allemaal even katholiek. Ze veranderen de atmosfeer. In Tilburg kunnen ze elkaar makkelijk vinden, in goede en in kwade tijden. Met 2500 studenten van drie samengepakte faculteiten - economie, sociologie en rechten - staat hier een voor universitaire begrippen kleine instelling. En die is, vanwege star en conservatief bestuur, rijp voor rebellie.     
 

Gevechtsvliegtuig

Het roerige jaar begint in Tilburg in mei 1968. Terwijl in Parijs de barricades worden opgeworpen, richt studentencorps Sint-Olof een expositie in met het thema ‘snelheid’. Op het terrein van de hogeschool komen raketten en een gevechtsvliegtuig te staan. Het oorlogstuig leidt tot een protest van tientallen studenten, die het onbestaanbaar vinden dat het hogeschoolbestuur de expo van Olof, van die corpsballen, faciliteert. Zij gruwen elke avond bij tv-beelden van de Vietnam-oorlog en besluiten naar Amerikaans voorbeeld te protesteren met een sit-in in de hal.

De wereld mag in brand staan, de samenleving in beweging zijn en de katholieke kerk verscheurd, aan de hogeschool wil er maar weinig veranderen. Dat is volgens de studenten vooral te wijten aan een archaïsch curatorium, het hoogste gezag, onder aanvoering van de roomse werkgeversvoorman Paul van Boven.

Het autoritaire bewind voedt de rebellie, die na de expositie aanhoudt en de jaarwisseling makkelijk overleeft. Sit-ins, teach-ins, korte bezettingsacties en andere ordeverstoringen wisselen elkaar af. Ook de bestorming van de senaatskamer in de avond van 28 april 1969 lijkt zo’n plaagstoot. Maar als studenten de ochtend daarop de telefooncentrale bezetten, is het curatoriumvoorzitter Van Boven die zich vergaloppeert. Hij verklaart de hogeschool voor gesloten. 
 

Oorlogsverklaring

Een hogeschool of universiteit in het slot? Dat is sinds de Tweede Wereldoorlog niet meer voorgekomen in Nederland. De studenten zien de woorden van Van Boven als een oorlogsverklaring. Ze besluiten de bezetting van de hogeschool definitief voort te zetten.    

In de Tweede Kamer schudt minister Veringa het hoofd. ‘Ik betreur het dat de leiding van de hogeschool niet tevoren met mij overleg heeft gepleegd over de vraag of hier inderdaad het uiterste middel van sluiting toegepast zou moeten worden.’
 

De tekst loopt door onder de afbeelding.


Negen dagen lang verblijven de studenten onder zeer eenvoudige omstandigheden in het universiteitsgebouw.

De bezetting geeft elan aan het protest in Nederland. Op 16 mei volgen studenten van de gemeentelijke Universiteit van Amsterdam het voorbeeld. Ze hebben eerder Tilburg bezocht om hun sympathie te betuigen. ‘Dit is nog maar het begin,’ benadrukken ze dan. Hun voorman Ton Regtien, belichaming van het Nederlandse studentenverzet, zegt later: ‘De bezetting in Tilburg is vaak onderschat. Het belang ervan was groter dan de Maagdenhuisbezetting. We zaten in het hele land al maanden te wachten op een doorbraak die onze democratiseringsstrijd vooruit zou kunnen brengen. Die doorbraak leverde Tilburg.’

Toch blijft vooral de vijf dagen durende bezetting in Amsterdam in het nationale geheugen gegrift. Daar worden in de ochtend van 21 mei honderden studenten door agenten uit het Maagdenhuis gedragen of gesleept. In de straten van de hoofdstad gaat het er grimmiger aan toe en komt het tot een confrontatie tussen betogers en politie.   

Ook in Tilburg klopt het geweld aan. Oud-stoottroepers stellen rector magnificus Cees Scheffer voor om het gebouw schoon te vegen, ten koste van hooguit ‘een paar blauwe ogen’. Scheffer gaat daar niet op in. Inzet van de politie komt evenmin aan de orde. ‘Dan hadden we al die studenten tegen ons gekregen. En er liepen [in de senaat – red.] ook mensen rond die het er niet zo mee eens waren,’ aldus Scheffer jaren later in een interview.



Volgens de studenten heeft de terughoudendheid evenzeer te maken met de aanwezigheid van kostbare, voor miljoenen verzekerde Franse wandtapijten in de hogeschool. Enkele weken voor de bezetting is een expositie geopend. De studenten zien de tapijten als een verzekering tegen politieoptreden, maar tonen uiteindelijk hun goede wil. Het in Tilburg gevestigde Nederlandse Textielmuseum, waar de zorgen met de dag zijn toegenomen, mag ze op 5 mei inladen.
 
Op 7 mei zegt het bestuur van de hogeschool de studenten ‘in principe’ inspraak toe op alle niveaus en in alle geledingen. Enkele roergangers van Links Front honen de beloftes weg, maar de beslissende massa in de aula vindt het genoeg. Na negen dagen is de bezetting voorbij. Ongekend voor Nederland, dat tot dan slechts een eendaagse bezetting van de aula in Nijmegen beleefde. Om de toezeggingen over medezeggenschap verder uit te werken komt er een commissie waarin alle geledingen van de Tilburgse hogeschool zijn vertegenwoordigd.

 

 

Medezeggenschapswet

Dat overleg loopt in november vast. Maar enkele maanden later presenteert minister Veringa zijn Wet Universitaire Bestuurshervorming (WUB). Nog in 1970 gaat zowel Tweede als Eerste Kamer daarmee akkoord. De wet regelt de medezeggenschap van studenten, wetenschappelijk en niet-wetenschappelijk personeel in een nieuwe universiteitsraad, het hoogste orgaan. Ze mogen voortaan meebesturen.

Decennia later wordt dat teruggedraaid. In de praktijk leidt de wet-Veringa tot een stroperig, verlammend proces dat ook bij studenten weinig enthousiasme losmaakt. Vanaf 1997 wordt het college van bestuur dé dagelijkse autoriteit. In universiteits- en faculteitsraad kunnen studenten nog wel hun stem laten horen. 
 
 
Twan van den Brand is journalist.