Contact | Adverteren | Login | Klantenservice | Privacy
Log in
Wachtwoord vergeten
dinsdag 4 december 2018

‘In sommige reisverslagen valt zelfs te lezen dat men elkaar bij dorst het ijzel uit de baard likt’

Hans Beelen en Ingrid Biesheuvel over hun nieuwe boek 'Walvissen groot en vet'

Door: Ollie Peijnenburg
Met deze knop kunt u artikelen toevoegen aan een leeslijst op uw persoonlijke pagina. Klik hier om in te loggen.

Eeuwenlang trotseerden de Nederlanders de bittere kou op jacht naar walvissen. Aan de hand van authentieke bronnen beschrijven neerlandicus Hans Beelen en mediëvist Ingrid Biesheuvel in Walvissen groot en vet hoe de arctische walvisvaart in zijn werk ging. ‘De walvis werd aanvankelijk als een fabelachtig zeemonster voorgesteld.’

Hoe werden walvissen in het verleden voorgesteld?
‘Een van de eerste verhalen over de jacht op walvissen werd geschreven door de Romein Plinius. Hij vertelt dat een water spuwend zeemonster tijdens de regering van keizer Claudius de haven van Ostia binnendrong en de schepen zou hebben belaagd. In de Middeleeuwen waren heel veel sterke verhalen in omloop. Walvistekenaars uit die tijd hadden het dier nog nooit in het echt gezien. Het beest werd als een fabelachtig zeemonster voorgesteld.

Eind zestiende eeuw veranderde dit beeld toen walvissen aanspoelden op de Hollandse kust. Tekenaars als Hendrick Goltzius gingen het beest op een natuurgetrouwe manier vastleggen. Deze tekeningen werden verspreid via pamfletten. Zo werd de walvis bij een groter publiek bekend. Toen de reizen naar het Hoge Noorden begonnen, werden er nog meer walvissen waargenomen. Men bedacht dat er geld te verdienen was aan het zoogdier. De walvisvaart is dus ontstaan als een onbedoeld neveneffect van de ontdekkingsreizen ter verkenning van een nieuwe handelsweg naar Azië.’

De tekst loopt door onder de afbeelding.


Jona wordt gegerepen door een vis, circa 1585 door Maerten de Vos

Waarom gingen de Nederlanders op walvisvaart?
‘In het begin van de zeventiende eeuw was er een groot tekort aan oliën en vetten in Nederland. Omdat de bevolking in de zestiende eeuw enorm was toegenomen steeg de vraag naar deze producten. Traan is de vette vloeistof die uit het spek werd gekookt. Deze werd voor verschillende doeleinden gebruikt: om zeep te maken, als brandstof voor lampen en kaarsen, om leer soepel te maken en ook om de draden in te smeren voordat je wol ging spinnen. Omdat de bevolking toenam, moest er meer graan worden verbouwd, en was er minder ruimte voor het verbouwen van koolzaad en lijnzaad. De prijzen voor plantaardige oliën en vetten stegen hierdoor enorm. Er moest dus een ander middel komen om deze producten te vervangen. De traan van walvissen bleek hiervoor een geschikte oplossing te zijn.’

Welke delen van de walvis werden allemaal gebruikt?
‘Het belangrijkste product was de traan. Deze werd gewonnen door het spek te koken. De spekcellen van een walvis bevatten een vettige vloeistof. Als het spek verhit wordt, verschrompelen de celwanden en krijg je een vloeibare substantie. Het bezinksel schep je er dan uit waardoor je een vrij zuivere olie overhoudt. Deze traan heeft als vervangingsproduct niet zo’n goede verbrandingswaarde als plantaardige oliesoorten. De kaarsen die ermee gemaakt werden walmden en stonken. Naast de traan gebruikten ze de botten van het dier om omheiningen of schuttingen te bouwen of dijken te versterken. De baleinen, dat zijn de platen in de mond waarmee het plankton werd gezeefd, waren van sterk en soepel materiaal gemaakt dat goede diensten bewees voor het vervaardigen van wandelstokken, zwepen, korsetten en hoepelrokken. De walvis werd helemaal gebruikt op het vlees na.’

Heeft de walvisvaart een groot aandeel gehad in de Nederlandse economie?
‘In de eerste helft van de zeventiende eeuw viel dat wel mee, omdat het aantal gevangen walvissen nog niet zo groot was . Dit omdat het monopolie op de walvisvaart in handen was van de Noordse Compagnie, een beperkt kartel van reders. Vanaf de tweede helft van de zeventiende eeuw steeg het aantal schepen dat op walvisvaart ging. In sommige jaren voeren er wel honderdvijftig schepen naar het Hoge Noorden met ieder veertig à vijftig leden bemanning aan boord. Dat waren dus duizenden personen per jaar. De opbrengst van traan was economisch van groot belang. Bovendien profiteerden ambachtslieden zoals scheepsbouwers, zeilbouwers en kuipers ook van de walvisvaart. Het leverde hun meer werk op. In de achttiende eeuw neemt de opbrengst af, enerzijds omdat er sprake was van overbevissing op het dier, anderzijds omdat er talrijke schepen in het ijs vergingen.’

De traankokerijen zorgden voor veel stank- en roetoverlast

Hoe werd een walvisvaart georganiseerd?
‘De hele vaart was een strak georganiseerd gebeuren. Iedereen wist vooraf wat zijn taak was. Tijdens de reis werden de gereedschappen in orde gebracht, de vangsloepen gereed gemaakt, de vanglijnen opgerold en harpoenen en messen geslepen. Aan boord waren ook zeelieden uit andere landen. Basken voeren in het begin vaak mee omdat zij al sinds de Middeleeuwen bedreven waren in de jacht met harpoen en vangsloepen. Van hen hebben de Nederlanders de techniek van de walvisjacht afgekeken. Ook waren er Duitsers aan boord die deze techniek op de Nederlandse schepen leerden. Een paar decennia na het Nederlandse begin van de walvisvaart kwam de walvisvaart in Duitsland ook op gang.'

Hoe werd een walvis gevangen?
‘Als de walvis in zicht was werd ‘valval’ geschreeuwd. Dit betekende dat de bemanning meteen naar de sloepen moest. Vervolgens roeiden ze achter het zoogdier aan en probeerden de verschillende harpoeniers het beest te raken met harpoenen. Als de walvis ‘vast’ was, was de volgende stap hem uit te putten. Vaak dook het zoogdier onder en kwam weer boven om adem te halen. ‘Roeiaan’ was het commando om naar de walvis toe te roeien en ‘strijk’ was het commando om te wachten. Uiteindelijk werd het dier doodgestoken met lansen en naar het land of het schip toe gesleept. Aanvankelijk werden de dieren ter plekke tot traan gekookt in nederzettingen als Smeerenburg, later werd de walvis op zee van het spek ontdaan. Dan werd het langs het schip gebonden. Omdat het beest nog onder water lag, kon de bemanning nog niet veel van het beest af snijden. Als het beest een paar dagen dood was kwam het boven drijven. Dan konden de bemanningsleden het dier gaan flensen, dat wil zeggen ontdoen van de speklaag.  De stukken spek werden klein gesneden, in vaten gedaan en mee naar huis genomen. Daar werd dit aan land tot traan gekookt. De traankokerijen zorgden voor veel stank- en roetoverlast.’

Religie speelt een aanzienlijke rol in de teksten van jullie boek. Was geloof belangrijk tijdens een walvisvaart?
‘De bronnen laten zien dat het geloof een belangrijke rol speelde. Veel opvarenden, ook de commandeur, zoals de gezagvoerder van het schip werd genoemd, waren doopsgezind. Dit waren vrome mensen die het lezen van de Bijbel belangrijk vonden en ze hielden vast aan vertrouwde rituelen zoals bidden en psalmen zingen. In de meest erbarmelijke omstandigheden werd er vurig gebeden. Gedrukte versies van deze gebeden  zijn tot op de dag van vandaag bewaard gebleven. Voor de bloemlezing hebben we ons best gedaan een grote variatie aan bronnenmateriaal te presenteren, dus ook deze gebeden ontbreken niet.

Aan boord waren meestal geen aparte zielzorgers, dominees of predikanten zoals wel het geval was bij de VOC. De walvisvaartschepen waren daar te klein voor. De commandeur nam die taak deels over, bijvoorbeeld door een stuk uit de Bijbel te lezen of het noodgebed uitspreken indien nodig.'

De tekst loopt door onder de afbeelding.


Potvis gestrand bij Berkheij, circa 1598 door Hendrick Goltzius.

Welke opties had de bemanning als er schipbreuk werd geleden?
‘De walvisvaart was een hachelijke onderneming. Veel zeelieden zijn omgekomen door bevriezing, verdrinking of de hongerdood. In sommige reisverslagen valt zelfs te lezen dat men elkaar bij dorst het ijzel uit de baard likt. Vanwege de risico’s en gevaren raakten er op den duur regels en procedures in gebruik. ‘Het Groenlands Recht’ van 1677 was hier een voorbeeld van. Ook deze zeemanscode is in het boek opgenomen. Hierin stond dat schepen verplicht waren om schipbreukelingen op te nemen als zij deze aantroffen. Doorgaans hield zich men hieraan omdat het in wederzijds belang was; een schipbreuk kon immers elke schipper overkomen.’

Hadden de Nederlanders intensief contact met de oer inwoners van Groenland?
‘Rond 1700 was er al redelijk wat contact. Dit kwam door de ruilhandel. Schepen die langs gebieden voeren waar de Inuit leefden, ruilden bijvoorbeeld metalen messen voor walrustanden of ijsbeervachten. Daarnaast waren de Inuit behulpzaam wanneer men schipbreuk leed. Walvisvaarders werden opgevangen en gehuisvest. Het verblijf was echter wel een cultuurshock voor de Nederlanders. Ze sliepen in hutten zonder privacy en ook het zeehondenspek was moeilijk te verteren voor de zeelieden. Voor verbazing zorgden ook de andere opvattingen over hygiëne. Dat is allemaal terug te vinden in de reisverhalen.

Uit de bronnen komen verschillende visies op de Inuit naar voren. Enerzijds werden zij als heidenen en wilden gezien. Anderzijds hadden de Nederlanders een enorme bewondering voor het technisch vernuft van kleding, kajaks en jachtgereedschap. Sommigen idealiseerden de Inuit tot ‘edele wilden’ die een voorbeeld van naastenliefde waren, ook al waren zij niet gedoopt.’

Is de walvisvaart een bekend onderwerp in de Nederlandse geschiedenis?
‘Er is veel  geschreven over de walvisvaart, maar veel verhalen uit de bronnen zelf, zoals wij die hebben verzameld, zijn in de loop van de tijd in de vergetelheid geraakt. Hoewel er geen echt taboe op ligt, kijkt men tegenwoordig met een zeker onbehagen naar de walvisvaart. Dat komt omdat men in vroeger eeuwen fundamenteel anders met de natuur omging dan in het huidige ecologische tijdperk. Juist dat maakt de walvisvaart tot een belangrijk en onontkoombaar  onderdeel van ons nationaal verleden.’

 
Ingrid Biesheuvel

Hans Beelen

Welkom bij Historisch Nieuwsblad!

Maak nu gratis kennis met de journalistiek van Historisch Nieuwsblad. In dit dossier hebben wij de mooiste verhalen uit ons archief voor u gebundeld. Lees bijvoorbeeld hoe de Stasi tijdens de Koude Oorlog spioneerde in Nederland, waarom we 1968 kunnen bestempelen als rampjaar en wat ooggetuigen van de Tachtigjarige Oorlog in hun dagboek schreven.