Contact | Adverteren | Login | Klantenservice | Privacy
Log in
Wachtwoord vergeten
Historisch Nieuwsblad 9/2018

Hoe Reagan het Iran-Contra-schandaal overleefde

Een duister complot

Door: Koen Vossen
Met deze knop kunt u artikelen toevoegen aan een leeslijst op uw persoonlijke pagina. Klik hier om in te loggen.

Tijdens het presidentschap van Ronald Reagan bleek dat hoge ambtenaren waren betrokken bij de verkoop van wapens aan Iran. Met de opbrengst wilden ze rechtse rebellen in Nicaragua financieren. Wat wist Reagan er zelf van? En was hij wel zo onschuldig als hij zich voordeed?

Het is eigenlijk merkwaardig dat over de Iran-Contra-affaire nog steeds geen goede Hollywood-blockbuster is gemaakt. Dit politieke schandaal uit de jaren tachtig had namelijk alle ingrediënten voor een spannende politieke thriller, zoals geheime operaties in exotische landen, een duistere samenzwering op het hoogste niveau en een populaire president die plots aan het wankelen wordt gebracht.
 

Klopjacht in het regenwoud

De affaire kwam aan het licht dankzij twee op het oog losstaande gebeurtenissen in de herfst van 1986. Op 6 oktober 1986 schoot Nicaraguaans afweergeschut een Amerikaans vliegtuigje neer dat bleek te zijn volgepropt met wapens en munitie. Drie van de vier inzittenden waren op slag dood; een vierde had zich met een parachute in veiligheid gebracht. Na een zoektocht van meer dan 24 uur in het dichte regenwoud werd de man gearresteerd. Het bleek een Amerikaanse marinier te zijn, Eugen H. Hasenfus.

Tijdens een grondig verhoor gaf Hasenfus toe dat hij een geheime missie uitvoerde om wapens te leveren aan een rebellenleger, genaamd de Contra’s, die vanuit Honduras en Costa Rica vochten tegen het sandinistische regime in Nicaragua. Dit linkse bewind was sinds het in 1979 aan de macht kwam een doorn in het oog van de Verenigde Staten, die een tweede Cuba vreesden. 
 

Rebellen niet gesteund
Het Witte Huis ontkent dat er geheime wapenleveranties plaatsvinden

Maar zowel de Senaat als het Huis van Afgevaardigden had verdere militaire hulp aan de Contra’s verboden, onder meer omdat de antisandinistische rebellengroepen zich ook met drugshandel zouden inlaten. Het Witte Huis ontkende dan ook in alle toonaarden dat er geheime wapenleveranties aan de Contra’s plaatshadden. De meeste journalisten lieten het daarbij, omdat alle aandacht op dat moment uitging naar de Senaatsverkiezingen op 4 november.
 

Gijzelaar van Hezbollah

Twee dagen voor deze verkiezingen werd in de Libanese hoofdstad Beiroet de Amerikaan David Jacobsen vrijgelaten na een gijzeling die 17 maanden had geduurd. Jacobsen was een van de ruim tachtig westerlingen die in deze periode gegijzeld werden door Hezbollah en andere fundamentalistisch islamitische milities, die actief waren in het door burgeroorlog geteisterde Libanon. De vrijlating van Jacobsen werd aanvankelijk op het conto geschreven van de anglicaanse priester Terry Waite, die onderhandelingen voerde met de gijzelnemers.

De Libanese krant Al Shiraa onthulde op 5 november hoe de vork werkelijk in de steel zat. Op basis van getuigenissen van een hooggeplaatste Iraniër schreef de krant dat de vrijlating van Jacobsen en nog twee andere Amerikanen het rechtstreekse gevolg was van geheime wapenleveranties van de Verenigde Staten aan Iran. Iran zou daarop zijn invloed op Hezbollah hebben aangewend om de gegijzelden vrij te krijgen.

Tekst loop door onder de afbeelding


Dat verhaal leek aanvankelijk te mooi om waar te zijn. Sinds ayatollah Khomeini aan de macht was en Amerikaans ambassadepersoneel in 1979 en 1980 ruim een jaar in gijzeling was gehouden in Teheran, gold Iran als aartsvijand van de Verenigde Staten. Het Witte Huis zou toch zeker geen wapens aan de duivel in eigen persoon leveren?
 

Dalende 'approval rates'

Maar op 13 november verklaarde president Ronald Reagan op televisie dat het verhaal klopte. De Verenigde Staten hadden inderdaad wapens geleverd aan Iran, als een signaal van goodwill. Van directe onderhandelingen over de vrijlating van gijzelaars was echter geen sprake geweest, aangezien de Verenigde Staten nooit onderhandelen met terroristen, aldus de president gedecideerd. Tot dat moment was Reagan een van de populairste presidenten die de Verenigde Staten ooit hadden gehad.

In 1984 had de Republikein zijn herverkiezing zeker gesteld met een monsteroverwinning op de Democratische kandidaat Walter Mondale. Voor veel Amerikanen stond de opgewekte en optimistische Reagan model voor een herwonnen Amerikaans zelfvertrouwen en welvaart na jaren van twijfel en crisis. En nu dit? Opiniepeilingen toonden een zelden vertoonde duikvlucht van de zogeheten approval rates van de president.
 
Het werd allemaal nog erger toen nog geen week later uitkwam dat de vrijlating van de gijzelaar in Beiroet en het neergestorte vliegtuig in Nicaragua direct met elkaar samenhingen. Ze bleken onderdeel van een door de National Security Council uitgedacht en zorgvuldig geheimgehouden plan om de opbrengsten van de wapenleveranties aan Iran deels te gebruiken voor financiering van de Contra-rebellen.

Hoewel de National Security Council van oorsprong slechts een adviserend orgaan was, had die zich onder leiding van Robert ‘Bud’ McFarlane en John Poindexter steeds meer ontwikkeld tot een soort geheime dienst. Anders dan de CIA werd de NSC niet gecontroleerd door het Congres, waardoor het een veel grotere slagkracht had. Zo beschikte de dienst over een heel netwerk aan duistere organisaties, dubieuze zakenlieden, bevriende dictators en discrete bankiers.
 

Volksheld
De spin in dit netwerk is de Amerikaanse kolonel Oliver North

De spin in dit netwerk bleek een gedecoreerde Amerikaanse kolonel te zijn, Oliver North geheten. Namens de NSC had North eerder al een belangrijke rol gespeeld bij de invasie van Grenada in 1983, bij de arrestatie van de kapers van het passagiersschip de Achille Lauro in Italië in 1985 en bij vergeldingsaanvallen op Libië in 1986.
 

 

Documenten vernietigd

Reagan ontkende dat hij op de hoogte was van het hele plan en ontsloeg North en Poindexter; McFarlane was al eerder afgetreden. Ook benoemde hij, naar verluidt mede onder druk van zijn vrouw Nancy, een presidentiële commissie bestaande uit Republikeinse en Democratische politici onder leiding van John Tower, die de hele gang van zaken moest onderzoeken. Dat was bepaald geen sinecure. North en Poindexter bleken veel essentiële documenten te hebben vernietigd, CIA-directeur William Casey werd getroffen door een beroerte, Bud McFarlane deed een zelfmoordpoging, terwijl Reagan grossierde in vage en tegenstrijdige verklaringen. Veel andere hooggeplaatsten, zoals vicepresident George W. Bush, minister van Defensie Caspar Weinberger en minister van Buitenlandse Zaken George Shultz, beweerden dat ze er niet of nauwelijks vanaf wisten.   
 
Het rapport kwam op 26 februari 1987 uit en bevatte een vernietigend oordeel over de deels clandestiene capriolen van de National Security Council. Vooral Poindexter, McFarlane en North waren hun boekje ver te buiten gegaan, maar ook de president trof blaam. Hij had onvoldoende toezicht gehouden op de NSC en zich te makkelijk laten manipuleren. Maar hoeveel Reagan nu precies wist van de activiteiten van North, McFarlane en Poindexter bleef vaag.
 

Vergeven
Bij zijn vertrek heeft Reagan ongekend hoge populariteitscijfers

Op 4 maart gaf Reagan vanuit het Oval Office een live uitgezonden verklaring, waarin hij stelde dat ‘zijn hart en zijn beste intenties’ hem nog steeds zeiden dat hij geen wapens had geruild voor gijzelaars, maar dat ‘de feiten’ een ander verhaal vertelden. Deze wazige verklaring bleek voor een groot deel van de Amerikanen voldoende om hun president te vergeven. Hoewel de Iran-Contra-affaire onder meer dankzij een onderzoek van het Congres en enkele rechtszaken nog een lange nasleep had, herwon Reagan al snel zijn populariteit. Sterker nog: geen enkele president had bij zijn vertrek zulke hoge populariteitscijfers als Reagan.


Drie vliegen in één klap

Twee vragen zijn sindsdien blijven hangen: wat wist de president nu precies, en waarom heeft dit enorme schandaal, dat minstens zo omvangrijk was als Watergate, Reagan niet de kop gekost? Wat het eerste betreft zijn in een later stadium veel bewijzen gevonden die erop wijzen dat Reagan meer wist dan hij had toegegeven. Maar juist de documenten die hierover definitief uitsluitsel konden geven hadden North en Poindexter vernietigd.

Zeker is dat de NSC in de geest van Reagan handelde. Vanaf zijn aantreden was Reagan zeer bezorgd over het lot van de Amerikaanse gijzelaars in Beiroet, terwijl hij bijna geobsedeerd leek door het sandinistische regime in Nicaragua, dat hij beschouwde als marionet van de Sovjet-Unie. Ook wilde hij per se voorkomen hij dat de Sovjet-Unie – ‘the Evil Empire’, in zijn woorden – grote invloed kreeg in het Iran van ayatollah Khomeini. Kortom, met het Iran-Beiroet-Contra-plan dachten Reagans ondergeschikten de president ter wille te zijn door drie vliegen in één klap te slaan.

Tekst loopt door onder de afbeelding


Dat Reagan niettemin kon blijven, hangt voor een deel samen met het zorgvuldig gestileerde imago van een redelijk apolitieke president die veel delegeerde en zich niet met details bezighield. Reagans bewering dat hij niet precies op de hoogte was, leek daardoor plausibel. Bovendien meenden vooral conservatieve Amerikanen dat alle clandestiene activiteiten, anders dan in het geval van Watergate, uiteindelijk de goede zaak dienden, namelijk de vrijlating van Amerikanen en het tegenhouden van de Sovjet-Unie. Oliver North was voor veel conservatieve Amerikanen dan ook geen schurk, maar een held in de strijd tegen het Evil Empire.

En juist de Sovjet-Unie schoot Reagan in deze jaren te hulp. Sovjetleider Michail Gorbatsjov zocht steeds meer toenadering tot de Verenigde Staten. De media verlegden hun aandacht daardoor naar de onderhandelingen tussen Reagan en Gorbatsjov. Zo ontliep Reagan het lot van de afgetreden Richard Nixon, en kon hij uiteindelijk het Witte Huis verlaten als de president die de Koude Oorlog won.
 
Koen Vossen is historicus, publicist en docent politicologie aan de Radboud Universiteit Nijmegen.
 
Kaders:
Niemand achter de tralies
Bush schonk betrokkenen gratie  

Oliver North, John Poindexter, Bud McFarlane en Caspar Weinberger werden allen veroordeeld vanwege hun rol in het Iran-Contra-schandaal. Maar geen van hen heeft zijn straf hoeven uitzitten, want president George H.W. Bush besloot hun in 1993 vlak voor zijn aftreden gratie te verlenen. Uit aantekeningen in het dagboek van Weinberger is overigens gebleken dat ook Bush, anders dan hij zelf altijd had beweerd, wel degelijk op de hoogte was van de geheime operatie. De gratieverlening stuitte dan ook op veel verzet.

Poindexter en McFarlane zouden nadien allebei nog tal van functies bekleden in het militair-industriële complex. Oliver North verzilverde zijn heldenstatus: hij schreef enkele bestsellers en werd politiek commentator bij het conservatieve Fox News. Zijn pogingen om senator te worden mislukten. Wel is North sinds mei 2018 president van de beruchte National Rifles Association, die pleit voor vrij wapenbezit.

Ronald Reagan verdween steeds meer uit de publiciteit nadat in 1994 bij hem de ziekte van Alzheimer was geconstateerd. De diagnose was aanleiding voor geruchten dat de president reeds tijdens zijn presidentschap aan de ziekte leed. In 2004 overleed Reagan op 93-jarige leeftijd.

De in Nicaragua gevangengenomen Amerikaanse marinier Eugen H. Hasenfus werd na korte tijd uitgeleverd aan de Verenigde Staten. Daarna ontbreekt van hem elk spoor.
 
Nog een foute deal met Iran?
Over de vrijlating van 63 gijzelaars
 
De Islamitische Republiek Iran vormt een opvallende rode draad tijdens het presidentschap van Ronald Reagan. In 1980 wist Reagan de verkiezingen te winnen van Jimmy Carter, mede omdat deze niet in staat was om de langdurige gijzeling van 63 Amerikanen in de Amerikaanse ambassade in Teheran te beëindigen. Maar nog geen uur na Reagans inauguratie op 20 januari 1981 werden de Amerikaanse gijzelaars vrijgelaten.

Sindsdien bestaat er een hardnekkige complottheorie die stelt dat medewerkers van Reagan in het geheim het Iraanse regime ervan hebben overgehaald om de vrijlating van de gijzelaars uit te stellen tot na de Amerikaanse presidentsverkiezingen. Daardoor kon Carter de vrijlating niet op zijn conto schrijven en won Reagan de verkiezingen. Het Amerikaanse Congres heeft de beschuldigingen bestudeerd, maar er was geen overtuigend bewijs voor. Toch wordt deze theorie tot op de dag van vandaag in brede kring voor waarheid aangenomen.
 
Verder lezen:
Iran-Contra. Reagan’s Scandal and the Unchecked Abuse of Presidential Power (2014) door Malcolm Byrne.
 
De Verenigde Staten in de twintigste eeuw (2002) door Maarten van Rossem.
 
Geschiedenis van de Verenigde Staten (2018) door Frans Verhagen.