Contact | Adverteren | Login | Klantenservice | Privacy
Log in
Wachtwoord vergeten

‘Het is een mythe dat Nederland al eeuwen een vrije, democratische rechtstaat is’

Ernst Hirsch Ballin over het belang van 1917

Door: Suzanne Tromp
Met deze knop kunt u artikelen toevoegen aan een leeslijst op uw persoonlijke pagina. Klik hier om in te loggen.

De grondwetsherziening van 1917 was het beginpunt van de twintigste eeuw, aldus Ernst Hirsch Ballin. Onlangs publiceerde de voormalig minister van Justitie en van Binnenlandse Zaken het essay De stille revolutie van 1917. In zijn essay laat Hirsch Ballin, tegenwoordig hoogleraar rechten, zien waarom de grondwetswijziging van 1917 zo invloedrijk was. ‘Pas sinds honderd jaar hebben Nederlandse staatsburgers volle zeggenschap over het staatsbestel.’

Met de grondwetsherziening van 1917 werd het algemeen mannenkiesrecht en passief vrouwenkiesrecht ingevoerd. Ook verving een stelsel van evenredige vertegenwoordiging het eerder gebruikte districtenstelsel. Hierdoor moesten voortaan meerpartijencoalities worden gevormd om te regeren. Bovendien werden het openbaar en bijzonder onderwijs financieel gelijkgesteld, waarmee de overheid de zelfstandigheid van bijzonder onderwijs erkende.
 

Waarom is deze herziening zo belangrijk?
‘Omdat Nederlandse staatsburgers pas sinds honderd jaar volle zeggenschap hebben over het staatsbestel. Algemeen constitutioneel burgerschap werd in 1917 erkend. Dit jaar is de afsluiting van een periode van democratisering en het beginpunt van de twintigste eeuw. Deze herziening wordt echter vaak voorgesteld als “het compromis”, waarin de onverzoenlijke stromingen hun strijdpunten in een soort grote politieke ruiltransactie tegen elkaar hadden weggestreept. Maar deze uitleg doet de betekenis tekort. Het was niet alleen een eindpunt, maar ook het startpunt van verdere ontwikkelingen.’
 

'Toen op 29 november de Nederlandse grondwetsherziening tot stand kwam, werd een paar honderd kilometer verderop een van de vreselijke veldslagen van de Eerste Wereldoorlog, de slag bij Cambrai, uitgevochten'

Hoe kon het dat drie zulke invloedrijke wijzigingen in één keer tot stand konden komen in 1917?
‘Dat heeft veel te maken met wat er in de wereld om Nederland heen gebeurde. Deze periode werd gekenmerkt door grote sociale spanningen en, op veel plaatsen, door extreem geweld. Toen op 29 november de Nederlandse grondwetsherziening tot stand kwam, werd een paar honderd kilometer verderop een van de vreselijke veldslagen van de Eerste Wereldoorlog, de slag bij Cambrai, uitgevochten. In dezelfde maand vond de Russische Oktoberrevolutie plaats. Daar was men in Nederland ook van op de hoogte. Deze periode van sociale gisting werd in Nederland echter niet beantwoord met gewelddadige revolutie, maar met verstandige politieke leiders die tot delibereren bereid waren. Zij erkenden het belang van verbindingen aangaan en institutionaliseerden dit bovendien in de grondwetsherziening.’

In 1917 werd het algemeen mannenkiesrecht ingevoerd. Hoe zat het met het vrouwenkiesrecht?
‘In 1917 vonden veel mensen het blijkbaar nog net een stap te ver gaan om het algemeen vrouwenkiesrecht meteen al vast te leggen. Zelfs iemand als Pieter Jelles Troelstra, die als leider van de sociaaldemocraten een uitgesproken voorstander van het vrouwenkiesrecht was, accepteerde dat de grondwetsherziening van 1917 nog niet de laatste stap zette hierin. Maar de eerste stap was wel gezet: met de grondwetsherziening werd passief vrouwenkiesrecht ingesteld, en werd de grondwettelijke uitsluiting van vrouwen opgeheven. Dat betekende dat algemeen vrouwenkiesrecht met een “gewone meerderheid” ingevoerd kon worden. Dit gebeurde in 1919.’
 

'Burgerschapsvorming mag geen nostalgisch verlangen naar dominantie op de wereldzeeën zijn'

U noemt het een mythe dat Nederland al eeuwenlang wordt gekenmerkt door vrijheid, gelijkheid en democratie. Waarom?
‘Door de uitsluitingen. Een voor de hand liggend voorbeeld hiervan is de afschaffing van de slavernij in 1863 – later dan de Fransen, de Britten en de Turken dat hebben gedaan. Ook werd, zoals gezegd, het vrouwenkiesrecht pas echt in 1919 ingesteld. Handelingsonbekwaamheid van de gehuwde vrouw werd niet eerder dan 1956 afgeschaft. Bovendien had Nederland ook na 1917 nog twee categorieën van mensen met de Nederlandse nationaliteit: Nederlandse staatsburgers en Nederlandse onderdanen. Het overgrote deel van de toenmalige Nederlands-Indiërs bestond uit Nederlandse onderdanen. Deze categorisering bleef bestaan tot de soevereiniteitsoverdracht van Nieuw-Guinea in 1962. We kunnen wel zeggen dat de kiemen van de vrije en democratische ontwikkelingen al eeuwen geleden te vinden zijn, maar het is gewoon een mythe, invented history, om te zeggen dat Nederland al eeuwen een vrije, democratische rechtstaat is.’

In uw essay heeft u het ook over burgerschapsonderwijs. Hoe zou dit volgens u vorm moeten hebben?
‘Het moet leerlingen voorbereiden op wat het betekent om staatsburger te zijn, waarin het aangaan van verbindingen centraal staat. Het is goed als de Nederlandse geschiedenis hierbij besproken wordt, mits dat geen ahistorische verheelijking is die uitdraait op een claim van superioriteit. Burgerschapsvorming mag geen nostalgisch verlangen naar dominantie op de wereldzeeën zijn. Het moet zich juist richten op de lessen die we kunnen halen uit de momenten van strijd in de eigen geschiedenis. Ook moeten we een plaats geven aan het afscheid van de koloniale dominantie van andere landen en volkeren in 1953 en 1954 in het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden. Want het Nederlanderschap delen we met de Curaçaose, Sint-Maartense en Arubaanse Nederlanders.’
 

'Het dubbele staatsburgerschap is niets nieuws, ook niet onder Nederlandse bewindslieden'

Er is recentelijk veel gesproken over het idee om leerlingen het Wilhelmus te laten leren en zingen. Denkt u dat dit een goede plaats zou hebben in burgerschapsonderwijs?
‘Het volkslied heeft veel met burgerschap te maken en kan zeker goed gebruikt worden in het burgerschapsonderwijs, maar het hangt er vanaf wat je ermee doet. De vraag die hieraan linkt is of nationaliteit enkelvoudig moet zijn. Vanaf 2007 is dit, gênant genoeg, een politiek issue geworden, toen bewindslieden met “dubbele paspoorten” werden benoemd. Terwijl het dubbele staatsburgerschap niets nieuws is, ook niet onder Nederlandse bewindslieden.’

‘Het Wilhelmus gaat over een Duitser uit Nassau, die bovendien een prins van het Franse Orange was en ook nog in staatsdienst was van de transnationale heerser van het Habsburgse Rijk. Als er toen een nationaliteitswetgeving in de moderne zin was geweest, dan was Willem de Zwijger, vader des vaderlands, ongetwijfeld een bi- of tripatride. Als je zo over het Wilhelmus spreekt, dan is het geen lied van afgrenzing, maar juist van verbinding. Zo kan het een goede plaats krijgen in het onderwijs om jongeren te leren dat het niet alleen maar onderdeel is van de voetbalrituelen, maar echt iets te betekenen heeft.’

De stille revolutie van 1917. Dwarsverbindingen in democratisch burgerschap en onderwijs
Ernst Hirsch Ballin
Verkrijgbaar bij Querido Fosfor als e-book
www.queridofosfor.nl


Beeld: Pieter Jelles Troelstra van de SDAP houdt een toespraak vanaf het bordes van het Haagse stadhuis op de dag dat het algemeen mannenkiesrecht wordt afgekondigd, 12 december 1917.