Contact | Adverteren | Login | Lezersservice

Voorpublicatie: Eeuwen van duisternis - Catherine Nixey

Door: Catherine Nixey

Eeuwenlang dweepten de christenen met hun martelaren - die zouden zijn vervolgd door wrede, heidense Romeinen. Maar daar klopt niets van, meent Catherine Nixey. De Romeinse overheid liet de christenen juist opvallend vaak met rust.

Historisch Nieuwsblad 0/2017
Met deze knop kunt u artikelen toevoegen aan een leeslijst op uw persoonlijke pagina. Klik hier om in te loggen.

Eeuwen van duisternis

Een duistere, nagenoeg onbekende episode uit de geschiedenis eindelijk blootgelegd: hoe het ...christendom met geweld probeerde de klassieke beschaving te vernietigen. De vroege christenen waren gewelddadig, militant en tot op het bot onverdraagzaam. Wie...

€ 29,99 | Koop nu

Op 18 juli 64, tegen het vallen van de avond, brak er brand uit in een paar winkels bij de Circus Maximus in Rome. Die hadden houten luiken en waren volgestouwd met brandbare koopwaar, wat de brand een ideale start gaf. Algauw stonden langs de hele Circus huizen in brand en kort daarop sloeg de brand over naar de heuvels. Terwijl de vlammen zich verbreidden, waren door het geknetter heen de stemmen van vrouwen en kinderen te horen die zich in veiligheid probeerden te brengen, maar al te vaak vergeefs. De vlammen, werd later verteld, waren zo verzengend heet en verspreidden zich zo snel dat als je omkeek je gezicht werd geblakerd door de hitte. Rome beschikte over een (relatief) geavanceerde brandweer, maar óf het inferno was onbeheersbaar, óf er was iets van meer sinistere aard gaande. Later werden er verhalen verteld over dreigende mannen die iedereen verboden de vlammen te doven en zelfs brandende fakkels in huizen gooiden. Rome brandde bijna een week. Toen het vuur eindelijk doofde, was driekwart van de stad verwoest en hadden talloze mensen geen dak meer boven hun hoofd.
 

=


Rome was ten einde raad; één man – zeggen de historici – was dolblij. De bevolking was weggevlucht voor de vlammen, maar van Nero werd verteld dat hij de zes dagen en zeven nachten dat de brand duurde er op een hoge toren naar had staan kijken, verrukt over ‘de schoonheid van de vlammen’. Hij doodde de tijd door een kostuum aan te trekken en een zelfgeschreven compositie (‘De ondergang van Ilium’) ten gehore te brengen, over de verwoesting van een andere beroemde stad, Troje. Waarschijnlijk speelde hij ook nog op zijn lier.

Toen Nero naar de verkoolde puinhopen van Rome keek, zag hij geen ramp, maar – dat werd tenminste geschreven – een mooie kans om te doen wat hij altijd al had willen doen. Er werd vrijwel meteen met de wederopbouw begonnen. Niet met het bouwen van huizen voor dakloze Romeinen, maar met een huis voor hemzelf. Uit de as van Rome verrees Nero’s beruchte Domus Aurea (Gouden Huis), als een smakeloze, poenerige feniks. Waar de vlammen ooit het gezicht van vluchtende mensen hadden geblakerd, stond nu een badhuis, gevoed door zeewater en zwavelwater; waar ooit de lucht zo heet was geweest dat gebouwen spontaan vlam vatten, lag nu een enorme vijver, een zee gelijk, met daaromheen gebouwen die zo waren gebouwd dat ze op miniatuursteden leken.

Zelfs naar Nero’s eigen maatstaven was er extravagant te werk gegaan. Zijn hele huis glinsterde, zo zei men, van het ingelegde goud, waarin ook nog edelstenen en parelmoer flonkerden. Het plafond van de eetzaal was bekleed met ivoren panelen, die konden draaien, zodat de gasten eronder met bloemblaadjes konden worden bestrooid, en uit buisjes sproeide een fijne nevel van geurwater. Wilde dieren zwierven door zorgvuldig geconstrueerde landschapstuinen. Het was een rurale idylle in een van de grootste steden op aarde. Toen het paleis klaar was, was Nero zeer tevreden. ‘Mooi zo,’ zei hij. ‘Nu kan ik eindelijk leven zoals het een mens betaamt.’
 
Maar als je heel goed luisterde, kon je boven de geluiden van klaterend water en brullende dieren een ander geluid uit horen komen: het gemor van een ontevreden bevolking. De burgers van Rome waren woedend én achterdochtig. Nero, zo werd gefluisterd, had de brand opzettelijk aangestoken om zo ruimte te scheppen voor het paleis dat nu blonk waar eerst de vlammen hadden gegloeid. Nero zelf – misschien op de hoogte van de ontevredenheid – gaf een bepaalde groep de schuld.

Kort daarvoor was een nieuwe cultus in de stad neergestreken. De geschiedschrijver Tacitus noemde het later ‘een verderfelijk bijgeloof’. De volgelingen waren aanhangers van een zekere ‘Christus’ of, zoals Suetonius schreef, ‘Chrestus’. Ze waren, schreef Tacitus erbij, ‘een groep die in de wandeling christenen werd genoemd’ en ze waren ‘gehaat vanwege hun verdorven gedrag’. En hij schreef ook nog: ‘Hun naam ontlenen ze aan een zekere Christus, die was terechtgesteld door gouverneur Pontius Pilatus toen Tiberius aan de macht was.’ Dat was een significante zin, want het is de enige keer dat van dit voorval ‘in heidens Latijn’ melding wordt gemaakt.

Voor de christenen kon Tacitus niet bepaald veel geestdrift opbrengen, want op zijn typisch misantropische wijze besluit hij deze passage door te zeggen dat na de terechtstelling van Jezus ‘dit verwerpelijke geloof, indertijd onderdrukt, zich weer liet gelden, niet alleen in Judea, waar het was ontstaan, maar zelfs in Rome, waarheen uit alle richtingen alles stroomt wat verfoeilijk en beschamend is’.

Ten tijde van de Grote Brand van 64 hadden zich blijkbaar al wat christenen in de stad gevestigd. In elk geval waren het er zoveel dat toen Nero op zoek ging naar een zondebok ze niet alleen een geloofwaardig doelwit waren, maar hij er ook een aantal wist te laten oppakken (zij het niet de ‘enorme menigte’ uit de latere kronieken). En wie door Nero in staat van beschuldiging werd gesteld, was schuldig, en schuldigen werden bestraft. Hun misdaad was vreemd genoeg niet brandstichting, maar ‘haat jegens de mensheid’. De christenen werden ter dood veroordeeld.
 

=


Dat doodvonnis werd, zelfs naar de normen van Nero, op maniakaal inventieve wijze uitgevoerd. Sommige christenen werden in dierenvellen genaaid en vervolgens door wilde honden in stukken gescheurd. Anderen stierven door het vuur dat, zei men, zij hadden aangestoken. Toen het in Nero’s tuinen donker werd, werden christenen aan kruisen gespijkerd en vervolgens in brand gestoken, als een ongewone manier om licht te brengen in het duister. Nero opende zijn tuinen voor het publiek om dat mee te laten genieten. Misschien was het ook wel een waarschuwing. Terwijl de christenen stierven, liep hij tussen de mensen door, gekleed – om onduidelijke redenen, misschien alleen omdat hij van wagenrennen hield – als een wagenmenner. De hele vertoning was zo gruwelijk dat zelfs de Romeinen, toch geen volk dat wars was van spektakel waarbij mensen een pijnlijke dood stierven, zich er ongemakkelijk bij begonnen te voelen. Er kwamen reacties vol medelijden, ‘omdat het uitmoorden van de christenen niet het openbaar belang leek te dienen, maar voort leek te komen uit de bruutheid van één man’.

Op die manier is dus alles begonnen: Nero als eerste keizer die de christenen vervolgde. Volgens christelijke geschiedkundigen was het zeker niet de laatste. In de christelijke literatuur zouden Romeinse keizers en hun dienaren keer op keer worden afgeschilderd als door demonen bezeten dienaren van Satan met een onlesbare dorst naar christelijk bloed. Een bijzonder krachtig beeld. Alleen klopt het niet.


Martelaren en dramatiek – het is altijd een prima combinatie geweest. Toen William Caxton in de vijftiende eeuw Londen kennis liet maken met de eerste drukpers, was een van de boeken die hij drukte The Golden Legend, een verzameling heiligenlevens, of eigenlijk meer hun dood. De bundel, Legenda Aurea, rond 1260 geschreven door Jacobus de Voragine, was in de rest van Europa al een enorme hit. Caxton, niet alleen een goed zakenman, maar ook een kundig vertaler, zag er wel brood in. Hij vertaalde de verzen in pittig proza. De beschrijving van de dood van Sint-Albanus is karakteristiek voor de rest: ‘Zijn beul opende zijn navel en haalde daar een uiteinde van zijn darmen uit. Dat maakte hij aan een paal vast en die dreef hij in de grond. Vervolgens dreef hij de heilige om de paal heen, hem afranselend met een zweep, tot al zijn darmen uit zijn lichaam getrokken waren.’ Het was een goede keus: het boek werd een enorm succes en werd acht keer herdrukt. Een middeleeuwse bestseller.
 

=


De vervolgingen onder de Romeinen waren een vreselijke tijd geweest, maar in de herinnering van de latere kerk werd het ook als een glorieuze periode gezien. Volgens het populaire verhaal, waaraan ook nu nog in brede kring geloof wordt gehecht, traden in het hele Romeinse rijk christenen bereidwillig naar voren om te getuigen van hun geloof in de herrezen Christus, wat de gevolgen ook mochten zijn. In verhalen werden de vele duizenden christenen verheerlijkt die bereidwillig, vreugdevol zelfs, voor hun geloof waren gestorven. ‘Niet was de eerste groep veroordeeld,’ scheef Eusebius, een christelijke geleerde en bisschop, ‘of anderen stroomden van alle kanten op de rechter toe en verklaarden dat ook zij christen waren. Martelingen leken hen niet te deren.’

De christenen zeiden graag dat het schouwspel van geloofsgenoten die doodgemarteld werden potentiële bekeerlingen niet afschrikte, maar hen er juist toe bracht om zich bij de kerk aan te sluiten. Dat, beweerden christelijke schrijvers, was juist een goede manier om aanhang te winnen. Tertullianus, een christelijke apologeet, verwoordde het in zijn gebruikelijke levendige stijl: ‘Elke keer dat u ons met het zwaard doodt, worden wij talrijker. Het bloed van de christenen is zaad.’ Een andere auteur zag voor de doden een iets andere rol weggelegd in de tuin des geloofs en schreef: ‘Het bloed van de martelaren was als water voor de kerk.’

Deze martelaren vulden ook de inktpotten van de latere kerk, zodat er tal van verhalen over martelaren de ronde deden. De beelden in die verhalen hebben nog eeuwen grote invloed gehad op de Europese kunst. In de vierde eeuw werden er door de dichter Prudentius epen in versvorm geschreven over de martelaren. Liefdevol verwijlde hij bij details als uiteengereten vlees, allesverzengende vlammen en blootgelegde, maar nog kloppende organen. Die verhalen hadden zoveel invloed dat historicus Robin Lane Fox vermeldt dat toen de moslimautoriteiten van Córdoba in de negende eeuw een groep christenen ter dood brachten in het verhaal over hun proces stond dat ze voor een ‘consul’ geleid werden, alsof het allemaal in het oude Rome plaatsvond. Loop door een willekeurig Europees museum, en de muren hangen vol gruwelijke sterfscènes van martelaren, weergegeven met liefde voor elk akelig detail.
 

=
 

Martelaren werden kunst. En niet altijd goede kunst. Terwijl de vroegste (en betrouwbaarste) verhalen vaak roerend waren in hun eenvoud en eerlijkheid, ontspoorden de latere, met veel meer verzonnen elementen, maar al te vaak onder het gewicht van grof getekende personages, nauwelijks verhulde seksuele toespelingen en liters geronnen bloed.
 

'Elke keer dat u ons doodt, worden wij talrijker. Het bloed van de christenen is zaad'

De victorianen waren er uiteraard dol op. In de negentiende eeuw vloeiden talloze hymnen uit vrome pennen. ‘Glanzend glimmen de stenen die u terneder slaan’ – een regel uit een gedicht over de gestenigde Stephanus, met daarachter: ‘flonkerend van uw levensbloed.’
 

In 1895 kwam de Poolse schrijver Henryk Sienkiewicz met een roman die een internationale bestseller werd. In deze turf wordt het verhaal verteld van de christelijke martelaren die door Nero ter dood zijn gebracht. Het boek besluit met de opmerking: ‘Zo ging Nero voorbij, als een wervelwind, een storm, een vuurbal, als krijg of dood voorbijgaan; maar de kerk van Petrus staat nog immer, de eeuwen tartend, van de Vaticaanse hoogte stad en wereld haar macht doende gevoelen.’
 
Vandaag de dag is het boek vrijwel vergeten, maar de titel ervan, Quo Vadis, niet. Hollywood heeft er heel wat films en televisieseries over gemaakt. De beroemdste is een zwaarden-en-sandalen-epos uit 1951, waarin een kogelronde Peter Ustinov Nero speelt en met een kwaadaardige grijns toekijkt als christenen, in het wit gekleed en met een vroom gezicht, in de arena door leeuwen worden achtervolgd. Tot ze uiteindelijk worden verscheurd, weten ze nog psalmen te zingen ook.

Maar al zijn martelarenverhalen heel geschikt om er boeiende, aangrijpende films over te maken, weinig van die verhalen – en misschien wel helemaal geen – zijn gebaseerd op feiten. Er zijn gewoonweg niet veel jaren geweest waarin christenen op last van een keizer zijn vervolgd. Nog geen dertien op drie eeuwen Romeinse heerschappij. Het is begrijpelijk dat die jaren een zwaar accent hebben gekregen in de christelijke geschiedschrijving, maar als je toestaat dat ze die geschiedschrijving volledig beheersen – dat is in het verleden het geval geweest, en ook nu gebeurt het nog –, is dat op z’n minst misleidend en op z’n ergst een volstrekt onjuiste voorstelling van zaken.
 

=


In de eerste eeuwen dat deze nieuwe religie bestond, zijn christenen inderdaad plaatselijk vervolgd. Maar uit de eerste 250 jaar van het geloof is ons geen door de Romeinse overheid geïnstigeerde algemene vervolging bekend, met uitzondering van die door Nero. En Nero, onpartijdig in zijn gekte, vervolgde iedereen. Tweeënhalve eeuw lang heeft de Romeinse overheid de christenen met rust gelaten. Dus het beeld van reeksen keizers die op influistering van Satan dorstten naar het bloed van de gelovigen, is de zoveelste christelijke mythe. De hedendaagse historicus Keith Hopkins schreef: ‘In plaats van de traditionele vraag – “Waarom zijn de christenen vervolgd?” – met al zijn implicaties van onterechte onderdrukking en de uiteindelijke zegepraal, moeten we een heel andere vraag stellen: “Waarom zijn de christenen zo weinig vervolgd, en pas in zo’n laat stadium?”’

Toch hebben verhalen over martelaren enorme invloed gehad, niet het minst op het beeld dat het christendom van zichzelf had. Candida Moss, een hoogleraar met als specialisatie het vroege christendom, heeft gezegd dat in de jaren na de vervolgingen de christenen zichzelf vol trots zagen als de vervolgde kerk. De grootste helden van de kerk waren niet de gelovigen die goede daden verrichtten, maar de martelaren die op uiterst pijnlijke wijze het leven hadden gelaten. Als je bereid was om in de arena een gruwelijke dood te sterven, ging je rechtstreeks naar de hemel, hoe wankelmoedig je geloof daarvoor ook was geweest: het martelaarschap wiste alle zonden uit die je tot aan je dood had begaan. Martelaren arriveerden dus niet alleen eerder in de hemel, maar genoten daar ook een voorkeursbehandeling: ze mochten de felbegeerde martelaarskroon dragen.

Er werden verleidelijke hemelse beloftes gedaan: terwijl een maagd in de hemel een zestig keer beter bestaan genoot dan een gewone christen, was dat van een martelaar, zo zei men, wel honderd keer beter. Hoe men tot deze berekening kwam, is niet duidelijk, maar het algemene principe is dat wel: wie een vroege, publieke en pijnlijke dood stierf, kon rekenen op de hoogste beloning.
 
In veel verhalen over martelaren is de drijvende kracht niet zozeer dat de Romeinen willen doden als wel dat de christenen dood willen. En waarom ook niet? Het klinkt paradoxaal, maar zo doodgaan bood heel wat voordelen. Een daarvan was dat deelname voor iedereen openstond. Zoals George Bernard Shaw ruim duizend jaar later zuur opmerkte, was het martelaarschap de enige manier waarop je beroemd kon worden zonder iets te kunnen. Sterker nog: in een samenleving die werd gekenmerkt door grote sociale en seksuele ongelijkheid, bood dit vrouwen en zelfs slaven de kans om te schitteren. In het maatschappelijk sterk verkokerde rijk was dit een manier om roem te verwerven die openstond voor iedereen, ongeacht status, opleiding, rijkdom of sekse.

De socioloog Rodney Stark heeft opgemerkt dat – vooropgesteld dat je in de beloofde beloning gelooft – het martelaarschap een volkomen rationele keus is. Een martelaar kan aan het begin van zijn of haar laatste dag een van de nederigste mensen in het rijk zijn, en aan het eind een van de hoogstgeplaatste mensen in de hemel. Deze beloning was zo verleidelijk dat vrome christenen die in een tijd leefden waarin ze niet om hun geloof werden vervolgd, teleurgesteld waren dat hun de kans op een pijnlijke dood werd ontzegd. Toen keizer Julianus welbewust besloot om tijdens zijn bewind geen christenen terecht te stellen, schreef een ondankbare en ontgoochelde christelijke schrijver: ‘Julianus heeft onze strijders voor het geloof de eer van het martelaarschap ontzegd.’
 

Het martelaarschap bood vrouwen en zelfs slaven de mogelijkheid te schitteren

En christenen wilden niet alleen sterven, maar ook op een zo pijnlijk mogelijke manier. Een christen die kort daarop de martelaarsdood zou sterven, legde geïrriteerd uit dat hoe meer pijn was doorstaan, hoe rijker de hemelse kroon zou zijn: ‘Zij wier overwinning langzamer verloopt, en met meer moeilijkheden gepaard gaat, krijgen de mooiste kroon.’ Toen de martelaarsliteratuur een hoge vlucht nam, werden de beschrijvingen van het sterven van die martelaren zo fel-realistisch dat ze bijna wellustig overkomen. In een gruwelijk verhaal van Prudentius geeft een rechter opdracht een christen op de pijnbank te leggen ‘tot de gewrichten in benen en armen krakend bezwijken. Ontdoe dan met houwen van een mes zijn ribben van het vlees, zodat zijn organen zichtbaar worden, kloppend in de holte achter de wonden.’


=
 

We zijn vergeten dat veel van die vroege verhalen over martelaren behoorlijk bizar waren. Af en toe is het op het obscene af. Borsten, stevig, naakt of druipend van melk, komen herhaaldelijk voor. In latere verhalen wordt vrouwelijke martelaren vaak (en vaak onnodig) gelast om zich uit te kleden, en dan valt de menigte op hoe mooi ze zijn. Vaak sturen geile gouverneurs een christelijke schoonheid eerst naar het bordeel voor ze wordt terechtgesteld. In de apocriefe, maar ooit populaire Handelingen van Paulus en Thekla vormen passages waarin de lof wordt gezongen van de maagdelijkheid een wat ongemakkelijke combinatie met stukken die we het best als pikanterieën kunnen bestempelen. Thekla is een schoonheid die – uiteraard – maagd wil blijven. En natuurlijk moet ze zich herhaaldelijk uitkleden voor een menigte. Op een avond bezoekt ze Paulus in de gevangenis ‘en haar geloof werd versterkt toen ze zijn ketenen kuste’, een zin die genderwetenschappers decennialang werk heeft bezorgd.

In martelaarsgedichten zien moeders gretig de dood van hun kinderen aan. In een ervan vertelt een moeder genietend dat ze een zoon heeft gedragen die als martelaar zal sterven. Ze omhelst zijn lichaam en feliciteert zich met haar kind.

In een ander gedicht wordt een jongen zo gruwelijk gegeseld dat de ogen van allen die bij de terechtstelling aanwezig zijn, tot en met die van de Romeinse stenografen, nat van de tranen worden. De moeder daarentegen ‘toonde geen spoor van verdriet, en was de enige met een opgewekt en vreugdevol gelaat’. Bereidwillig draagt ze haar zoon naar de beul, en als het hoofd van de jongen van zijn romp wordt gescheiden, vangt ze het op ‘en drukt het blijmoedig tegen haar liefdevolle borst’.

Maar deed ze dat wel? Hoeveel van deze beroemde, zwaar op het gemoed werkende verhalen zijn echt gebeurd? De vroegchristelijke schrijver Origenes gaf toe dat er zo weinig christenen de martelaarsdood waren gestorven dat ze gemakkelijk te tellen waren en dat christenen slechts ‘af en toe’ voor hun geloof het leven hadden gelaten. Er deden misschien tal van verhalen de ronde, maar toen de kerk die wat beter bekeek, bleken het weinig meer dan verhalen te zijn. Ondanks alle hyperbolen was tijdens de jaren waarin christenen werden vervolgd de gemiddelde ‘jaarlijkse consumptie’ van martelaren, zoals de historicus Edward Gibbon het sarcastisch verwoordde, niet meer dan 150 per jaar.
 

= 


En veel van die jaren waren er ook al niet. Er zijn drie door de staat geïnitieerde perioden van vervolging geweest: die onder Decius, die onder Valerianus, zeven jaar later, en de Grote Vervolging, ongeveer vijftig jaar later, in 303. En alle drie de keren waren ze niet expliciet tegen christenen gericht. De eerste vervolging begon in 250, toen keizer Decius een edict liet uitgaan waarin van iedereen werd verlangd dat hij een offer bracht aan de keizer. Het brengen van zo’n offer, aan een god of een keizer, was een heel gebruikelijke manier om vast te stellen of iemand een christen was. Een christen weigerde dat natuurlijk – dat was dan ook de climax van menig martelaarsverhaal.

Wat Decius met zijn edict beoogde te bereiken, was loyaliteit binnen zijn rijk. Christenen mochten geen offers brengen aan een ‘demon’, en dus weigerden sommige gelovigen dat te doen. Het edict van Decius kostte een aantal christenen het leven, maar het was vrijwel zeker niet tegen hen alleen gericht. En de vervolgingen duurden ook niet lang: niet veel meer dan een jaar.
 

Thekla wilde maagd blijven, maar natuurlijk moet ze zich herhaaldelijk uitkleden

De vervolgingen onder Valerianus duurden ongeveer drie jaar, en ook nu vielen er weinig slachtoffers. Het is waar dat bij de Grote Vervolging ongeveer de helft van alle christelijke martelaren de dood vond, maar in het westen van het rijk verliep deze campagne al snel en na tien jaar werd er officieel een punt achter gezet. Tijdens de vervolgingen ging het er echter vreselijk aan toe. Heilige geschriften werden verbrand, christenen werden gemarteld en gedood, en kerken werden met de grond gelijkgemaakt. Maar de omvang bleef beperkt. Af en toe waren er ook plaatselijke vervolgingen, maar die vonden sporadisch plaats en hadden weinig tot geen effect op de verspreiding van het geloof. De Romeinen deden geen poging om het christendom uit te roeien. Als ze dat wel hadden gedaan, zou hun dat vrijwel zeker zijn gelukt.

Inmiddels loopt het aantal christenen die de martelaarsdood zijn gestorven en als heiligen zijn geboekstaafd gestaag terug. Toen de kalender met heiligendagen aan een nauwgezet onderzoek werd onderworpen, bleek die eerder op romantische fictie dan op historische feiten te berusten. Sommige heiligen zijn vele malen opgenomen, van andere zijn op z’n minst de namen verkeerd opgeschreven, of ze zijn verward met de consuls van dat jaar, en weer andere lijken nooit bestaan te hebben. Inmiddels denkt men dat nog geen tien verhalen over martelaren van de vroege kerk op waarheid berusten. Hoe inspirerend en onderhoudend de verhalen over al die martelaren ook mogen zijn, ze geven blijk van – in de woorden van historicus Geoffrey de Ste. Croix – ‘een steeds groter wordende minachting voor de historische feiten’.

Dit artikel is een ingekort hoofdstuk uit Eeuwen van duisternis. De christelijke vernietiging van de klassieke cultuur (416 p. Hollands Diep, € 29,99) van Catherine Nixey. Deze Britse historicus ontkracht daarin mythen over het christendom. De vroege christenen waren volgens haar militant en onverdraagzaam. Wie zich niet naar het nieuwe geloof voegde werd vervolgd, gemarteld en vermoord. Zo ging de klassieke beschaving ten onder.

Blijf op de hoogte via onze nieuwsbrief

Gouden Eeuw

Eerste Wereldoorlog

Tweede Wereldoorlog

VOC

Middeleeuwen