Contact | Adverteren | Login | Lezersservice

De Olympische Spelen van Hitler

Door: Auke Kok

Schaamteloos misbruikten de nazi’s de Olympische Spelen in 1936 voor hun propaganda. De Nederlandse sporters ondergingen het gelaten. Hun belangrijkste besluit: niet groeten met de rechterarm gestrekt omhoog.

Historisch Nieuwsblad 5/2016

De ware olympische geest

Wanneer Adolf Hitler in januari 1933 is benoemd tot rijkskanselier, hebben de aanhangers van de olympische beweging goede redenen om met bezorgdheid naar de kalender van 1936 te kijken. In augustus van dat jaar moeten de Spelen plaatshebben in Berlijn, en met zijn oorlogsretoriek lijkt Hitler lijnrecht tegenover de olympische gedachte te staan. Begrip en verzoening tussen de volkeren is wel het laatste waar zijn Nationaal-Socialistische Duitse Arbeiderspartij (nsdap) voor is opgericht.

Der Völkische Beobachter, de officiële partijkrant, sprak er al schande van dat ‘zuivere’ Duitsers op de Spelen in Los Angeles in 1932 waren uitgekomen tegen negers, Joden en andere ‘inferieure rassen’. In het wereldbeeld van Hitler en zijn propagandaminister Joseph Goebbels vormen Joden en marxisten de belichaming van het kwalijke internationalisme, en de olympische beweging koestert juist dat: een universele, opvoedkundige droom van vrede en kansen op deelname voor iedereen, zonder invloed van politiek en godsdienst.
 

Het voortbestaan van de Spelen

Een halfjaar voor zijn aantreden deed Hitler het vierjaarlijkse sportevenement nog af als een bedenksel van Joden en vrijmetselaars. Dat ziet er beroerd uit voor de Spelen van 1936. Verder weg van de romantiek van Pierre Baron de Coubertin (1863-1937), de bedenker van de moderne Spelen, lijkt een ideologie niet te kunnen zijn. Coubertin koesterde idealen van vrede en verdraagzaamheid, en dat kun je van Hitler niet zeggen.

Ook in Duitsland zelf zijn enkele vooraanstaande olympische bestuurders er weinig gerust op, temeer daar Hitler in enkele maanden tijd veel macht naar zich toe trekt. Maar de ‘Engelse’ sporten om zeep helpen doet hij niet. En de organisatie van de Spelen teruggeven aan het Internationaal Olympisch Comité (ioc) doet hij evenmin. De Führer zet de lijn van de Weimarrepubliek, waarin alle sportbeoefening al veel staatssteun kreeg, gewoon voort.
 
Vooral in de Angelsaksische pers gaan er stemmen op om uit principiële overwegingen niet naar Berlijn af te reizen zolang de nazi’s doorgaan met het isoleren en uitsluiten van Joodse sporters. Maar tot verrassing van velen bezweren de Duitsers dat het olympisch handvest onverkort zal worden nageleefd. Joden zullen gewoon kunnen meedoen aan de Spelen; op sportief gebied zullen zij niets te vrezen hebben. Na deze belofte lopen de discussies in veel landen hoog op, aangezien de vraag centraal komt te staan of je de nazi’s wel op hun woord kunt vertrouwen.
 

Debat over deelname

In veel westerse landen wordt er uitgebreid gedebatteerd over deelname, wat mede het gevolg lijkt van een paradox in de olympische gedachte. Want strikt genomen was Pierre de Coubertin niet zo apolitiek als het leek toen hij zijn ideaal van de Olympische Spelen formuleerde. Weliswaar schreef het olympisch handvest voor dat atleten werden beschouwd als individuen, in werkelijkheid marcheerden ze vanaf de eerste moderne Spelen in 1896 de stadions binnen als een soort paramilitaire troepen.

De winnaars werden geëerd met de klanken van hun nationale volkslied en het hijsen van hun nationale vlag, en sinds de ouverture in Athene wonnen de Spelen telkens aan prestige. Het chauvinisme werd hierdoor misschien nog wel meer gestimuleerd dan de verzoening. Wat een strijd zou moeten zijn tussen eenlingen leek verdacht veel, en in toenemende mate, op een wedijver tussen landen.
Waar de Spelen in het oude Olympia te allen tijde doorgingen, werden die van 1916 afgelast vanwege de Eerste Wereldoorlog. En sterker: na de vredesondertekening van 1918 mocht Duitsland twee keer niet meedoen vanwege de gruwelen in de loopgraven. En niet toevallig werden de eerste naoorlogse Spelen, in 1920, gehouden in Antwerpen – als een gebaar naar België, waarvan eerst de neutraliteit laf was geschonden door Duitsland en dat vervolgens zo zwaar had geleden onder het oorlogsgeweld. Opnieuw een teken dat de politiek nooit ver weg was bij de moderne Spelen.

Dat bleek wederom uit de weigering de communistische Sovjet-Unie uit te nodigen; ook het Nederlands Olympisch Comité (noc) was daar in 1928 niet toe bereid. Zelfs de toekenning van de Spelen van 1936 aan Berlijn had politieke achtergronden. Dat besluit dateerde al van 1929, toen een verzegeling van de re-integratie van Duitsland in de internationale gemeenschap zeer wel op zijn plaats leek. Na het Verdrag van Locarno (1925) en het lidmaatschap van de Volkenbond (1926) deed Duitsland voor het eerst weer mee aan de Spelen in Amsterdam (1928) en mocht het als volgende stap zelf het sportfeest organiseren.
 
In het kleine en economisch afhankelijke Nederland blijven de discussies binnen de perken. De sfeer is er in het algemeen een van volgzaamheid en verlangen naar orde en vooruitgang in Duitsland. Dat verlangen is haast voelbaar als de Nederlandse atleten eind juli 1936 in Berlijn arriveren. ‘Een duizendkoppig publiek juicht onze jongens en meisjes hartelijk toe,’ noteert een meereizende reporter blij. ‘Omstuwd door vier politiemotoren met dubbele bemanning, zet onze kleine stoet zich in beweging.’
 

De olympische groet


Vanuit de Friedrichstrasse, een oude en drukke winkelstraat in het midden van de stad, draait de stoet rechtsaf Unter den Linden op. Daar ontrolt zich iets wat in de ogen van de Nederlanders, vertrouwd met trapgeveltjes en grachtjes, haast exotisch aandoet. De negentiende-eeuwse ‘pronkstraat’ Unter den Linden lijkt zo breed als een Autobahn en ze wordt geflankeerd door immense gebouwencomplexen, met op de daken steigerende paarden, soldaten met een zwaard en kanonnen, heldinnen in een weelderige jurk, alles sterk en frivool en vol van strijd en overwinning.
Overal langs de boulevard en in de zijstraten hangen olympische en hakenkruisvlaggen aan de huizen. Ze hangen ook aan masten op de wandelpromenade in het midden van de straat. De stad is kleurrijk, levendig, opgetogen. En nergens een bord met ‘Verboden voor Joden’ of bekladde Joodse winkels. Als je om je heen kijkt op Unter den Linden, zou je zweren dat de verhalen over intimidatie en onderdrukking overdreven zijn, of zelfs gelogen. Opgelucht reppen sommige Nederlandse journalisten van de ‘ware olympische geest’ die over de stad is neergedaald.
 
In dit spanningsveld zou het wel bijzonder vreemd zijn – provocerend zelfs – als de Nederlandse sporters tijdens het defilé, een vast onderdeel tijdens de openingsceremonie, de olympische groet zouden brengen. Die neiging hadden zij in het verleden al niet, en deze keer zijn er extra complicaties.
De olympische groet lijkt sprekend op de Deutscher Gruss, zoals de nazigroet heet sinds deze verplicht is gesteld als blijk van gehoorzaamheid aan de Führer. Zowel bij de Deutscher Gruss als bij de olympische groet wordt de rechterarm gestrekt de lucht in gestoken – en opvallend daarbij is dat ze beide voortkomen uit fictie. De oudste bron is waarschijnlijk een schilderij: op De eed van Horatius van Jacques-Louis David uit 1784 strekken enkele soldatenfiguren hun arm bij wijze van begroeting. Hun ‘Ave!’ keerde honderd jaar later terug in toneelstukken en tijdschriften, en nog later ook in films, waarschijnlijk omdat men toen was gaan denken dat de oude Romeinen deze Saluto Romano werkelijk hadden gemaakt. Vervolgens werd de gestrekte arm in de jaren twintig weer overgenomen door Italiaanse fascisten én door aanhangers van de olympische beweging.

Tot 1936 vormde het strekken van de arm niet zo’n kwestie op de Spelen, maar nu de nazi’s de Gruss van de Italiaanse zwarthemden hebben overgenomen en tot een onderdeel van de leiderscultus hebben gemaakt, wordt in veel nationale equipes de vraag gesteld op welke wijze de notabelen tijdens de openingsceremonie het best tegemoet kunnen worden getreden. De meeste equipes, waaronder de Nederlandse, besluiten de armen voor alle zekerheid omlaag te houden.
 

Propaganda op het Maifeld 

Om kwart voor vier, stipt volgens schema, verschijnt Adolf Hitler op het Maifeld, pal naast het Olympiastadion. De ‘vredeskanselier’ loopt tussen de atleten en soldaten door naar de hoogwaardigheidsbekleders die op hem staan te wachten, onder wie de in rokkostuum gestoken ioc-voorzitter Baillet Latour en Theodor Lewald, de leider van het organisatiecomité dat de Spelen naar Duitsland heeft gehaald in een poging het isolement van zijn land op te heffen. De heren geven elkaar een hand, en samen met de andere leden van het Internationale en het Duitse Olympisch Comité, en geflankeerd door tientallen militaire officieren en sa’ers, begeeft het gezelschap zich naar het Olympisch Stadion.

Als Hitler en zijn gevolg langs de Marathontoren het volledig uit natuursteen opgebouwde stadion binnengaan en zij in vol ornaat de trappen afdalen, is het gejuich tot op het Maifeld te horen. Een luidkeels ‘Heil Hitler!’ golft over de randen van de granieten sportkathedraal. Onderweg naar het ereterras krijgt de Führer bloemen aangereikt door een meisje in een wit jurkje, waarna hij zijn weg vervolgt onder de klanken van de Huldigingsmars van Richard Wagner. Het beeld van Hitler als de brenger van daadkracht en vrede lijkt met elke stap overtuigender te worden.
Dan volgen de klanken van Das Deutschlandlied, gevolgd door het Horst Wessellied. De samenvoeging van de bekende volkshymne van Joseph Haydn met het lied van de nsdap geeft aan hoezeer partij en staat in het totalitaire Duitsland zijn samengevloeid. Daarnaast illustreert de opvoering van het volkslied, dat eigenlijk ongepast is in deze situatie, dat hier meer aan de hand is dan een olympische gebeurtenis. Veel meer. En uiteraard wordt het volkslied massaal meegezongen.
Na afloop van de plechtigheden marcheren 3000 atleten en hun leiders onder begeleiding van Georg Friedrich Händels Halleluja het stadion uit: de elfde Olympische Spelen kunnen beginnen.

Auke Kok is maatschappijhistoricus en journalist. 

Ben Bril doorzag propagandastunt nazi’s
Dwarse bokser

Ben Bril was een Amsterdamse bokser van Joodse afkomst. Hij werd het boegbeeld van de weinige atleten die weigerden naar Berlijn te gaan. Hij zag in 1934 al hoe de Joden daar werden vernederd en buitengesloten. Bril hield zijn poot stijf omdat hij niet wilde meewerken aan wat in zijn ogen wel moest uitdraaien op een stunt ten gunste van Adolf Hitler. Hoewel hij zich inspande om medestanders te vinden, kreeg hij slechts enkele andere boksers aan zijn zijde.

Rie Mastenbroek genoot van Berlijn
Onwetende zwemster

Rie Mastenbroek was een zwemster uit een Rotterdamse volksbuurt. Ze ging als 17-jarige naar Berlijn en wist van niets. Dat bleef ze de rest van haar leven volhouden. Ze genoot ervan en vond alles in Berlijn prachtig: van de ongekende faciliteiten tot het publiek. Mastenbroek won drie gouden en een zilveren medaille, en was daarmee de vrouwelijke tegenhanger van de wonderatleet Jesse Owens. Na de oorlog werd ze met de nek aangekeken vanwege ‘1936’ en ze zou daar de rest van haar leven last van houden.

Tinus Osendarp ging bij de SS
 ‘De snelste blanke ter wereld’

De hardloper Tinus Osendarp uit Rijswijk won als eerste Nederlander een bronzen medaille op de 100 meter, het koningsnummer van de Spelen. Op de 200 meter werd hij opnieuw derde. Beide keren achter twee zwarte Amerikanen. Osendarp werd meteen ‘de snelste blanke ter wereld’ genoemd: een middel voor de Duitsers om het niet over Jesse Owens te hoeven hebben. Ook in Nederland werd ‘de snelste blanke’ het etiket van Osendarp, die in de bezettingstijd bij de ss ging en voor de Sicherheitsdienst zou gaan werken. Hij zou daarvoor zwaar worden gestraft.



Bestel hier het boek 1936. Wij gingen naar Berlijn. van Auke Kok.

Blijf op de hoogte via onze nieuwsbrief

Gouden Eeuw

Eerste Wereldoorlog

Tweede Wereldoorlog

VOC

Overvloed en onbehagen

'Een rijk geïllustreerd boek om eindeloos in te dwalen.'

€ 75,00 | Koop nu

Middeleeuwen