Contact | Adverteren | Login | Klantenservice | Privacy
Log in
Wachtwoord vergeten
Historisch Nieuwsblad 12/2015

Suriname 40 jaar onafhankelijk

Suriname gelooft er weer in

Door: Guido van Hengel
Met deze knop kunt u artikelen toevoegen aan een leeslijst op uw persoonlijke pagina. Klik hier om in te loggen.

Veertig jaar na de onafhankelijkheid gaat Suriname de goede kant op. Dat blijkt uit een enquête onder Surinamers van het Rijksmuseum en Historisch Nieuwsblad. Maar de wrok over de rol van Nederland is nog altijd groot.

Na een eeuwenlange Nederlandse overheersing werd Suriname veertig jaar geleden onafhankelijk. Op 25 november 1975 knipte de regering van Joop den Uyl de navelstreng met het ‘moederland’ definitief door. Dit jaar vieren en herdenken Surinamers dus vier decennia onafhankelijkheid. Een relatief korte periode, die helaas niet altijd vrolijk stemt.

In 1980 vond een staatsgreep plaats, de ‘revo’, gevolgd door de dictatuur van legerleider Desi Bouterse. In december 1982 schoten soldaten van het leger vijftien dissidenten dood in Fort Zeelandia: een dieptepunt in de Surinaamse geschiedenis. De wankele ex-kolonie werd daarna jarenlang geteisterd door geweld, corruptie, machtsmisbruik en onderlinge etnische spanningen. Duizenden Surinamers namen de wijk naar het land van de voormalige kolonisator en kwamen terecht in grauwe buitenwijken van de Randstad. Voor velen liep de bevrijding van de dekolonisatie uit op een deceptie.

En zo werd het ook gevoeld. In 2000, na een kwarteeuw onafhankelijkheid, hield Historisch Nieuwsblad een onderzoek onder meer dan vierhonderd Surinamers in Nederland. Zij oordeelden vernietigend en gaven de eerste vijfentwintig jaar in vrijheid een gemiddeld rapportcijfer van een 4. Een Hindoestaanse vrouw gaf zelfs een 1: ‘Het is hopeloos, iedereen gaat weg. Als het volk weg is, heb je geen toekomst meer.’

Postkoloniale ellende

De resultaten van dat onderzoek lieten ook duidelijk zien dat de meeste Surinamers ook in 1975 al ontevreden waren met de onafhankelijkheid. Meer dan de helft (59 procent) had in 1975 liever gezien dat Suriname bij Nederland was gebleven. Vooral de Hindoestanen (84 procent) en Javanen (71 procent) vonden dat Nederland Suriname niet zomaar had mogen opgeven. Ze waren bevreesd voor dominantie van de creolen, en geloofden niet dat de kolonie wel op eigen benen kon staan. ‘Ik verwachtte dat Suriname één groot rommelhok zou worden,’ aldus een van de toenmalige tegenstanders.

De schuld van de postkoloniale ellende legden veel Surinamers in 2000 bij nationale politici in Paramaribo, maar anderen vonden dat de Nederlandse regering jammerlijk had gefaald bij de dekolonisatie. Over de positie van ‘Bouta’, de legerleider en vermeende drugscrimineel, waren veel respondenten het in 2000 eens: 84 procent vond dat hij vervolgd moest worden.

Die tijd is voorbij, en daarmee zijn de resultaten van de enquête van 2000 dan ook achterhaald. Dat is niet verwonderlijk: op veertig jaar onafhankelijkheid is vijftien jaar een tijdperk. De enquêteresultaten van toen weerspiegelen een Suriname dat nauwelijks meer bestaat. Al zijn er ook constanten. Desi Bouterse beleeft tegenwoordig zijn derde jeugd als president. En hij is populairder dan ooit. De jongeren - ruim een derde van de Surinaamse bevolking - zien in hem een leider die Suriname met schwung en daadkracht naar de toekomst loodst. In Nederlandse media is hij vooral een soort booswicht, maar in de Suriname is Bouta voor velen een joviale oom in hawaïhemd, een vaderfiguur - ja, zelfs een verzoener.

Jonge generatie

De vragen van de enquête uit 2000 zijn opnieuw gesteld aan een even zo groot aantal Surinamers in Nederland. Ook is gekeken naar de huidige staat van de voormalige kolonie. Wat hebben de laatste vijftien jaar veranderd aan het beeld dat de meeste Surinaamse Nederlanders hebben van de definitieve scheiding van 1975? De resultaten van dit onderzoek leggen niet alles bloot, en zijn ook voor meerdere interpretaties vatbaar. Maar sommige antwoorden vallen toch meteen op.
Allereerst zijn veel Surinamers optimistischer gestemd: de jonge generatie gelooft in een betere toekomst. Zij hebben daar ook reden toe: in de afgelopen vijftien jaar is Suriname er in veel opzichten op vooruitgegaan. De infrastructuur is verbeterd, er zijn prestigieuze bruggen gebouwd, en steeds meer toeristen vinden hun weg naar het land. In de enquête valt de naam van Bouterse zelden, maar wie goed leest ziet hem overal.

Desi Bouterse: in 2000 vond 84 procent dat hij moest worden vervolgd

Veel respondenten geloven bijvoorbeeld dat de verbetering inzette in 2010 - het jaar waarin Bouterse president werd. Iemand van de oudere generatie: ‘Vanaf 2010 is er meer ontwikkeling in Suriname: langzame economische groei, wegen- en bruggenbouw en internationale handel.’ De lucratieve deals die Bouterse heeft gesloten met omliggende landen, maar ook met China, worden genoemd. ‘Door de komst van de Chinezen zijn nu veel meer spullen beschikbaar.’

Vanwege deze positieve ontwikkelingen is, volgens veel respondenten, ook de mentaliteit veranderd. ‘Het volk wordt door schade en schande bewuster van de eigen verantwoordelijkheid. De “hand-openhoudenmentaliteit” verandert langzaam maar zeker.’ Een belangrijk rol hierbij spelen de jongeren, die zich weinig meer kunnen herinneren van de Decembermoorden in 1980 en de binnenlandse oorlog, en die de toekomst met vertrouwen tegemoet zien. Iemand van de jonge generatie zegt: ‘Langzaam lijkt de Surinaamse jeugd los te komen van het koloniale juk van Nederland. Jongeren worden nu nadrukkelijker meegenomen in de economische mogelijkheden in het land.’

Natievorming

In deze optimistische sfeer beginnen de etnische tegenstellingen in de zeer diverse Surinaamse samenleving te vervagen. Verschillende respondenten noemen dit een belangrijke doorbraak in de ontwikkeling van Suriname: ‘Na vallen en opstaan kunnen we spreken van een begin van natievorming. De gemengde-politiekvoering is daar de basis van. Op etniciteit gestoelde politieke partijen zijn op hun retour. Meer etnische groepen worden betrokken bij de besluitvorming.’ Het lijdt geen twijfel dat in dit citaat verwezen wordt naar de etnisch-gemengde Megacombinatie van Bouterse.
 
Zowel in 2000 als in 2015 beoordeelde de meerderheid van de respondenten de Nederlandse rol ná de dekolonisatie zeer negatief. In 2000 was dat 59 procent en in 2015 zelfs 73 procent. Een reden voor die forse stijging zou kunnen zijn dat er nu, na veertig jaar, meer inzicht is in de postkoloniale ontwikkelingen. De meeste Surinamers komen tot de conclusie dat Nederland de voormalige kolonie gewoon in de steek heeft gelaten: ‘Nederland heeft zijn doel bereikt. Van Suriname af en met rotzooi achtergelaten!’

De verwijten over de rol van Nederland tijdens en na de onafhankelijkheid zijn talrijk en divers. Zo vinden sommigen dat Nederland had moeten ingrijpen toen in Suriname een bloedige binnenlandse oorlog woedde. Anderen vinden dat Nederland juist een hand had in het ontstaan van diezelfde chaos rondom die burgeroorlog, vanwege de etnische ‘verdeel-en-heerspolitiek’, die gedurende eeuwen van onderdrukking een stempel heeft gedrukt op de samenleving. Maar de meeste verwijten betreffen betutteling en hypocrisie van de regering in Den Haag: ‘Nederland heeft niet laten blijken echt te geloven in de zelfstandigheid van Suriname en trok te pas en te onpas geld in als Nederland vond dat Suriname zich niet goed gedroeg.’

Geloof in betere toekomst

Een minderheid oordeelt milder. Zevenentwintig procent vindt dat Nederland na 1975 goed is omgesprongen met Suriname. Wie tussen de regels leest, ziet echter dat de goedkeuring voor het Nederlandse beleid eigenlijk een afkeuring van het Surinaamse beleid is: ‘De begeleiding die Suriname kreeg was goed, goed om het op weg te helpen.’ Maar: ‘Suriname heeft hier geen goede invulling aan gegeven.’

Terugkijkend is de belangrijkste vraag of de onafhankelijkheid een goede of een slechte zaak was. Van de 241 respondenten die in 1975 oud genoeg waren om een vergelijking te kunnen maken, denkt 31 procent dat het een goede zaak was, tegenover 56 procent die negatief oordeelt. Wie de toelichtingen leest, ziet dat er met de jaren een genuanceerder beeld is ontstaan van de dekolonisatie.

Omdat de respondenten van 2000 en 2015 niet dezelfde zijn, moeten we afgaan op de door henzelf gemaakte historische vergelijkingen, veelal gebaseerd op herinneringen. De voorstanders van toen kijken anno 2015 vaak nuchter naar de geschiedenis: ‘Met veel problemen gaat het langzamerhand de betere kant op.’ En: ‘Het is een jonge natie, slechts veertig jaar. Het komt wel goed.’

Nederland: in 2015 is 73 procent negatief over het 'moederland'

Een wat oudere Surinamer concludeert: ‘Ondanks de turbulente periode is Suriname erop vooruitgegaan. Het volk is zich nu bewust van zijn geschiedenis. […] Het zelfbewustzijn is versterkt! Zelfs na het stopzetten van de ontwikkelingshulp heeft Suriname het hoofd boven water gehouden. Suriname is wel door een diep dal gegaan met de staatsgreep en de Decembermoorden, maar uiteindelijk is het redelijk goed gekomen.’
 
Is er dan niets problematisch? Zeer zeker wel. Over de hele linie valt er nog veel te klagen. Antwoorden uit de enquête staan nog vol bittere observaties over een land dat op veel fronten de boot gemist heeft: ‘Suriname is een mooi land, maar hoe daarmee omgegaan wordt is vreselijk. De leiders zijn niet capabel genoeg om het land naar grotere hoogten te brengen […] corruptie en nepotisme woekeren in de regering. Deze factoren belemmeren de vooruitgang van het land.’

Het grote verschil met de resultaten van 2000 is echter dat er meer zelfreflectie is, meer nuance, en meer geloof in een betere toekomst. Sommige problemen lijken zelfs overkomelijk, ook de corruptie, de criminaliteit en de ondeskundigheid van de politieke elite. Met andere woorden, Suriname heeft van ver moeten komen, maar er zit schot in de zaak. ‘Het is absoluut niet gemakkelijk om na eeuwen onder een ander bewind nu zelf verantwoordelijk te zijn voor eigen bestuur. Het is pas sinds de laatste vijf jaar dat Suriname echt onafhankelijk is zonder bemoeienis van Nederland, en nu pas telt Suriname ook internationaal mee als soevereine staat,’ aldus een jonge Surinaamse Nederlander.
 
Guido van Hengel is historicus.