Contact | Adverteren | Login | Klantenservice | Privacy
Log in
Wachtwoord vergeten
Historisch Nieuwsblad 10/2015

De pers chanteerde koning Willem II

Door: Hans Renders
Met deze knop kunt u artikelen toevoegen aan een leeslijst op uw persoonlijke pagina. Klik hier om in te loggen.

Het koningshuis kon beter worden afgeschaft, zo vond een groep negentiende-eeuwse journalisten. Ze publiceerden dus het ene na het andere schandaal over Willem II. Maar ze zagen ook kans hem daarmee te chanteren.

Radicale liberalen

In de jaren veertig van de negentiende eeuw vormde Nederland een vruchtbare voedingsbodem voor radicale ideeën. Niemand was tevreden. Er werd geprotesteerd tegen het regenteske regeringsbeleid en de macht van de koning.  Maar de onvrede kon ook de bijna jaarlijkse misoogsten betreffen of de economie die in het slop zat, omdat koning Willem I het land met een grote staatsschuld had achtergelaten.

Veel is geschreven over de liberalen die zich op de golven van deze problemen profileerden, maar veel minder over een aantal agitators en publicisten die we het best met de naam ‘radicalen’ kunnen aanduiden. Zij sloten zich in menig opzicht bij de liberalen aan, maar traden vooral op als verdedigers van de belangen van de kleine burgerij en van het ‘volk’, twee in de politieke strijd van die dagen vergeten groepen.

Zelf noemden deze radicale liberalen zich op een enkele uitzondering na geen ‘radicalen’. Ze presenteerden zich onder de term ‘oppositie’, en toen de grondwetswijziging van 1848 in zicht kwam, afficheerden ze zich als ‘democraten’. Hun programma was gericht op de inrichting van het openbaar bestuur, zoals rechtstreekse verkiezingen van de gemeenteraad, rechtstreekse verkiezingen van de leden van de Tweede Kamer, invoering van de ministeriële verantwoordelijkheid en - nog steeds een actueel thema - opheffing van de Eerste Kamer.

De meeste aandacht echter kregen de radicalen met hun standpunten over het koningshuis. Dat moest afgeschaft worden, de Oranjes verbannen, de adel afgeschaft, en de werkende klasse zou moeten worden ‘geëmancipeerd’. Om dit alles te bereiken was een ‘democratisering’ van de grondwet vereist.
 

Radicalen deinsden er niet voor terug zich schaamteloos over te geven aan chantagejournalistiek

De onvrede over het politieke klimaat dwong de elite in het defensief. En dat werd alleen maar verergerd door de opkomst van een bepaald soort kranten waarin misstappen van hooggeplaatsten breed werden uitgemeten en bekritiseerd. Tegelijkertijd deinsden de radicalen er niet voor terug zich schaamteloos aan chantagejournalistiek over te geven.
    
De liberalen vielen uiteen in verschillende kampen en bevochten elkaar via hun eigen kranten. Zo was de Arnhemsche Courant spreekbuis van de ultraliberalen met mr. D. Donker Curtius als leider en presenteerden de rechts-liberalen - Thorbecke was de bekendste - zich via het Algemeen Handelsblad.
 

Constitutionele monarchie

Politieke partijen in moderne zin bestonden nog niet, maar men roerde zich wel in groepsverband. Daar was ook alle aanleiding toe, want na de afscheiding van België kwam de regering in 1839 met een voor velen teleurstellend voorstel voor een nieuwe grondwet. In enkele brochures uit 1838 en 1839 had Donker Curtius onder meer gepleit voor een constitutioneel koningschap, ‘waardoor oligarchische intriges verhinderd konden worden’ en voor de mogelijkheid een motie van wantrouwen tegen een minister in te dienen.

Geen van zijn voorstellen werd in de nieuwe grondwet van 1839 gehonoreerd. De liberalen voelden zich steeds minder serieus genomen en waren daarom bereid zich te associëren met de radicale varianten van het liberalisme.

De troonswisseling in november 1840, toen Willem II zijn vader opvolgde, bracht allerlei schandalen aan het licht. Willem II had als kroonprins al de reputatie dat hij een losbol was, die steeds van politieke kleur veranderde. Zijn uitbundige levensstijl met seksuele uitspattingen gaf aanleiding tot menig krantenartikel en zijn omgang met verdachte figuren als gevolg van die riskante levensstijl maakte hem kwetsbaar. De verdenking dat hij twintig jaar eerder de hand had gehad in de diefstal van de juwelen van zijn vrouw Anna Paulowna om zijn gokschulden te kunnen aflossen, moest steeds weer tegengesproken worden.
 

De verdenking dat Willem II de hand had gehad in de diefstal van de juwelen van zijn vrouw Anna Paulowna om zijn gokschulden af te lossen, moest steeds weer worden tegengesproken

Hij werd met deze en andere kwesties simpelweg gechanteerd. In ruil voor een toezegging om iets niet te publiceren, betaalde Willem menig journalist.

Doorgaans was de werkwijze van deze chantagejournalisten als volgt: een vette roddel of een geconstrueerd schandaal werd als artikel in een krant of als apart pamflet gedrukt. Deze tekst werd bij de koning afgeleverd met het aanbod de hele oplage voor een fors bedrag op te kopen. Natuurlijk bestond er vaak geen ‘hele oplage’ en werd het verhaal later in wat afgezwakte vorm alsnog gepubliceerd.

 De inhuldiging van Willem II

De kluwen van economische malaise, politieke onrust, de curieuze levenswandel van de koning en niet te vergeten de roep om liberalisme in bijna heel Europa vormden de perfecte voedingsbodem voor een type journalistiek dat daarvoor niet bestaan had.

In de patriottentijd waren er wel oproepen voor ‘grondwettig herstel’ en ‘democratisch patriottisme’ geweest, maar de poging ook de volksklasse te bereiken door middel van opruiende blaadjes lukte in de achttiende eeuw maar op beperkte schaal.
 

Andringa de Kempenaer, Meeter en Van Bevervoorde

Nu was de tijd er rijp voor. De bekendste journalisten, oppositievoerders en afpersers waren Regnerius Livius van Andringa de Kempenaer, avonturier en politiek agitator, en Eillert Meeter, de eerste dagbladschrijver die democratische denkbeelden propageerde. Maar ook opportunist en intrigant jonkheer Adriaan van Bevervoorde, die chantage en corruptie eveneens koppelde aan een oprecht streven naar een democratische vernieuwing.

Merkwaardig genoeg lieten deze drie radicale journalisten tegen het autoritaire gezag van Willem II zich vroeg of laat ook door diezelfde vorst betalen. In het geval van Andringa de Kempenaer voor een adviseurschap aan het hof. Meeter en Van Bevervoorde lieten zich zonder scrupules een toelage als zwijggeld uitkeren.
 
Radicale journalisten kwamen vaak uit het noorden van ons land, meestal uit Groningen. Daar waren in 1839 twee horecagelegenheden broeinesten van politieke activiteit, namelijk de herberg van Van der Laan en het koffiehuis van P.J. de Jonge.

Deze De Jonge was in een proces wegens laster verzeild geraakt als gevolg van een conflict met de rijksontvanger. Hij had hierdoor een moeizame verhouding met de autoriteiten. Zijn koffiehuis werd zo het middelpunt voor allerlei lieden die zich achter­uitgezet of tekortgedaan voelden. Onder hen bevond zich ook de 21-jarige Eillert Meeter, die er naar zijn zeggen de radicale denkbeelden opdeed die hij spoedig in het openbaar zou verkondigen. Het meest provocerende idee van Meeter was de oprichting van een Republikeins Genootschap, maar ook wilde hij dat de helft van de Provinciale Staten door de gemeenteraden werd gekozen (de andere helft door de landeigenaren, dus zo radicaal was hij nu ook weer niet).


'Dood aan de koning'

De ‘groep van De Jonge’ kwam in contact met ‘de groep van Van der Laan’ en uit beider samenwerking ontstond het blad De Tolk der Vryheid, waarvan Meeter de hoofdredacteur werd. Omdat Meeter tijdens de meikermis op de Grote Markt in Groningen ‘Leve de Republiek’ en ‘Dood aan de koning’ begon te roepen, werd hij gevangengenomen.

Hoewel hij werd vrijgesproken, begon justitie hem kort daarna weer te vervolgen vanwege opruiende artikelen in De Tolk der Vryheid. Lopende het proces vluchtte hij naar België en van daaruit naar Parijs.
 
De strijd van de radicalen in Nederland is veelal gevoerd door journalisten. In alle publicaties over Willem II en de grondwetswijziging wordt gesproken over de ‘schandaalpers’ en ‘schendblaadjes’. Die kwalificaties zijn niet helemaal terecht, want evengoed kun je spreken over het ontstaan van de opiniejournalistiek. De pers was nog niet ten prooi gevallen aan de verzuiling en journalisten waren druk doende hun metier te definiëren.

Het was de tijd dat Eillert Meeter zich kon manifesteren als de eerste dagbladschrijver met democratische denkbeelden. Het was ook Meeter die al in 1840 pleitte voor een progressief belastingstelsel. Hij heeft zich met een keur aan oppositiebladen bemoeid. Toch liet hij zich ook afkopen door Willem II.
 

Eillert Meeter pleitte al in 1840 voor een progressief belastingstelsel

De zogenoemde ‘volksblaadjes’ konden tot 1844 niet echt succesvol worden, omdat ze te duur waren door de ‘zegelbelasting’ die op elk verkocht exemplaar geïnd moest worden. Daar werd iets op gevonden door de oppositiekrantjes in duodecimoformaat uit te geven, de zogeheten lilliputters. Ze dankten hun ontstaan aan een bepaling in de wet van het dagbladzegel, een belasting op kranten die in 1812 onder de Franse bezetting werd ingevoerd. Ontduiking van die belasting was mogelijk door kranten in klein formaat uit te geven.

Er werd oppositie in deze krantjes gevoerd, maar dikwijls werden ze gebruikt om het lezerspubliek op platte wijze te amuseren. Hoe banaal en op financieel gewin gericht de lilliputters vaak ook waren, bijna allemaal sloten ze zich aan bij de liberale oppositie, of werden ze uit oppositionele motieven opgericht.
 

Meeter schreef dat Willem II verslaafd was aan bijna elk spel, de hele dag exquise wijn dronk, verwoed sigaren rookte en een affaire had met de tweede vrouw van zijn vader

Meeter schreef in zijn lilliputterblaadjes, en ook in zijn memoires, die hij in 1857 publiceerde, dat Willem II verslaafd was aan bijna elk spel, van de vroege ochtend tot ’s avonds laat de meest exquise wijnen dronk en verwoed sigaren rookte. Hij beweerde tevens dat Willem II een verhouding had gehad met de tweede vrouw van zijn vader, Henriëtte d’Oultremont.

Meeter claimde een goed verklikkersnetwerk te hebben. Zo zou hij van iemand die vaak aan het hof kwam het volgende hebben gehoord: ‘Een van de leden van het huis Oranje-Nassau dorst zijn nachtelijke bezoeken niet langer af te leggen in gewone burgerkleren en schafte zich heimelijk de kleren van een onbelangrijk uitziende knecht en valse bakkebaarden aan, alleen om ze vloekend weg te gooien toen hij zaterdag ontdekte dat zijn geheim helemaal geen geheim was.’

Toen hij in 1840 in Parijs zat omdat hij op de vlucht was voor justitie, bood hij via het Nederlands gezantschap deemoedig zijn excuses aan. Willem II willigde een gratieverzoek in en gaf hem zelfs een financiële toelage. Meeter keerde terug naar het vaderland en begon weer een oppositieblaadje, eerst De Onafhankelijke en daarna De Ooyevaar.
 

Buitenechtelijke dochter

In zijn memoires beweert hij een buitenechtelijke dochter van de koning zwanger te hebben gemaakt, genaamd Cornelia Vogel. Willem kende hem uiteindelijk een maandgeld toe op voorwaarde dat hij naar het buitenland vertrok.
 
Jammer genoeg voor de regering diende zich alweer een andere radicale agitator aan: Adriaan van Bevervoorde. Hij was redacteur van Journal de la Haye, dat door de regering gefinancierd werd, ook al werd dat stelselmatig ontkend. Het lukte Van Bevervoorde als oppositiejournalist om radicalen en katholieken te bundelen. Dat speelde hij voor elkaar door te protesteren tegen het recht van placet, op grond waarvan de regering kerkelijke verordeningen kon controleren en ongedaan maken. Hij moest in zijn strijd tegen de koning overigens wat gas terugnemen toen hij merkte dat Willem buiten politieke kringen erg populair was.

Begin 1848 toonde de regering zich zenuwachtig bij diverse hongerrelletjes in het land. In Rotterdam werd uit angst voor oproer zelfs de kermis verboden. De persoonlijke aanvallen op Willem werden daar natuurlijk niet zachtaardiger op. In diverse oppositiebladen verscheen een spotgedicht met de regels:
 
Ik ben de koning Ripipiep
En kweek mijn deugden in ’t geniep,
Ik ben haast als een os zoo stom,
En zie nooit naar mijn natie om,
Champagne ci, Champagne là,
Ik ben een Koning! Tra la la.

 
De brutale afperser Petrus Janssen wist de publicitaire steun van Van Bevervoorde te winnen. Janssen was een onderwereldfiguur die rondvertelde dat hij in het Haagse uitgaansleven door de koning verleid was. Weer zorgde Andringa de Kempenaer dat Willem een schandaal kon afkopen. Ook Van Bevervoorde liet zich betalen.
 

Al decennialang was Willems biseksualiteit een dure kostenpost voor de Oranjes, alleen al door het afkopen van hen die daarover wilden publiceren

J.Th. Dutillieux publiceerde in 1848 onder het pseudoniem ‘Een Oog- en Oorgetuige’ een pamflet, waarin zelfs geciteerd werd uit een rekwest van de Hoge Raad. Daarin stond de eis tot gerechtelijke vervolging van een ‘zeer hooggeplaatsten persoon’ die zich had schuldig gemaakt aan ‘handelingen, welke in den hoogsten graad, compromitterend zijn voor dien zeer hooggeplaatsten persoon’. Het kwam erop neer dat Willem chantabel was vanwege zijn homoseksuele contacten. Al decennialang was zijn biseksualiteit voor de Oranjes een dure kostenpost, alleen al door het afkopen van hen die daarover wilden publiceren.

Eind februari hoorde Willem II dat in Parijs een revolutie was uitgebroken. In Amsterdam werden aanplakbiljetten gesignaleerd met de tekst ‘Leve de Republiek’. Op 13 maart 1848 ging Willem eindelijk akkoord met een grondwetsherziening. Twee dagen later nodigde hij de gezanten van Oostenrijk, Rusland en Pruisen uit en sprak de fameuze woorden: ‘Voor u staat een man die in 24 uur van conservatief liberaal is geworden.’
 

In de steek gelaten

Niet vaak is het vervolg van dit citaat aangehaald, waarin Willem zegt dat hij zich door iedereen in de steek gelaten voelde en maar had toegestemd om de indruk te wekken dat vrijwillig te doen, zodat dat hij er later niet toe gedwongen kon worden. Willem, die meestal zijn ministers uitkoos omdat hij ze aardig vond, had nu de sluwheid om de oppositie de wind uit de zeilen te nemen door de liberale voorman Dirk Donker Curtius tot minister van Justitie te benoemen. De rust keerde terug.
 


Willem III verklaarde alle schriftelijke beloftes aan afpersers die hij in maart 1849 in de nalatenschap van zijn vader vond ongeldig. Alleen Andringa de Kempenaer had kennelijk zulke sterke troeven in handen dat hij nog een flinke geldsom kon lospeuteren, waarmee deze vlerk in 1854 zijn overtocht naar Amerika kon betalen. Het schip verging onderweg.

Van Bevervoorde had zijn strijd al in 1848 opgegeven, voordat hij drie jaar later overleed. Teleurgesteld omdat hij het volk niet achter zich had kunnen krijgen en ook omdat de nieuwe regering, Donker Curtius voorop, dezelfde houding tegenover radicalen aannam als die van het gevallen conservatieve bewind. Ondanks zijn dreigementen na de dood van Willem om een schandaal te onthullen, zette Willem III ook Van Bevervoordes toelage stop.

Meeter keerde terug uit ballingschap toen Willem III weigerde zijn maandgeld nog te betalen en begon weer een radicale oppositiekrant: De Star der Hoop. Maar hij moest in 1851 het land opnieuw ontvluchtten. Hij week uit naar Groot-Brittannië, waar hij tot zijn dood in 1862 als scheepsbevrachter en vertaler werkte.
    
Hans Renders is directeur van het Biografie Instituut (RUG).
 
 
Actueel
Dit artikel is gebaseerd op het nawoord van Hans Renders bij De Intrigantenclub. Hoe radicale persmuskieten Willem II chanteerden en de democratie op weg hielpen (368 p. Veen Media, € 29,99).

Het is een bewerkte heruitgave van de klassieker Radicalen in Nederland van M.J.F. Robijns uit 1967. De Intrigantenclub is een vermakelijke geschiedenis vol intriges, manipulaties en excentrieke persoonlijkheden. Met een voorwoord door Maarten van Rossem.

Eerder verschenen in de serie eigen uitgaven van Historisch Nieuwsblad boeken over Churchill, Lodewijk XIV, Martin Luther King, Lincoln, Napoleon, Jeanne d’Arc, Mussolini, de Russische Revolutie en de Franse Revolutie.
 
Meer weten
De radicalen komen ter sprake in Jeroen van Zanten, Koning Willem II, 1792-1849 (2013) en in J.J. Giele, De pen in de aanslag: revolutionairen rond 1848 (1968).

Na ruim een eeuw volgde in 1996 een heruitgave van Eillert Meeter, Holland, kranten, kerkers en koningen, met een vertaling en nawoord van L. Rijkens.

Hans Renders en Jace van de Ven schreven ‘De Sinterklaas van ons koningshuis’ in Maatstaf 41 (1992).

Pierre Vinken beschreef de radicale journalisten in ‘De kranten van Eillert Meeter (1818-1862), republikeins journalist’ in Tirade 48 (2004), en Jaco Alberts besteedde aandacht aan hen in ‘Willem II en de radicalen’ in Historisch Nieuwsblad, 2012/4.