Contact | Adverteren | Login | Klantenservice | Privacy
Log in
Wachtwoord vergeten
Historisch Nieuwsblad 10/2015

Kaarten van de firma Blaeu

Door: Geertje Dekkers
Met deze knop kunt u artikelen toevoegen aan een leeslijst op uw persoonlijke pagina. Klik hier om in te loggen.

Koningen, tsaren, zeelieden en verzamelaars: iedereen kocht in de zeventiende eeuw landkaarten van de firma Blaeu. Ze bevatten de nieuwste informatie en waren prachtig om te zien. Het bedrijf was dan ook uiterst succesvol. Tot het noodlot toesloeg.

 Specerijen, katoen tropisch hout: in Makassar (Zuid-Celebes) is in de zeventiende eeuw aantrekkelijke koopwaar verkrijgbaar. Vandaar dat de Vereenigde Oostindische Compagnie er graag voet aan de grond wil krijgen. In 1652 geeft de VOC dan ook een kostbaar relatiegeschenk aan de plaatselijke koning: een grote handgeschilderde globe. Waarde: meer dan 11.000 gulden, in een tijd dat een timmerman ongeveer een gulden per dag verdient.

De kostbare globe komt uit het atelier van Joan Blaeu (ca. 1598-1673). Aan de Amsterdamse Bloemgracht runt hij een bedrijf, waar in die jaren zo’n tachtig man in dienst zijn, die onder meer vijftien drukpersen bedienen: zes voor teksten en negen voor de landkaarten en plattegronden die het bedrijf wereldfaam bezorgen.
 

De wereld in kaart gebracht

Pronkstuk van het bedrijf is de Atlas Maior, die vanaf 1662 in verschillende edities verschijnt. In bijna zeshonderd landkaarten en een paar duizend pagina’s uitleg beschrijft de atlas alle bekende landen en streken. Kopers moeten 350 gulden neertellen voor een zwart-witversie en 450 gulden voor een ingekleurd exemplaar. Rijke kooplui betalen dit bedrag graag, want een volledige atlas van Blaeu is een gewild statussymbool. En zijn geliefde producten gaan de wereld over, naar de koning van Makassar, de tsaar van Rusland en de shogun van Japan.
 
Toen de koning van Makassar de globe cadeau kreeg, was het bloeiende Blaeu-imperium ongeveer een halve eeuw oud. De geboorte van het bedrijf vond plaats rond 1600, toen Joans vader Willem Jansz Blaeu (1571-1638) een gat in de markt zag. In die dagen verkenden zeelui uit de Nederlanden de wereldzeeën en tastten ze scheepvaartroutes af naar de specerijenmarkten van Azië.

Dat deden ze in het kielzog van Portugezen die al enkele decennia handelden in peper, nootmuskaat en andere kruiden uit de Oost, en daar goed aan verdienden. Kooplui uit de Republiek – een jong land met een razendsnel groeiende economie – wilden graag een aandeel in die handel. Vandaar dat ze in de laatste jaren van de zestiende eeuw een aantal expedities naar Indië stuurden en zelfs pogingen ondernamen de hele wereld rond te varen.
 

De kennis van zeeën en oceanen en de ligging van continenten was beperkt

Het waren hachelijke ondernemingen, want de kennis van zeeën en oceanen en de ligging van continenten was beperkt. De bemanning liep het levensgrote gevaar om te komen als een schip vastliep op een zandbank, verwoest werd in een wilde storm of juist wekenlang stillag door gebrek aan wind. Dan sloegen honger en dorst toe en stak scheurbuik de kop op.

Ondanks deze gevaren waren er in de Republiek rond 1600 altijd mensen te vinden die een gok durfden te wagen: met hun geld (de investeerders) of met hun leven (de zeelui). Deze twee groepen zaten te springen om informatie waarmee stuurlui de schepen veilig van haven naar haven konden loodsen: informatie over kustlijnen, de ligging van steden en de loop van zeestromen; over gevaarlijke ondieptes, terugkerende winden of snelle routes; en over methoden om de positie van een schip op zee te bepalen.
 

Sterrenkunde, navigatie en cartografie

Willem Jansz Blaeu kon die informatie leveren, want hij had daarvoor de juiste scholing. In 1595 had Blaeu, een jongeman met aanleg voor toegepaste wiskunde, een reis gemaakt naar het eiland Ven in de Sont. Daar had de beroemde sterrenkundige Tyho Brahe een observatorium. Sterrenkunde, navigatie en cartografie waren in die tijd nauw verweven, want om posities op aarde te bepalen gebruikten tijdgenoten de stand van zon, maan en sterren.

Bij Brahe leerde Blaeu de banen van deze hemellichamen nauwkeurig te observeren en te beschrijven, en zo legde hij een stevige basis voor een latere loopbaan als informatiemakelaar voor zeelui. Hij verbleef ongeveer een halfjaar op Ven en zou in zijn latere carrière nog graag naar zijn befaamde leraar verwijzen.
 
Na Blaeus terugkeer in de Nederlanden bleven de astronomie en de toegepaste wiskunde aan hem trekken. Zo verzorgde hij in 1617 een van de eerste uitgaven van het revolutionaire werk De revolutionibus orbium coelestium, waarin de astronoom Nicolaas Copernicus een model beschreef waarin de aarde om de zon draaide, in plaats van andersom, zoals de Bijbel leerde. Dat was vloeken in de kerk, maar de astronomisch geschoolde Blaeu was overtuigd dat Copernicus’ model klopte. Met zijn uitgave leverde hij een belangrijke bijdrage aan het debat over deze gevoelige kwestie.
 

Blaeu was ervan overtuigd dat Copernicus' model klopte

Jaren later, rond 1629, zou hij zelf onderzoek verrichten door van de zuidpunt van Texel naar de monding van de Maas te reizen, de onderlinge afstand te meten en op beide plaatsen de breedtegraad te bepalen. Zo kon hij volgens tijdgenoten vrij nauwkeurig de omtrek van de aarde bepalen. Helaas is de precieze uitkomst van zijn onderzoek verloren gegaan.

Onvermijdelijk kwam Blaeu ook in aanraking met dé grote navigatiekwestie van zijn tijd. Terwijl kaarten steeds nauwkeuriger werden en stuurlui steeds beter uitgerust aan het roer stonden, lukte het nog niemand op volle zee exact de lengtegraad te bepalen – de oost-westpositie. En dat kon leiden tot schipbreuken en andere rampen.

Op land is de bepaling van de lengtegraad eenvoudig. Wie weet hoe laat het is, kan op basis van de positie van zon en sterren uitrekenen hoe ver oostelijk of westelijk hij zich bevindt. Maar op open zee was het in Blaeus tijd gissen naar het exacte tijdstip, want tot ver in de achttiende eeuw waren klokken erg gevoelig voor het gewoel aan boord van een schip.
 

Voor de zeevarende Republiek was de kwestie van de lengtegraad zo nijpend dat de Staten-Generaal een beloning uitloofden voor een oplossing

Voor de zeevarende Republiek was de kwestie van de lengtegraad zo nijpend dat de Staten-Generaal een beloning uitloofden voor een oplossing. Om de inzendingen die daarop binnenkwamen te beoordelen, was een deskundige jury nodig, en daarin kreeg Blaeu een plaats. Streng wees hij twee voorstellen af, maar een derde, van het genie Galileo Galilei, maakte indruk.

Galileo had ontdekt dat Jupiter vier satellieten had, die regelmatig om de planeet draaiden. Die konden samen dienstdoen als astronomische klok voor zeelui. Blaeu en de rest van de jury besloten Galileo een voorlopige prijs te geven. Het plan was om de methode nader te onderzoeken, maar voor het zover kwam, overleed zowel Galileo als Blaeu. Later zou blijken dat de satellietklok in de praktijk moeizaam af te lezen was.
 
Blaeu was dus uitstekend op de hoogte van de wiskunde en astronomie van zijn tijd, maar daar lag niet zijn enige talent. Eenmaal terug in de Nederlanden zou hij zich ontwikkelen tot een gewiekst zakenman met een scherpe neus voor geld, die te midden van grote concurrentie boven kwam drijven en een van de beroemdste bedrijven van het land uit de grond stampte.
 

Na een paar jaar had hij geld genoeg voor een winkel 'op 't Water': aan het Damrak

Na zijn periode op Ven woonde hij even in zijn thuisstad Alkmaar, waar hij trouwde en een gezin begon. Maar al snel vertrok de jonge familie naar Amsterdam, dat in die jaren razendsnel uitgroeide tot hét centrum van handel en scheepvaart. Daar vestigde Blaeu zich om globes en landkaarten te verkopen, en navigatie-instrumenten. Na een paar jaar had hij geld genoeg voor een winkel ‘op ’t Water’: aan het Damrak. Op deze centrale plaats in het havengebied wist iedereen hem te vinden en al snel strekte zijn reputatie tot ver buiten de Republiek.

Een van Blaeus bestsellers was Het licht der zee-vaert uit 1608, een handboek voor schippers. Het bevatte kaarten en kustprofielen, informatie over getijden, en uitleg over methoden om de positie van bijvoorbeeld de zon en de Poolster te meten – methoden die Blaeu als leerling van Brahe uitstekend beheerste.


Veel van de informatie in dat boek was afkomstig van andere schrijvers. Van Lucas Jansz Waghenaer bijvoorbeeld, een stuurman uit Enkhuizen. Rond 1580 bracht hij de eerste systematische en overzichtelijke zeeatlas uit van de Europese wateren, mét algemene navigatietips.
 

Blaeu wist zijn hand te leggen op het nalatenschap van zijn concurrent Cornelis Claesz

Op het terrein van de informatievoorziening sloeg Blaeu in 1609 een grote slag. Toen stierf Cornelis Claesz, een grote concurrent, die ook een winkel op ’t Water had: ‘Int Vergulde Schryfboeck’ was een hotspot voor stuurlui, die er de nieuwste gidsen en kaarten kochten. Op een veiling van Claesz’ nalatenschap wist Blaeu de hand te leggen op koperplaten, houtsnedes en teksten uit Claesz’ inventaris, vol kennis over zeeroutes. Blaeu betaalde grif voor de informatie, want hij wist hoe graag de zeevaarders in de stad die wilden kopen.

Het typeert de handige ondernemer, die leefde van zijn diepgravende navigatiekennis, maar zelf bij voorkeur op het vasteland bleef en zijn inzichten graag leende van anderen. Vanuit zijn centrale positie in het Amsterdamse havengebied wist hij overal de nieuwste kennis los te peuteren. Daarvoor deed hij ook een beroep op schippers.
 

De methode-Blaeu

Mocht er iets in zijn werk ontbreken, schreef hij in Het licht der zee-vaert, of mochten er fouten in staan, dan hoopte hij dat ‘zeeridders’ dat zouden melden. Blaeu zou hen ‘met alle behoorlijckheyt geerne loonen’. Dus als ze aangemeerd waren na een reis uit Danzig, Indië of de West, konden de schippers en stuurlui langslopen bij Blaeu om hem te vertellen over hun waarnemingen onderweg – van zeestromen en nieuwe landen – en om hem een kijkje te laten nemen in hun logboeken. Of de koopman hun cash betaalde, in ruil iets uit zijn winkel aanbood of alleen een borrel schonk, is helaas onbekend.
 
De methode-Blaeu werkte. De firma verwierf internationaal faam, en de globes en kaarten waren niet alleen in trek bij zeelieden, maar ook bij rijke verzamelaars die graag pronkten met een echte Blaeu. Willem Blaeu had een eigen drukkerij opgezet, die uitzonderlijk mooie kaarten afleverde.

Ze waren verluchtigd door hooggekwalificeerde ambachtslieden, die nauwgezet de landen, bergen, rivieren en zeeën tekenden, maar minstens evenveel aandacht besteedden aan de versieringen. In de marges van de kaarten keken fijngetekende goden en mythische wezens toe, toonden lokale bewoners hun klederdracht of gaven wapenschilden aan wie de plaatselijke machthebbers waren.
 

Waren dit landkaarten of was het hogere kunst? 

Waren dit landkaarten of was het hogere kunst? Voor een klant uit de Gouden Eeuw deed het onderscheid er weinig toe. De kunst had zich nog niet afgescheiden van de meer praktische kanten van het leven en was nog sterk verweven met wetenschap en andere toepassingen.

Wie bij Blaeu een globe, kaart of atlas kocht, betaalde in de eerste plaats voor een statussymbool. Een echte Blaeu aan de muur zei: hier woont een man van de wereld die oog heeft voor het schone, die volgt welke ontdekkingen er overzees worden gedaan en die geld heeft voor een chique weergave van de nieuwe kennis.

De populariteit van zijn koopwaar was goed voor de zaken en in 1632 kreeg Blaeu er een lucratieve opdracht bij. Hij werd de officiële kaartenmaker voor de VOC in Amsterdam. Voortaan kreeg hij betaald om alle schepen van de Compagnie te voorzien van accurate kaarten van de route naar Azië. Hoeveel dat opleverde, blijkt uit de boeken van Joan Blaeu, Willems zoon, die hem na zijn dood in 1638 opvolgde als leider van het bedrijf en als werknemer van de VOC.
 

Blaeu kreeg betaald om alle schepen van de VOC te voorzien van accurate kaarten van de route naar Azië

Voor het jaar 1668 diende Blaeu junior bij de Compagnie een rekening in van 21.135 gulden. Daarvoor had hij 39 schepen voorzien van kaartmateriaal en bovendien luxe relatiegeschenken geleverd – van het kaliber van de handgeschilderde globe voor de koning van Makassar aan het begin van dit verhaal.

De VOC vond de facturen van Blaeu aan de hoge kant en probeerde meerdere malen de kosten te drukken. Zo werd het zeelieden verplicht gebruikte kaarten bij terugkeer in te leveren, zodat ze konden worden hergebruikt. En Blaeu kreeg het verzoek gedrukte kaarten te leveren in plaats van de dure handgemaakte exemplaren die hij graag aan de VOC verkocht. Maar Blaeu junior weigerde aan dit verzoek te voldoen, en dankzij goede relaties binnen de Compagnie kwam hij daarmee weg: hij kon zijn onnodig dure kaarten blijven leveren en zo per jaar duizenden guldens winst maken.
 

Atlas Maior

Dat geld investeerde Joan Blaeu in zijn meesterwerk: de Atlas Maior, die de hele wereld binnen handbereik bracht – voor wie enkele honderden guldens kon neerleggen voor een serie boeken. Voor dit pronkstuk met honderden kaarten leunde Blaeu junior zwaar op het werk van zijn vader. Daardoor bevatte de atlas dus kaarten die bij de verschijning van de eerste editie in 1662 al minstens een kwarteeuw oud waren.
 

Voor wie enkele honderden guldens kon neerleggen was de wereld binnen handbereik met de Atlas Maior

De Atlas Maior bevatte dus niet het nieuwste van het nieuwste, maar wel het allermooiste. Dankzij het superieure drukwerk was het werk van Blaeu populairder dan concurrerende wereldatlassen die in dezelfde tijd verschenen. Bovendien bevatte de atlas meer kaarten dan alle andere.

Voor een schipper was de kloeke collectie praktisch onbruikbaar, maar een rijke koopman had de banden graag in huis om aan zijn bezoek te laten zien. De Atlas Maior werd een kassucces, dat tot op de dag van vandaag symbool staat voor de rijkdom en nieuwsgierigheid die de Gouden Eeuw kenmerkten.
 
Joan Blaeu – een mindere onderzoeker dan zijn vader, maar minstens zo’n goede zakenman – had het in de jaren 1660 dus helemaal gemaakt. Zijn atlassen verkochten als warme broodjes en hij had tientallen graveurs, printers en andere vaklui in dienst. Naast de winkel op het Damrak had de firma een drukkerij aan de Bloemgracht in de Jordaan, en in 1666 zag Joan kans nog een drukkerij te openen, in de Gravenstraat, vlak bij de Dam.
 

Blaeu's atlassen verkochten als warme broodjes en hij had tientallen graveurs, printers en andere vaklui in dienst. 

Maar toen sloeg het noodlot toe. In een koude winternacht in februari 1672 vloog de nieuwe drukkerij in brand. Blussers met een brandspuit probeerden het vuur te doven, maar door de vorst bevroor het water en functioneerde de spuit beroerd. Het hele gebouw werd in de as gelegd, inclusief een zojuist gedrukte Spaanse editie van de Atlas Maior. Volgens ooggetuige Jan van der Heyden was de schade aan de drukkerij 355.000 gulden.

De 75-jarige Blaeu zou niet meer herstellen van de klap en overleed in 1673. Zijn zoons Joan junior en Pieter namen de zaak over, maar dat was van korte duur. Al snel verkocht de familie belangrijke delen van de inventaris van de drukkerij en de winkel. Terwijl de Republiek na Rampjaar 1672 dramatisch aan politieke macht inboette en op het terrein van de wereldhandel werd ingehaald door onder meer Engeland, ging ook het Blaeu-imperium ter ziele. De Gouden Eeuw was over; voor de Noordelijke Nederlanden, en voor de kaartenmakersfamilie.
 
Geertje Dekkers is historicus en journalist.
 
 

Meer weten

Kees Zandvliet dook in de wereld van Blaeu en andere kaartenmakers, en onderzocht de financiële betekenis van hun werk in Mapping for Money. Maps, Plans and Topographic Paintings and Their Role in Dutch Overseas Expansion During the 16th and 17th Centuries (2002).
 
Djoeke van Netten beschrijft het intellectuele netwerk van Blaeu senior in Koopman in kennis. De uitgever Willem Jansz Blaeu (1571-1638) in de geleerde wereld van zijn tijd (2014).
 
In 2005 is Blaeus Atlas Maior van 1665 opnieuw uitgegeven in een beknopte versie van ruim 500 pagina’s.
 
Op de site van Erfgoed Leiden en omstreken kunt u digitaal bladeren door een deel van het werk van Joan Blaeu: www.erfgoedleiden.nl.
 
Actueel
Nederland moet terug naar de ondernemende  sfeer van de Gouden Eeuw, stelde premier Mark Rutte tijdens het Nationale Sail Debat in augustus van dit jaar. In 2006 riep de toenmalige premier Jan Peter Balkenende ook al op tot een nieuwe ‘VOC-mentaliteit’. Beide premiers kregen veel kritiek. Critici wezen erop dat de VOC de inheemse bewoners van Azië had uitgebuit. Bovendien bestuurde de elite Nederland tijdens de Gouden Eeuw als een bedrijf, wat vooral gunstig was voor de rijkere burgers. De armen zouden juist slechter af zijn geweest.
 
De redactie stelde een themapagina samen over de Gouden Eeuw waarin de familie Blaeu leefde. Ga naar historischnieuwsblad.nl/goudeneeuw voor artikelen over de handel op het Oostzeegebied, de persvrijheid in Amsterdam en de exorbitante zelfverrijking onder de topbestuurders van de Republiek.