Contact | Adverteren | Login | Klantenservice | Privacy
Log in
Wachtwoord vergeten
Historisch Nieuwsblad 0/2015

De echte Van Dale

Door: Rob Hartmans
Met deze knop kunt u artikelen toevoegen aan een leeslijst op uw persoonlijke pagina. Klik hier om in te loggen.

Hoofdonderwijzer Johan Hendrik van Dale geldt als het brein achter het beroemde woordenboek, de Dikke Van Dale. Maar wie was hij eigenlijk? En was zijn rol als lexicograaf wel zo groot als vaak wordt aangenomen?

Het doorgaans nogal slaperige Zeeuws-Vlaamse vestingstadje Sluis zag op donderdag 4 september 1924 zwart van de mensen. Zij kwamen voor het eerbetoon aan de beroemdste zoon van Sluis, de vermaarde woordenboekenmaker J.H. van Dale, wiens borstbeeld op de stadswallen onthuld zou worden. De dag ervoor waren er al veel genodigden bijeen geweest in het stadhuis en Hotel De Korenbeurs, en in totaal voerden deze twee dagen niet minder dan 26 feestredenaars het woord.
           
De grote Van Dale werd geëerd als een heroïsch taalgeleerde, die in afzondering en naast vele overige werkzaamheden een onmisbaar en briljant woordenboek had gemaakt. Maar ook als iemand die ‘een band [had gesmeed], die alle leden van den Dietschen stam samensnoert over heel de wereld’. Van Dale had immers niet geleefd en gewerkt in een uithoek van het Koninkrijk der Nederlanden, maar in het hart van Dietsland, van Groot-Nederland, dat ook Vlaanderen en een groot deel van Noord-Frankrijk omvatte, terwijl er in het verre Zuid-Afrika ook nog heldhaftige ‘stamverwanten’ leefden. Volgens een van de sprekers vormde dit Dietsland zelfs ‘de bakermat van de vrijheid’ en stond het ‘aan de spits van de Middeleeuwse beschaving’.
           
Na 1945 werd dit soort opvattingen zelden meer gehoord, maar de roem van Van Dale is allerminst verbleekt. Integendeel, zijn achternaam is een instituut geworden, een merknaam, en de gelijknamige lexicografische uitgeverij is een bloeiend bedrijf dat tal van woordenboeken en aanverwante publicaties uitgeeft. Het vlaggenschip van Van Dale Lexicografie is nog altijd het – inmiddels driedelige – Groot Woordenboek van de Nederlandse Taal, dat door niemand zo wordt genoemd, maar algemeen bekendstaat als de Dikke van Dale.

Maar wie was Van Dale eigenlijk? Hoe goed was het onvoltooide woordenboek dat hij achterliet toen hij stierf? En hoe oorspronkelijk was dat werk? Lui was Van Dale allerminst – hoewel het woord ‘workaholic’ pas in 1984 in de Van Dale werd opgenomen, was het op weinigen zo van toepassing als op hem –, maar was hij wel de geniale lexicograaf die in 1924 zo uitbundig was gehuldigd? Welbeschouwd was zijn roem vooral een kwestie van toeval.
 
De negentiende eeuw was de eeuw van de wetenschap. Niet alleen de geheimen van de natuur werden ontsluierd, ook werd er voor het eerst systematisch onderzoek gedaan naar de cultuur. Kunst, geschiedenis en vooral taal werden op steeds wetenschappelijker wijze bestudeerd. Daarbij was een grote rol weggelegd voor academisch geschoolde geleerden, maar ook voor hun assistenten. Natuurwetenschappers kregen vaak hulp van ambachtslieden die het vak in de praktijk hadden geleerd, en ook in de humaniora waren tal van lieden actief die nooit een universiteit vanbinnen hadden gezien, maar niettemin veel kennis vergaard hadden. Vooral op het terrein van de geschiedenis en de taalkunde werd veel werk verzet door amateurs, en niet zelden waren dat onderwijzers.
           
Johan Hendrik - roepnaam Jan - van Dale was zo’n onderwijzer. Hij werd op 15 februari 1828 in Sluis geboren als zevende kind van Abram van Dale en Pietje du Bois, die in totaal twaalf kinderen zou baren, van wie er vijf kort na de geboorte overleden. Vader Van Dale verdiende aanvankelijk de kost als bakker van peperkoek en hulponderwijzer, maar werd op zeker moment beroepsmilitair. Nadat hij in 1831 had deelgenomen aan de Tiendaagse Veldtocht tegen de opstandige Belgen werkte hij nog een tijdje als landmeter, maar omdat dit vermoedelijk geen regelmatig inkomen opleverde, meldde hij zich aan bij de marine. Toen hij op een oorlogsschip voor de kust van Java aan een ziekte bezweek, was Jan bijna tien jaar oud.
           
Hoewel het vaderloze gezin het ongetwijfeld niet breed had, heerste er niet de bittere armoede die het leven van veel negentiende-eeuwers tot een hel heeft gemaakt. Jan van Dale kreeg zelfs de kans onderwijzer te worden. Geformaliseerd was die opleiding toen nog niet, en gebruikelijk was dat men op ongeveer 14-jarige leeftijd ‘kwekeling’ werd op een goede lagere school, waarvoor de jongeman door de onderwijzer uit eigen zak betaald werd. Op zijn zestiende deed Jan van Dale zijn eerste examen, en werd hij ‘onderwijzer van de vierde rang’.

Uiteindelijk haalde hij toen hij twintig was het examen voor de ‘tweede rang’, plus nog een lesbevoegdheid voor Frans. Een onderwijzer van de tweede rang kon schoolhoofd worden, en omdat een leerkracht van de eerste rang veel duurder was, vonden veel schoolbesturen dit genoeg. Van Dale zou dat diploma dan ook nooit behalen.
           
Na verschillende aanstellingen in naburige plaatsen werd Van Dale begin 1854 hoofdonderwijzer in Sluis. Hoewel dit een veeleisende baan was en hij inmiddels een gezin had, vond Van Dale nog volop tijd voor andere activiteiten. Zo werd hij in 1857 onbezoldigd archivaris van Sluis, waar hij als eerste het stadsarchief inventariseerde. Ook deed hij intensief onderzoek naar de geschiedenis van zijn geboortestreek. Dit resulteerde niet alleen in een reeks artikelen - waarbij hij soms oral history bedreef en bijvoorbeeld een oude visser interviewde die in 1811 Napoleon over het Zwin had gezet -, maar ook in een boek over de middeleeuwse geschiedenis van Sluis. Tevens was hij medeoprichter van een historisch tijdschrift en publiceerde hij veel over taalkundige zaken, onder meer in tijdschriften als De Taalgids, de Taal- en LetterbodeDe Toekomst en De Navorscher.
 
Van Dale was als echte negentiende-eeuwse burger lid van tal van genootschappen en in 1864 richtte hij met anderen in Sluis een rederijkerskamer op. Ook bezocht hij verschillende taal- en letterkundige congressen. In deze jaren publiceerde hij een aantal grammaticale leerboeken en in 1866 kreeg hij zijn eerste lexicografische opdracht. Uitgever A. ter Gunne uit Deventer vroeg hem het Taalkundig handboekje, of alphabetische lijst van alle Nederlandsche woorden, die wegens spelling of taalkundig gebruik aan eenige bedenking onderhevig zijn te bewerken. Hoewel het werkje vooral goede recensies kreeg, was het lexicografische werk Van Dale niet meegevallen: ‘Is het corrigeeren van drukproeven in het algemeen een werk van inspanning,’ zo schreef hij in het voorwoord, ‘het nazien van de proefbladen van eene woordenlijst mag inderdaad afmattend heeten; ’t vordert al de inspanning van den geest, maar juist om dien spoediger te verstompen, waardoor zoo licht eene verkeerde letter aan de foutenjacht ontkomt.’

De woordenlijst moest worden aangepast, omdat in deze jaren een nieuwe spelling werd ingevoerd, ontwikkeld door onder anderen Matthias de Vries en Lammert te Winkel. De Vries en Te Winkel vormden de eerste redactie van het Woordenboek der Nederlandsche Taal (WNT), waarvan de eerste aflevering in 1864 verscheen en dat pas in 1999 voltooid zou worden (maar dat sindsdien met bijna 50.000 bladzijden wel het grootste woordenboek ter wereld is).

Het doel was het beschrijven van de volledige Nederlandse woordenschat sinds de Middeleeuwen, waarbij met citaten de ontwikkeling van de woorden werd geschetst, de etymologie werd gegeven en spellingvarianten werden vermeld. Voordat De Vries en Te Winkel aan deze klus begonnen, hadden ze eerst nieuwe spellingsregels ontworpen, die het oude, inconsequente zogeheten stelsel-Siegenbeek moesten vervangen.
           
Na publicatie van het Taalkundig handboekje werd Van Dale benaderd door de uitgevers van het WNT, die al snel doorkregen dat dit megaproject wel heel lang zou gaan duren en dat de redacteuren dringend versterking nodig hadden. Uiteindelijk werd Van Dale toch geen redacteur of medewerker van het WNT, waarbij wellicht een rol heeft gespeeld dat hij geen universitair geschoold taalkundige was. De uitgevers van het WNT – de firma’s Thieme, Sijthoff en Martinus Nijhoff – hadden echter wel een andere klus voor hem. Omdat ze zagen dat het grote woordenboek wel erg groot werd, en de voltooiing ervan nog wel even op zich zou laten wachten, waren ze tot de conclusie gekomen dat er behoefte was aan een hanteer- en betaalbaar woordenboek, dat in het onderwijs, de ambtenarij en het bedrijfsleven gebruikt kon worden.
           
In maart 1867 kochten de drie uitgevers op een veiling alle overgebleven exemplaren plus de rechten van een woordenboek dat was verschenen bij uitgever H.C.A. Campagne. Dit Nieuw Woordenboek der Nederlandsche Taal was samengesteld door Isaac en Nathan Calisch, en was tussen 1861 en 1864 in afleveringen verschenen. Hoewel de zwagers Calisch en Calisch bekwame lexicografen waren, raakte de uitgever dit woordenboek aan de straatstenen niet kwijt. De oorzaak was simpel: na veel gekrakeel was inmiddels de spelling-De Vries en Te Winkel algemeen aanvaard, terwijl Calisch en Calisch nog de spelling-Siegenbeek hadden gehanteerd.

Vandaar dat de drie uitgevers van het WNT voor 669,90 gulden alle exemplaren plus de rechten konden kopen. Hierna vroegen ze aan de Zeeuws-Vlaamse onderwijzer en archivaris Jan van Dale of hij van dit Nieuw Woordenboek der Nederlandsche Taal een tweede, herziene druk kon bezorgen, ditmaal in de nieuwe spelling. Als freelancer was Van Dale goedkoop, en bovendien kon hij zo het vak leren, zodat het later wellicht mogelijk was om hem aan te nemen als medewerker van het WNT.
           
Toen het werk grotendeels was voltooid en begin 1872 de eerste afleveringen verschenen, klaagde Van Dale dat hij voor deze enorme klus toch wel erg weinig geld had ontvangen. De uitgevers waren dit met hem eens, maar wezen hem er fijntjes op dat hij ook veel meer had gedaan dan gevraagd was. Hoewel hij het woordenboek in feite alleen moest omzetten in een andere spelling, was hij nog allerlei andere dingen gaan veranderen en had hij duizenden nieuwe woorden opgenomen. Ook was hij van mening dat zijn voorgangers zich er soms te gemakkelijk van af hadden gemaakt, en achter de naam van bijvoorbeeld een kruid slechts hadden vermeld dat het ging om ‘een zekere welbekende plant’. Van Dale wilde exacter zijn, maar slaagde daar niet altijd in. Zo nam hij achter het woord ‘makelaar’ ook de verklaring op: ‘zeker stuk hout.’
 
De eerste recensies waren zeer lovend en het woordenboek voorzag duidelijk in een behoefte, aangezien er in tien jaar tijd 10.000 exemplaren van werden verkocht. Ook nu was het werk Van Dale niet meegevallen, gezien wat hij in het voorwoord schreef: ‘Het schrijven van een Woordenboek is een ondankbaar, een verdrietig werk. Is er veel, dat men heeft opgenomen en verbeterd, er is nog veel meer, dat men vergeten heeft, dat de aandacht ontsnapt is en alzoo onverbeterd is gebleven. Verzekerde mij een mijner letterkundige vrienden, dat hij, die zijn vader en moeder vermoord heeft, nog te goed was om een Woordenboek te schrijven, ik heb mijzelven vaak twijfelmoedig de vraag gedaan, of hij wel volkomen ongelijk had.'

Het succes van ‘zijn’ woordenboek zou hij niet meer meemaken, evenmin als de sterk aanzwellende kritiek, aangezien hij op 19 mei 1872 na een gruwelijk ziekbed aan de pokken overleed. De correctiefase was toen nog niet afgerond, en pas in april 1874 verscheen het eerste complete en gebonden exemplaar van wat officieel de tweede druk was van het Nieuw Woordenboek der Nederlandsche Taal, die was ‘verbeterd, vermeerderd en met de spelling van het Woordenboek der Nederlandsche Taa in overeenstemming gebracht door J.H. van Dale, hoofdonderwijzer te Sluis’.
           
Het werk was afgemaakt door zijn oud-leerling Jan Manhave, die hem jarenlang geassisteerd had. Manhave was ook verantwoordelijk voor de derde druk, die in 1883-1884 verscheen, maar zou nooit de erkenning krijgen die Van Dale te beurt viel. Deels had dit te maken met het feit dat er in de loop der jaren steeds meer kritiek kwam op de inconsequente aanpak van Van Dale, wiens woordenboek wel heel sterk leunde op dat van de zwagers Calisch, maar bovendien niet voldeed aan de lexicografische normen die inmiddels golden. ‘Plagiëren in alfabetische volgorde’, zoals het maken van woordenboeken weleens spottend werd genoemd, was niet langer voldoende.
           
Wel was ‘Van Dale’ inmiddels een begrip geworden, en werd deze naam gebruikt om dit woordenboek te onderscheiden van bijvoorbeeld de woordenboeken van Kramers en Koenen. Vanaf de vierde editie, verschenen tussen 1898 en 1904, heette het werk officieel Van Dale’s Groot Woordenboek der Nederlandsche Taal. Het had een vierkoppige redactie, die met vrij veel dedain neerkeek op de prestaties van de man wiens naam voortaan onlosmakelijk aan dit woordenboek verbonden was.

Vanaf de vijfde editie (1914) werd de naam ‘Van Dale’ afgedrukt als een gestileerde handtekening, die nog altijd het logo van de huidige firma Van Dale vormt. De ‘Dikke van Dale’ geldt tegenwoordig als gezaghebbend, maar deze status heeft het woordenboek pas gekregen vanaf de zevende editie uit 1950, van C. Kruyskamp en F. de Tollenaere.

Voor die zevende druk was elk ‘artikel’ herzien en waren alle omschrijvingen en definities opnieuw overwogen en vastgesteld. Met de tweede, door Van Dale bewerkte druk, heeft het woordenboek sindsdien niets meer te maken. Vandaar dat Van Dales biograaf, Lo van Driel, moest concluderen: ‘Goed beschouwd is de hoofdonderwijzer bekend geworden door een woordenboek dat in oorsprong niet van hem is en waarvan hij de matige bewerking niet voltooid heeft.’

In feite had dit woordenboek met evenveel recht de ‘Dikke Manhave’ kunnen heten, of de ‘Dikke Calisch & Calisch’. De geschiedenis en de wetten van de roem zijn echter zelden rechtvaardig. Zodoende staat er in Sluis nog altijd het borstbeeld van Jan Hendrik van Dale, en hield in 1964 de toenmalige minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen, toen werd herdacht dat honderd jaar ervoor de eerste aflevering van het WNT was verschenen, een gloedvolle redevoering over de onderwijzer uit Sluis, die met dit project feitelijk niets te maken had gehad. ‘Van Dale’ was toen al zo’n instituut dat de ambtenaar die de toespraak moest schrijven de twee woordenboeken door elkaar had gehaald.
 
Rob Hartmans is historicus, journalist en vertaler.
 
Meer weten
Lo van Driel publiceerde in 2003 Een leven in woorden. J.H. van Dale, schoolmeester – archivaris – taalkundige. In 2014 vierde Van Dale Lexicografie het 150-jarig bestaan van het woordenboek, waarbij werd uitgegaan van de eerste druk van Calisch & Calisch.
 
Bij die gelegenheid verscheen het jubileumboek Verhalen over taal. 150 jaar Van Dale, met bijdragen van onder anderen Lo van Driel en Wim Daniëls, en stukjes van bekende Nederlanders over hun relatie met de Dikke.
 
De door Van Dale bezorgde tweede druk uit 1872-1874 verscheen in 1992 in facsimile en werd in 1999 op cd-rom meegeleverd met het woordenboek. Het woordenboek van Calisch & Calisch is te raadplegen op www.dbnl.org.
          
Actueel
Voor het eerst in tien jaar verschijnt dit najaar weer een papieren editie van Van Dale Groot woordenboek van de Nederlandse taal. Naast duizenden nieuwe betekenissen zijn nu ook illustraties opgenomen. De vorige papieren editie verscheen in 2005 en bestond uit drie delen met in totaal 4464 bladzijden. Van Dale publiceert sindsdien wel elk halfjaar een digitale update.
De nieuwe Dikke van Dale is met € 30,- korting te bestellen bij Veen Media, zie p. 60 voor de aanbieding.
Verhalen over taal. 150 jaar Van Dale is te bestellen bij Veen Media voor € 24,99, inclusief een jaar lang gratis toegang tot de Dikke Van Dale Online ter waarde van € 75,-.
 
Jubileumboeksamensteller Wim Daniëls vertelde in een interview met Historisch Nieuwsblad dat de Dikke Van Dale vroeger vol met ‘rommel’ zat. Lees het interview op historischnieuwsblad.nl/links.