Contact | Adverteren | Login | Klantenservice | Privacy
Log in
Wachtwoord vergeten
Historisch Nieuwsblad 1/2015

Het old boys network van de Wisselbank

Door: Mirjam Janssen
Met deze knop kunt u artikelen toevoegen aan een leeslijst op uw persoonlijke pagina. Klik hier om in te loggen.

Ooit was de Amsterdamse Wisselbank een baken van stabiliteit dat internationale handel mogelijk maakte. Maar toen begonnen de commissarissen onderhands onverantwoorde leningen te verstrekken en het ene gat te vullen met het andere. Toen de bank aan de rand van de afgrond stond, moesten tegenstribbelende burgers bijspringen.
 

 
Eduard ’t Hoen was nog maar kort president-commissaris van de Amsterdamse Wisselbank toen hij werd geconfronteerd met een schandaal. In 1791 dreigde de bank ten onder te gaan doordat ze onder druk van de stad grote kredieten had verschaft, vooral aan de VOC. Er was sprake van verregaand ‘misbruik van vertrouwen’, vond ’t Hoen. Eigenlijk mocht de bank namelijk helemaal geen kredieten verstrekken. Laat staan dat ze miljoenen mocht uitlenen, zoals was gebeurd. ’t Hoen verzette zich fel tegen deze praktijk en eiste dat er een einde aan kwam. Ook verordonneerde hij dat alle stukken die hij over de kwestie schreef, werden opgeborgen in een ‘cooperen casje’. Zo zou voor het nageslacht duidelijk zijn dat hij weerstand had geboden.
De burgemeesters – Amsterdam had er vier in die tijd – zullen zich ongemakkelijk hebben gevoeld bij het doortastende optreden van ’t Hoen. Ze waren meegaander gedrag gewend van zijn voorgangers. En ook nu kropen een paar van ’t Hoens medebestuurders snel weer in hun schulp nadat de burgemeesters wat vage toezeggingen hadden gedaan. Het was precies die al te soepele houding die het ooit respectabele instituut in verval had gebracht. Daardoor hing het voortbestaan van de bank aan een zijden draadje.
 
De Wisselbank was een kleine twee eeuwen voor het aantreden van ’t Hoen geopend, in 1609. Ze moest een einde maken aan de muntverwarring die heerste in Amsterdam. In de stad circuleerden namelijk vele soorten geld, uit de Republiek en van daarbuiten, en de waarden ervan lagen niet duidelijk vast. Dit gebrek aan overzicht kon leiden tot inflatie, en dat was slecht voor de handel. Daarom richtte de stad een centrale instantie op, die kooplieden de mogelijkheid bood veilig zaken te doen. Een van de taken van deze Wisselbank was om goede van slechte munten te scheiden.
Kooplieden die een rekening openden bij de Wisselbank, konden er muntgeld en ongemunt edelmetaal storten. De waarde van hun storting werd uitgedrukt in ‘bankgeld’, dat min of meer waardevast was. Rekeninghouders konden via de Wisselbank wissels verrekenen en geld naar elkaar overboeken, ook voor internationale transacties.
De rekeninghouders ontvingen geen rente, maar daar stond tegenover dat de meeste diensten gratis waren. De inkomsten haalde de bank vooral uit ongemunt metaal, dat ze inkocht om te vermunten, waardoor het meer waard werd.
In de kluizen van de bank aan de Dam lagen stapels goud, zilver en munten, die als tegenwaarde fungeerden voor de tegoeden van de rekeninghouders. De inhoud van de kluizen en de tegoeden moesten met elkaar in evenwicht zijn, want dat was cruciaal voor het vertrouwen in het bankgeld en dus in de transacties die via de bank liepen. Het toezicht was dan ook streng – een frauderende boekhouder van de bank kreeg in 1673 zelfs de doodstraf.
Al snel na de oprichting maakten honderden handelaren gebruik van de bank en in de achttiende eeuw waren dat er een paar duizend. Ook compagnieën hadden er rekeningen lopen. Dankzij de degelijkheid van de bank kon Amsterdam uitgroeien tot de belangrijkste geld- en valutamarkt van West-Europa.
Aan de muntverwarring kwam door de instelling van de Wisselbank overigens geen einde – nog steeds mocht elke stad zijn eigen munt slaan –, maar de instelling bracht wel meer stabiliteit. Een voordeel was ook dat grote transacties nu giraal verliepen en van minder invloed waren op de hoeveelheid geld die in omloop was. Want voor die tijd kon één grote zakendeal al tot geldschaarste leiden. De Wisselbank groeide uit tot een nationaal en internationaal gerespecteerd instituut. Ook andere Nederlandse steden hadden eigen wisselbanken, maar geen daarvan was zo invloedrijk als de Amsterdamse.
Als dit baken van stabiliteit leningen zou gaan verstrekken, zouden de voorraden in de kluizen gaan afwijken van de hoeveelheid bankgeld. Vandaar dat de Wisselbank niet aan kredieten deed: leningen waren een zaak van particulieren onder elkaar. Toch kon een kleine kring van (semi-)overheidsinstellingen aankloppen voor kredieten. Dat gebeurde discreet en op basis van persoonlijke relaties. Lange tijd werden die leningen keurig terugbetaald, waardoor de bank niet in gevaar kwam en zelfs aardig verdiende aan de gerekende rente. De toezichthouders hadden blijkbaar vertrouwen in deze gang van zaken, want vanaf 1682 beschikte de VOC steevast over 1,7 miljoen gulden aan voorschotten, die de Compagnie altijd kon opnemen. Vanaf 1698 werd dat zelfs 3,2 miljoen. (Ter vergelijking: aan het einde van de zeventiende eeuw was 1 miljoen gulden evenveel waard als 8 à 10 miljoen euro tegenwoordig.)
 
Aan het hoofd van de bank stonden officieel vijf of zes commissarissen, maar hun macht was beperkt. De burgemeesters van Amsterdam hadden eigenlijk meer te vertellen, omdat de stad ervoor garant stond dat het bankgeld gedekt was. In de praktijk gedroegen ze zich dan ook als supercommissarissen die de ‘gewone’ commissarissen benoemden. Die laatsten stelden zich over het algemeen volgzaam op, omdat de burgemeesters invloed hadden op hun carrière.
Veel commissarissen waren kooplui met een rekening bij de bank – wat de andere rekeninghouders vertrouwenwekkend vonden. Een deel van de commissarissen had banden met de VOC. Toen er eind zeventiende eeuw een aparte commissie werd benoemd om te beslissen over de kredieten voor de Compagnie, waren drie van de vier leden tevens bewindvoerder van de VOC. Zij bepaalden dan ook dat de Wisselbank niet langer aparte toestemming nodig had van het stadsbestuur om voorschotten aan de VOC te verstrekken.
De sfeer van vertrouwelijkheid was zo sterk dat een onderzoeker in de negentiende eeuw, jaren na de opheffing van de bank, nog niet tot het archief werd toegelaten. De regenten en hun nazaten beschermden elkaar.
 
Dit old boys network functioneerde zonder noemenswaardige problemen tot de tweede helft van de achttiende eeuw, toen de kwalijke kanten ervan geleidelijk zichtbaar werden. In de loop van de tijd was het toezicht er niet sterker op geworden: de gemiddelde leeftijd van de commissarissen daalde van 46 jaar naar 33 aan het einde van de eeuw. Voor jonge mannen aan het begin van hun carrière was het nog lastiger dan voor hun ervaren voorgangers zich te verweren tegen de machtige burgemeesters.
De grote omslag kwam toen de grootste debiteur van de Wisselbank, de VOC, in ernstige moeilijkheden raakte. Het ging al jaren slecht met de Compagnie; ze was haar voorsprong op de Britse Oostindië Compagnie verloren en voortdurende conflicten met de Engelsen hakten er flink in. In 1780 bracht de Vierde Engelse Oorlog de VOC zware schade toe: veel schepen die terugvoeren naar de Republiek gingen met kostbare lading en al verloren. De Compagnie had voor miljoenen schuld, maar er kwam nauwelijks geld binnen. Binnen de kortste keren kon de VOC niet meer aan haar verplichtingen voldoen.
In bestuurlijke kringen werd naarstig naar een oplossing gezocht vanwege het vermeende belang van de onderneming voor de nationale economie. De Staten-Generaal stelden voor dat de Wisselbank het benodigde geld zou verschaffen en de burgemeesters zetten de commissarissen onder druk daarmee in te stemmen. Zo kwam het dat de bank de kwakkelende Compagnie in 1780 een voorschot verleende van 2,6 miljoen gulden, een jaar later van 5,1 miljoen en in 1783 van nog eens ruim 2 miljoen gulden. De jaren daarna werd een deel van de schuld afgelost, maar in 1792 stond de VOC nog altijd voor 6 miljoen gulden bij de Wisselbank in het krijt.
Ondertussen liep ook een andere actie uit de hand. Toen in 1782 vanwege de oorlog een kredietcrisis dreigde, besloot het stadsbestuur van Amsterdam een permanent steunfonds op te richten voor kooplieden die in geldnood zaten. Het werkkapitaal voor deze ‘Stadsbeleeningskamer’ kwam officieel uit de schatkist van Amsterdam, maar die had het weer van de Wisselbank. Het krediet aan de Beleeningskamer liep op van 500.000 gulden in 1782 tot 3,5 miljoen in 1790.
De bedragen waren zo hoog doordat de Beleeningskamer zijn oorspronkelijke doelstelling al snel verliet, en geld leende aan de VOC en de afdeling Financiën van de gemeente Amsterdam – die officieel zelf de leningen verstrekte. Volgens de regels moesten tegenover die leningen solide onderpanden staan, maar de burgemeesters spoorden de commissarissen aan daar niet moeilijk over te doen.
Het gevolg van alle leningen was dat een steeds kleiner deel van de tegoeden van de Wisselbank door edelmetaal in de kluizen werd gedekt. Eerst was dat alleen in kleine kring bekend, maar toen een breder publiek doorkreeg dat de bank in de problemen zat, eisten steeds meer rekeninghouders contant geld, waardoor de bank in moeilijkheden kwam.
 
In die situatie trof de daadkrachtige Eduard ’t Hoen de Wisselbank aan toen hij president-commissaris werd. En juist toen, in 1791, stelden de burgemeesters voor de kredieten van de Wisselbank aan de Beleeningskamer te verlengen. ’t Hoen wees erop dat de commissarissen een eed hadden gezworen om geen kredieten te verlenen en dat de burgemeesters hen daartoe niet mochten dwingen. Aanvankelijk kozen de andere commissarissen de zijde van ’t Hoen, maar later gingen ze onder de politieke druk toch weer door de knieën. Klokkenluider ’t Hoen slaagde er niet in het tij te keren.
Zo modderde de bank verder. tot een Frans revolutionair leger, aangevuld met Nederlandse opstandelingen, de Republiek binnentrok. Amsterdam kreeg een nieuw stadsbestuur, dat de ongunstige balanscijfers van de Wisselbank publiceerde. Voor het eerst in twee eeuwen werd de geheimhoudingsplicht van de bank doorbroken, met veel opschudding tot gevolg. Het vertrouwen in de bank was daarna miniem. Er werd een lening uitgeschreven om kapitaal te vergaren om de Wisselbank te redden, die nog steeds van vitaal belang werd geacht voor de Amsterdamse economie, maar veel te weinig gegadigden tekenden in.
De nieuwe, revolutionaire volksvertegenwoordigers kwamen daarom met een ander plan. Ze vonden dat de voormalige regenten persoonlijk verantwoordelijk waren voor de grote kredieten die onder hun leiding waren verstrekt. Zij wilden dat deze oud-bestuurders – en als ze overleden waren, hun erfgenamen – uit eigen zak de tekorten vereffenden. Een officiële commissie onderzocht dit voorstel en kwam tot de conclusie dat het onbillijk en onuitvoerbaar was. De regenten hadden misschien wel onvoorzichtig, maar niet misdadig gehandeld. De kredietverlening aan de VOC was in strijd met de voorschriften, maar het was ook een oude traditie. De aansprakelijkstelling zou dan een paar generaties terug moeten gaan en dat was niet te doen.
Uiteindelijk werd besloten tot een gedwongen lening die moest worden opgebracht door de 55 rijkste ingezetenen van de stad. Dezen protesteerden hevig, maar tevergeefs. Ze moesten gewoon betalen. Gelukkig voor hen werd met steun van het Staatsbewind geld bijeengeschraapt waarmee de lening al snel weer werd afgelost. En in 1802 was het bankgeld weer geheel gedekt door ‘metalique spetiën’, en vanaf dat moment was het de commissarissen uitdrukkelijk verboden nog kredieten te verstrekken aan ‘eenige particuliere persoonen, corporatiën of geconstitueerde auctoriteiten, hoe ook genaamd’.
Op papier was de bank gered, maar door het optreden van de oude commissarissen was het vertrouwen in de bank verdwenen. De oude spil van de economie zou nog enige tijd blijven bestaan, maar zijn oude, centrale rol zou hij niet meer terugkrijgen.
Na het vertrek van de Fransen in 1813 wilde de nieuwe koning Willem I van de Wisselbank af. Hij had tijdens zijn jaren in ballingschap in Engeland kennisgemaakt met de Bank of England, een centrale kredietinstelling die een uniform ruilmiddel uitgaf – namelijk bankbiljetten. Willem had gezien hoe de Engelse bank fungeerde als stuwende kracht van de economie en had bijgedragen aan de snelle industrialisering. In Nederland ontbrak het aan zo’n instelling, en bedrijven die geld wilden aantrekken om te investeren konden nog steeds alleen bij particulieren terecht. En die investeerden weinig in de industrie.
Willem wilde een nieuwe bank die de gammele Nederlandse economie vooruit kon helpen. Vanwege het geschonden vertrouwen kon de Wisselbank die rol niet vervullen. In 1814 richtte hij de Nederlandsche Bank op, een kredietinstelling en circulatiebank ineen. Deze bank aan de Oude Turfmarkt in Amsterdam werd aanvankelijk gewantrouwd en pas na acht dagen vertoonde zich de eerste klant. Ook was de financiële elite nauwelijks bereid aandelen van de Nederlandsche Bank te kopen. Na een jaar was nog geen 3 miljoen van het benodigde startkapitaal van 5 miljoen bijeengebracht. Pas toen een gehaaide weduwe in 1816 de resterende aandelen kocht, was de Nederlandsche Bank gered. De Wisselbank leidde ondertussen een kwijnend bestaan. Toen Willem in 1820 zeker wist dat de Nederlandsche Bank kansrijk was, hief hij de Wisselbank op.  De Nederlandsche Bank verloor op den duur de functie van kredietverschaffer, maar bleek goed te functioneren als aanjager van de economie. Bovendien hadden de bestuurders geleerd van haar illustere voorganger: beslissingen werden voortaan genomen op basis van objectieve regels en waren niet meer afhankelijk van de grillen van lokale regenten.
 
 
ACTUEEL: NEHA-serie
Dit artikel is het vierde uit een serie economische artikelen in samenwerking met het Nederlandsch Economisch-Historisch Archief (NEHA) in Amsterdam. Het NEHA is in 1914 opgericht om de economische geschiedenis te stimuleren. Inmiddels beheert het een van de grootste bibliotheken ter wereld op economisch gebied.
Eerder verschenen ‘Ondernemen voor het vaderland’ (Historisch Nieuwsblad 2014/2), ‘De eerste bankencrisis’ (Historisch Nieuwsblad 2014/4) en ‘Gouden Handel’ (Historisch Nieuwsblad 2014/12).

Meer lezen
In de verzamelbundel Mensen en achtergronden (1964) van J.G. van Dillen staat gedetailleerde informatie over de Wisselbank. Onder redactie van Marius van Nieuwkerk verscheen De Wisselbank. Van stadsbank tot bank van de wereld (2009), een fraai uitgegeven boek met de laatste inzichten over de bank. In Geschiedenis van de VOC (2009) gaat Femme S. Gaastra in op het financiële debacle van de Compagnie.