Contact | Adverteren | Login | Klantenservice | Privacy
Log in
Wachtwoord vergeten
Historisch Nieuwsblad 1/2015

BOEKEN: Nederland moest na de val van de Muur snel bijleren

Zelfoverschatting en naïviteit

Door: Doeko Bosscher
Met deze knop kunt u artikelen toevoegen aan een leeslijst op uw persoonlijke pagina. Klik hier om in te loggen.

Na de val. Nederland na 1989
Hanco Jürgens
208 p. Uitgeverij Vantilt, € 19,89
 

Toen er in juni 1994 een nieuwe voorzitter voor de Europese Commissie werd gekozen als opvolger van de Fransman Jacques Delors, stond (bijna oud-)premier Lubbers te trappelen. Zijn fraaie staat van dienst maakte hem tot een logische kandidaat – dacht hij. Helmut Kohl, de bondskanselier van het herenigde Duitsland, sneed Lubbers onverwachts de pas af. Omdat de Britten geen zin hadden in de Belg Jean-Luc Dehaene, Kohls favoriet, werd de Luxemburger Jacques Santer de nieuwe voorzitter.


De vraag waarom Lubbers’ theoretisch geestverwant (CDU en CDA waren zusterpartijen) opeens zijn gram haalde, is vaak beantwoord met een simpele verwijzing naar het gebrek aan enthousiasme van de Nederlandse premier over de hereniging van de twee Duitslanden, in de eerste maanden na de val van de Muur in 1989: wie zijn billen brandt, moet op de blaren zitten.
Hanco Jürgens plaatst deze kwestie in een veel breder perspectief. Een reeks van diplomatieke blunders, niet alleen van Lubbers, maar ook van eurocommissaris Hans van den Broek en diverse andere Haagse gezagsdragers, had kwaad bloed gezet. Ook het imago van Nederland als een natie met een erg grote mond, die te weinig naar zichzelf keek en dacht dat de Duitsers ook de waterigste tomaten wel zouden blijven importeren, speelde Lubbers parten. Dat hij met zijn ambities op de koffie kwam toonde vooral de diepe kloof tussen wat Nederland zichzelf aan macht toedichtte en de werkelijke verhoudingen in Europa.
Een mythe met een anti-Duitse ondertoon ontkracht derhalve. En dat in een boek dat, hoewel geschreven door een medewerker van het Duitsland Instituut Amsterdam, verre van pro-Duits of extra kritisch over Nederland blijkt. Er ging onbehoorlijk veel mis in de nadagen van Lubbers’ premierschap, door zelfoverschatting en bijna hilarische naïviteit. Dit komt onder andere naar voren in Jürgens’ relaas over het Nederlandse blufpoker om de Europese Centrale Bank naar Amsterdam te halen. Dat die in Frankfurt zou moeten komen, alleen al om de Duitsers te masseren en ze akkoord te laten gaan met het opgeven van de D-mark, besefte elke Europese regeringsstad, behalve Den Haag.
Na de snelle Duitse hereniging moest Nederland in hoog tempo de bakens verzetten. Niet alleen de regering wist zich even geen raad, ook het publiek verloor nogal wat oude zekerheden. Hoe moest het nieuwe Duitsland worden bejegend? Was Nederland beter of slechter af na de Wende in het grote buurland? ‘Herbronnen’ noemt Jürgens dit proces van heroriëntatie. Tijd voor reflectie was er niet, want heel Europa kwam in beweging; denk alleen al aan de oorlog op de Balkan.
Jürgens schetst trefzeker hoe er spoedig een nieuw en positiever Duitsland-beeld ontstond, met tal van consequenties voor ons zelfbeeld. Wel moesten wij als Nederlanders eerst nog door een diep dal van vooroordelen heen, zoals in 1993, toen meer dan een miljoen Nederlanders meededen aan de ‘Ik ben woedend’-actie van het radioprogramma The Breakfast Club en een briefkaart aan Helmut Kohl stuurden. Dat de Duitsers zelf minstens zo woedend waren over de brandstichting door rechts-radicalen in een huis in Solingen, die de dood van vijf Turkse Duitsers tot gevolg had, was aan hen niet besteed. Niet zo heel lang daarna werden er in Nederland een paar oorverdovende bewijzen geleverd dat er goede redenen waren om woedend op onszelf te zijn, in plaats van de dominee uit te hangen in het buurland.
 
Als dit rijke boek naast zijn vele kwaliteiten ook tekortkomingen kent, zitten die vooral in de veelheid aan thema’s die worden aangesneden. De opknapbeurt voor de stad Amsterdam en een strengere omgang met uitkeringsfraude horen hier op zichzelf wel in thuis. Maar of de casus van Frans Haks, de directeur van het Groninger Museum, die uiteindelijk van uitkeringsfraude werd vrijgesproken, iets illustreert is de vraag.
Ook toont de auteur zich niet vies van een anachronisme als dit zijn betoog ondersteunt. Zo ziet hij in het succes van de door Hans Blom in de jaren tachtig geïnitieerde andere geschiedschrijving van de Tweede Wereldoorlog, waarin ‘goed’ en ‘kwaad’ minder scherp worden gemarkeerd een bewijs dat ons land zichzelf langzamerhand een spiegel heeft leren voorhouden. De ergste uitglijders in de buitenlandse politiek, die het tegendeel bewijzen, moeten dan echter nog komen als Bloms visie al gemeengoed is geworden.
Maar een prachtige studie is Na de val zeker, die de lezer op een andere manier naar gebeurtenissen uit het recente verleden laat kijken. Zoals naar de kwestie-Srebrenica, ook al zo’n voorbeeld van wat een broeierige mix van eigenwaan, haast om een rol te spelen en doofheid voor tegenargumenten teweeg kan brengen.