Contact | Adverteren | Login | Klantenservice | Privacy
Log in
Wachtwoord vergeten
Historisch Nieuwsblad 4/2014

Pionier van de apartheid: Cecil Rhodes (1853-1902)

Door: Maurice Blessing
Met deze knop kunt u artikelen toevoegen aan een leeslijst op uw persoonlijke pagina. Klik hier om in te loggen.

De Engelsman Cecil Rhodes weet zich uitbundig te verrijken in de Afrikaanse diamantindustrie. Hij gebruikt zijn zakelijke contacten als basis voor zijn politieke loopbaan. Hij weet zelfs een ‘privékolonië’ te verwerven, Rhodesië. Ook bedenkt hij de eerste apartheidswetgeving.

Aan de vooravond van de Tweede Boerenoorlog in 1899 stapt Cecil Rhodes op de trein naar Kimberley, in een uithoek van de Kaapkolonie. Maar de ontvangst van de ‘Koning van Kimberley’ is uitermate koel. Niemand in het mijnstadje zit op hem te wachten. Kimberley ligt aan de westgrens van de vijandige Boerenrepubliek Oranje Vrijstaat. De inwoners zijn bang dat de aanwezigheid van Rhodes door de Boeren als een provocatie wordt opgevat.

Tekst gaat verder onder de afbeelding.

Cecil Rhodes deelt zijn macht met zijn zakelijke vrienden. Afbeelding: Reporters/Mary Evans

Want weinig Britten worden door de Boeren zo gehaat als Cecil Rhodes. Hij was immers de kwade genius achter de zogeheten Jameson Raid: de mislukte poging van de Britten in 1895 om die andere Boerenrepubliek, de Transvaal met zijn rijke goudvelden, in te lijven. En nu komt diezelfde Rhodes de Boeren in het kwetsbare Kimberley uitdagen. Is zijn legendarische drankzucht hem uiteindelijk te veel geworden?
 

De jonge Cecil vindt de 'Kaffirs een zeer amoureus ras'

Maar Cecil Rhodes heeft zijn verstand nog niet verloren. De diamantmijnen van Kimberley, goed voor 90 procent van de wereldmarkt, vormen de basis van zijn fortuin. En dat niet alleen. In Kimberley liggen de wortels van het netwerk van Britse handelaren, bankiers en politici, die elkaar vooruithelpen in het leven. Binnen dat lucratieve netwerk speelt Rhodes al een decennium lang een vooraanstaande rol.

Cecil John Rhodes wordt op 5 juli 1853 geboren in het plaatsje Bishop’s Stortford, ten noordoosten van Londen. Hij is de vierde zoon van de afstandelijke en veeleisende anglicaanse priester Francis William Rhodes en diens tweede echtgenote, Louisa Peacock. Alle warmte en persoonlijke aandacht in het gezin lijken van moeder Louisa – afwisselend omschreven als ‘omvangrijk’ en ‘gepassioneerd’ – te zijn gekomen.

Cecil Rhodes onderscheidt zich in zijn jeugdjaren vooral door zijn mentale wisselvalligheid. Ook experimenteert hij naar hartenlust met explosieven, een hobby die zijn vader bijna fataal wordt. Cecil wordt in tegenstelling tot zijn twee oudste broers niet naar een prestigieuze kostschool gestuurd, maar krijgt thuis les van zijn vader.
 


Gelukkig voor Cecil biedt zijn oudste broer Herbert uitkomst. Herbert is namelijk in 1868, op 23-jarige leeftijd, afgereisd naar de Britse kolonie Natal aan de oostkust van het huidige Zuid-Afrika. Daar wil hij zijn geluk in de katoenteelt beproeven. En hoewel Louisa meent dat Herbert ‘alle soorten verstand heeft behalve de gezonde variant’, wordt besloten de 17-jarige Cecil achter hem aan te sturen.

Cecil Rhodes arriveert in de zuidelijke winter van 1870 in de haven van Durban. Herbert is nergens te bekennen. Zijn broer blijkt te zijn afgereisd naar het diepe binnenland, naar de oevers van de Vaal-rivier. Daar is eind 1869 de diamantkoorts uitgebroken nadat in de bedding enkele veelbelovende exemplaren waren aangetroffen.

Duizenden Europese gelukzoekers tijgen naar het binnenland, zoals de Boeren dat decennia eerder hebben gedaan op hún ‘Grote Trek’. Sommigen vinden na luttele dagen graven hun fortuin. Anderen, zoals Herbert, werken zich maanden in het zweet voor een paar armzalige, nauwelijks te slijten exemplaren.

Terwijl Herbert met zijn voeten in de modder van de Vaal bivakkeert, zet Cecil een katoenplantage in Natal op poten. In het licht van Rhodes’ latere optreden als politicus is het opvallend hoe gemakkelijk de jonge Cecil omgaat met de lokale zwarte bevolking. En ook al schrijft hij zijn moeder dat hij content is zijn eigen grond te hebben ‘en eigen paarden en nikkers waarmee je kunt doen wat je wilt’, hij vertelt tegelijkertijd met oprechte interesse over de gewoonten van zijn inheemse arbeiders. Het enige wat Rhodes werkelijk aan de ‘Kaffirs’ – ‘een zeer amoureus ras’ – lijkt te hebben gestoord, is dat zij ‘altijd maar aan hun vrouwen denken en nooit ophouden over ze te praten’.

De katoenteelt lijkt succesvol uit te pakken. Maar het diepere binnenland lokt, want de verhalen over spectaculaire diamantvondsten worden alleen maar sterker. In oktober 1871 besluit Cecil opnieuw zijn broer achterna te reizen.

Tekst loopt verder onder de afbeelding.

Op het land van de Vooruitzicht-boerderij barst de diamantgekte los. Gravure uit 1873. Afbeelding ANP/AKG

Een maand later arriveert Cecil, uitgeput van de zware, eenzame reis over de Drakensbergen, op de geschroeide en kale vlaktes van Griqualand-West. Deze regio is dan nog een koloniaal niemandsland in de elleboog van Kaapkolonie, Oranje Vrijstaat en Transvaal. Eerder dat jaar is hier, rond een heuvel of ‘kopje’ op het land van de Vooruitzicht-boerderij, een nieuwe diamantgekte losgebarsten. Duizenden avonturiers, dromers en maatschappelijk wanhopigen drommen er bijeen in een verzameling stofgrijze, van de muggen en vlooien vergeven tenten aan de voet van ‘de Kopje’. Dit is de toekomstige mijnstad Kimberley.

Het embryonale Kimberley, gehuld in een permanente stofwolk vanwege de niet-aflatende graafactiviteiten van zijn inwoners, laat zich het best omschrijven als een darwinistisch laboratorium. Wil Cecil hier slagen, dan zal hij zo snel mogelijk betrekkingen moeten aanknopen met collega’s die hoger in de pikorde staan.

Voor Cecil is dat allereerst zijn broer Herbert. Maar ‘playboy’ Herbert heeft een te wispelturig karakter om op te kunnen bouwen. En dus gaat Cecil op zoek naar alternatieve ‘broederschappen’. En passant ontdekt hij zo zijn allergrootste talent: potentieel invloedrijke mannen inpalmen met zijn dan nog ongecultiveerde, jongensachtige charme.

In die beginjaren deelt Cecil de tent met verschillende lokale prominenten. Zelf noemt hij dit ‘messing with’ of ‘rommelen’. Zo ‘rommelt’ hij enige tijd met de jonge politicus John Merriman, de laatste premier van de Kaapkolonie (1908–1910). En wanneer Rhodes in 1872 zijn eerste ‘hartaanval’ krijgt, wordt hij opgelapt in de tent van de tweede politiek vertegenwoordiger van de Kaapkolonie, John Curry, en diens vrouw.

Zijn telkens weer terugkerende gezondheidsproblemen blijven met een waas van mysterie omgeven. In elk geval weet Rhodes al in een zeer vroeg stadium toegang te verkrijgen tot de Kaapse bestuurlijke elite.

Van alle mannen met wie Cecil in zijn jonge jaren ‘rommelt’, zullen er twee van doorslaggevend belang blijken te zijn voor het succesvolle verloop van zijn carrière. De eerste is Charles Dunell Rudd, de tijdelijk aan lagerwal geraakte zoon van een Engelse scheepsmagnaat. Charles Rudd heeft een uitstekende neus voor handel. Zo schnabbelt hij als verzekeringsagent en handelaar in sterkedrank, sigaren en ijzerwaren.


Rudd en Rhodes besluiten al snel hun individuele exploitatierechten gezamenlijk te gaan uitbaten. Daarmee sparen ze zowel tijd als geld uit, dat ze aan hun nevenactiviteiten kunnen spenderen.
 

Rhodes palmt invloedrijke mannen in met zijn jongensachtige charme

Zo bestellen de twee een ijsmachine in Engeland. De diamantzoekers blijken in de snikhete zomermaanden maar wat graag te betalen voor ijsblokken om hun drankvoorraden te koelen. Cecil weet zelfs consumptie-ijs te fabriceren, dat hij in wijnglazen vanuit een geïmproviseerde ijskar verkoopt.

En wanneer de steeds dieper afgegraven diamantgronden vol beginnen te lopen met grond- en regenwater, weet Cecil bij een aanvankelijk onwillige Afrikaner boer een 3,5 ton zware pompmachine op de kop te tikken. Met het leegpompen van de mijnen verdienen Rudd en Rhodes vele honderden ponden per maand – meer dan met hun directe mijnbouwactiviteiten.

Naast zijn vriendschap met Rudd zal zijn verstandhouding met de Duits-Joodse diamanthandelaar Alfred Beit voor Rhodes van onschatbare waarde blijken te zijn. Beit heeft zijn opleiding genoten in de Amsterdamse diamantindustrie en is daardoor lange tijd de enige in Kimberley die de marktwaarde van diamanten realistisch kan inschatten. Het monopolie dat Beit op deze cruciale kennis bezit, weet hij als handelaar optimaal te verzilveren. Dit maakt hem buitengewoon interessant voor Rhodes en Rudd.

Maar waarom Beit op zijn beurt geïnteresseerd was in Rhodes is minder evident. Wat we wel weten is dat beide mannen geobsedeerd waren door hun eigen moeder, en een absolute desinteresse vertoonden voor het resterend vrouwelijk geslacht. Mogelijk schiep deze overeenkomst, naast hun gedeelde interesse in geld verdienen, een innige band.

Een andere mogelijkheid is dat Beit al vroeg het politieke talent van Rhodes onderkende. Het wordt Beit, en daarmee Rhodes en Rudd, namelijk al snel duidelijk dat de kleinschalige mijnbouw gedoemd is te verdwijnen. Het wilde anarchisme van de aanvangsperiode heeft tot een hoogst inefficiënte – om niet te zeggen levensgevaarlijke – staat van organisatorische wanorde geleid.

Waar ooit de zacht glooiende oppervlakte van de Kopje was, ligt nu een honingraat van elkaar kruisende smalle weggetjes en uiterst instabiele scheidingswanden, die vaak tientallen meters diep uitgegraven schachten omzomen. Daarin verdwijnen regelmatig gravers – voornamelijk slecht betaalde zwarte hulpkrachten – en ezels met kar en al, om soms pas na lang zoeken en graven te worden teruggevonden.

Om de diamantgronden commercieel exploiteerbaar te houden, zullen individuele rechten op een stuk grond moeten worden samengevoegd. In de visie van Rhodes, Rudd, Beit en anderen moet dit grootschalig plaatsvinden, onder de regie van professioneel ingerichte mijnbouwondernemingen. De regelgeving stelt hier echter limieten aan. Pas na 1880 wordt de wet versoepeld en kunnen exploitatierechten worden samengevoegd. Aan die politieke beslissing is een intensieve lobby van de rijkere mijneigenaren voorafgegaan.

Tekst loopt verder onder de afbeelding.

Arbeiders van mijnbedrijf De Beers. Als enige mijnbedrijf mag De Beers ook gebruikmaken van veroordeelde dwangarbeiders. Foto HH/Corbis

Rhodes en Rudd zijn eind jaren 1870 al begonnen aanpalende stukken grond op te kopen in de nabije De Beers-mijn, die is vernoemd naar de oorspronkelijke, Afrikaner eigenaren van de grond. De rechten in De Beers zijn goedkoper, maar wellicht speelt ook mee dat de diamantindustrieel Jules Porgés, dan nog de baas van Beit, op de Kopje als investeerder actief is. Nog in hetzelfde jaar richten Rudd en Rhodes met nog vier anderen De Beers Ltd. op, waarin vanaf nu al hun verworven gronden worden ondergebracht.

Gedurende de jaren 1880 maakt Cecil Rhodes pijlsnel carrière als bestuursvoorzitter van het bedrijf, dat een voor een alle concurrerende mijnbedrijven opslokt. In 1889 verkrijgt het bedrijf, onder de naam De Beers Consolidated, een absoluut monopolie op de diamantproductie van Kimberley – en daarmee een bijna-monopolie op de wereldwijde diamantindustrie. Dit krijgt al snel de naam ‘Het Diamant Syndicaat’.

‘De Britse Colossus’, zoals Rhodes later ook wel werd omschreven, speelt hierin tot aan zijn dood een belangrijke rol. Maar niet zozeer als ondernemer, zoals lang is gedacht.

Tijdens de stormachtige opkomst van De Beers in de jaren 1880 en 1890 is Rhodes zelden in de bestuurskamer te vinden, maar vooral actief in Kaapstad. Reeds in 1881 is hij namelijk tot het Kaapse parlement toegetreden, waar hij onmiddellijk plaatsneemt in het comité dat de regelgeving voor de diamanthandel moet herzien. In die functie helpt hij wetten te initiëren die de grote mijneigenaren in staat stellen de handel in diamanten langs ‘illegale’ kanalen uit te bannen.

Zo mogen zij voortaan ook het grondgebied rondom hun mijnen beveiligen. Dit leidt tot de vorming van gesloten compounds, waarbinnen arbeiders gedwongen verblijven en hun dagelijkse boodschappen moeten doen. Op die manier stroomt een flink deel van de salariskosten weer terug in het bedrijf, wat de winstgevendheid van de grote mijnbedrijven uiteraard zeer ten goede komt.

Soms is er zelfs geen sprake van loon. Want dankzij het departement van Publieke Werken – op dat moment bestierd door Rhodes’ intimus Merriman – mag De Beers als enige mijnbedrijf kosteloos gebruikmaken van de arbeidsinzet van veroordeelde dwangarbeiders.

Tekst loopt verder onder de afbeelding.

Duizenden zoeken bij Kimberley naar diamanten. Foto HH/Corbis

Het levert De Beers een niet onbelangrijk concurrentievoordeel op in de dan nog hevig woedende strijd om de controle over de diamantwinning. Ook weet Rhodes de financiële steun te verwerven van de Londense lord Rothchild, de bankier van Beit.

Ironisch genoeg bestaat Rhodes’ belangrijkste bijdrage aan de directe bedrijfsvoering in deze jaren uit de onderhandse handel in diamanten – dus buiten De Beers eigen ‘Diamant Syndicaat’ om. Het geld dat met deze ‘illegale’ handel wordt verdiend, sluist Rhodes door naar de nieuwe bedrijven die hij met zijn intimi heeft opgericht. Naast Consolidated Gold Fields, dat investeert in de Transvaalse goudvelden, is dat de beruchte British South Africa Company (BSAC).

De laatste onderneming moet de veronderstelde bodemrijkdommen van de inheemse koninkrijkjes ten noorden van de Limpopo-rivier gaan exploiteren. Dankzij een officieel ‘charter’ van de Britse koningin en een collectie Maxim-machinegeweren weet de BSAC er dood en verderf te zaaien en de basis te leggen voor Rhodes’ ‘privékoloniën’ Noord- en Zuid-Rhodesië – het huidige Zambia en Zimbabwe. Maar commercieel gezien loopt de onderneming uit op een fiasco, omdat de verwachte bodemschatten nergens worden aangetroffen.

In 1890 wordt Rhodes premier van de Kaapkolonie en nadert hij het toppunt van zijn macht. Zijn oude ‘vriendschappen’ kan hij nu verder uitbouwen tot ‘de set van overlappende eenheden die De Beers, de British South Africa Company en de Kaapse regering besturen’ - aldus de historicus Colin Newbury.
 

Dankzij zijn bijna dictatoriale macht kan Rhodes discriminatoire wetten door het parlement loodsen

Zijn bijna dictatoriale macht maakt het hem mogelijk zwaar discriminatoire wetgeving door het parlement te loodsen. Misschien wel even berucht als zijn BSAC is Rhodes’ Glenn Grey Act uit 1884. Deze wet wordt beschouwd als een vroege voorloper van de Zuid-Afrikaanse apartheidswetgeving.

Middels de Glenn Gray Act worden zwarte Afrikanen in de Kaapkolonie ernstig beperkt in hun burgerrechten, met als belangrijkste doelen de blanke politieke suprematie te waarborgen en de inheemse bevolking te dwingen in loondienst te gaan bij blanke bedrijven.

Tekst loopt verder onder de afbeelding.

Zwarte arbeiders verblijven gedwongen op een afgesloten terrein rondom de mijn. Kimberley, 1901. Foto HH/Corbis

Tijdens Rhodes’ premierschap wordt ook een begin gemaakt met de formele vestiging van ‘reservaten’ voor zwarte gemeenschappen in de Kaapkolonie. De segregatie tussen blank en zwart wordt verder versterkt door stadsbesturen de mogelijkheid te bieden een avondklok voor ‘inheemsen’ in te stellen – zoals dat in Rhodes’ thuisbasis Kimberley al langer mogelijk is.

In 1895 valt de Colossus echter van zijn voetstuk. Zijn plan om de Transvaal in te lijven door een interne ‘opstand’ tegen de regering van Kruger te orkestreren loopt uit op een pijnlijke mislukking. Voor zijn aandeel hierin wordt hij nooit veroordeeld. Wel moet hij aftreden als president.

Rhodes werkt de jaren daarna in de relatieve luwte. Hij verdeelt zijn aandacht tussen zijn bezigheden en belangen in Kaapstad, Kimberley en ‘Rhodesië’. Het uitbreken van de Tweede Boerenoorlog doet hem echter voor lange tijd terugkeren naar Kimberley. De belegering door de Boeren van ‘zijn’ mijnstad, die uiteindelijk 124 dagen zou duren, vormt een keerpunt in zijn leven. Eindelijk kan hij zich op één enkel, eenduidig doel concentreren: de overleving van het bedrijf dat de basis vormt van zijn macht en rijkdom.

Ook nadat Kimberley op 15 februari 1900 is ontzet, blijft Rhodes zich concentreren op de bedrijfsvoering van De Beers. Zo weet hij zijn privévermogen tijdens de laatste jaren van zijn leven bijna te verdubbelen: van 2,8 miljoen pond in 1899 tot 5 miljoen pond bij zijn overlijden op 26 maart 1902. Zijn zwakke hart heeft het dan eindelijk begeven – al zal de achterliggende oorzaak nooit bekend worden, omdat een cruciale pagina uit het autopsierapport is verdwenen.

Dat de nog veel rijkere Alfred Beit na de dood van Rhodes optreedt als een van de beheerders van zijn nalatenschap, moet als meer dan een vriendendienst worden beschouwd. Het is ook een bevestiging van het feit dat Rhodes’ machinaties veel verder reikten dan zijn particuliere zakelijke belangen. De invloed van Rhodes en zijn brede kring van intimi op de nog altijd uiterst pijnlijke verhouding in Zuidelijk Afrika tussen grootkapitaal en arbeider, en tussen blank en zwart, valt nauwelijks te onderschatten.

Misschien kan ‘rommelaar’ Rhodes alleen in die zin met recht een ‘Colossus’ worden genoemd.

Meer weten
De enige in het Nederlands vertaalde biografieën van Basil Williams en Neil Bates, beide Cecil Rhodes geheten, uit 1921 en 1971, zijn verouderd en volgen klakkeloos de getuigenissen van Rhodes’ intimi. Een betere beschrijving van Rhodes en zijn activiteiten is H.L. Wesselings Verdeel en heers (1991). Ook Martin Bossenbroek voert Rhodes op in zijn prijswinnende en al even leesbare De Boerenoorlog (2012).

Recenter en kritischer zijn Cecil Rhodes. Flawed Colossus van Brian Roberts (1987) en The Founder. Cecil Rhodes and the Pursuit of Power door Robert Rotberg (1988). In The Cult of Rhodes. Remembering an Imperialist in Africa beschrijft Paul Maylam (2005) de populaire beeldvorming van Rhodes. Rhodes. The Race for Africa (1996) van Anthony Thomas is een geslaagde poging tot een meer populaire levensbeschrijving.

Voor de totstandkoming van dit stuk was Colin Newbury’s artikel ‘Cecil Rhodes, De Beers and Mining Finance in South Africa. The Business of Entrepreneurship and Imperialism’ in: Mining Tycoons in the Age of Empire, 1870–1945, onder redactie van Raymond Dumett (2009), van groot belang.