Contact | Adverteren | Login | Klantenservice | Privacy
Log in
Wachtwoord vergeten
Historisch Nieuwsblad 4/2014

De eerste bankencrisis

De bijna-val van de Rotterdamse Bankvereeniging in 1924

Door: Mirjam Janssen
Met deze knop kunt u artikelen toevoegen aan een leeslijst op uw persoonlijke pagina. Klik hier om in te loggen.

In het voorjaar van 1924 dreigde de Rotterdamsche Bankvereeniging aan wanbeleid ten onder te gaan. Met tegenzin schoten de regering en de Nederlandsche Bank te hulp. Zij konden niet anders: als de bank zou omvallen, zouden honderden bedrijven worden meegesleurd.

 Het blijft merkwaardig dat Willem Westerman in juni 1924 op vakantie ging. Westerman was president-directeur van de Rotterdamsche Bankvereeniging (Robaver), die op dat moment in grote nood verkeerde. De reddingsoperatie van de bank haperde, maar Westerman had dat niet door. Of hij blufte. In elk geval liet hij zich door zijn ondergeschikten op de hoogte houden terwijl hij in Mariënbad aan het kuren was.
           
Westerman was een gedreven bankier, die tot dan toe vooral successen had gekend. Hij was in 1910 president-directeur geworden van de Robaver. Daarna had hij in recordtempo vier banken overgenomen. In enkele jaren groeide de Robaver harder dan in de vijftig jaar daarvoor, wat Westerman de bijnaam ‘Willem de Veroveraar’ opleverde. Ook ging hij samenwerken met banken in de rest van het land en richtte hij dochtermaatschappijen op. Zijn Amsterdamse concurrenten zagen het met lede ogen aan, vooral omdat de Robaver ook een Amsterdamse bank had overgenomen, om toegang te krijgen tot de beurs.
           
Nederland maakte in die jaren een periode van hoogconjunctuur door. De economische bedrijvigheid nam sterk toe en de banken groeiden mee. Naast tientallen kleinere banken kwamen er vijf grote op, waarvan de Robaver een van de belangrijkste was. Tijdens de Eerste Wereldoorlog versnelde de groei van het bedrijfsleven dankzij steeds ruimere bankleningen.

Deze groei mondde na de vrede uit in een ware hausse, doordat de banken vlot krediet bleven verstrekken zonder streng te kijken naar de aanvrager. De scheiding tussen de banken en het bedrijfsleven nam tegelijkertijd af: steeds vaker bezetten bankiers commissariaten bij andere ondernemingen. Recordhouder was Karel van der Mandele, een directielid van de Robaver, die in 1923 maar liefst 39 commissariaten bekleedde.
           
Eind 1920 begon een scherpe recessie. De buitenlandse vraag naar Nederlandse producten nam af, terwijl de lonen en de prijzen van grondstoffen stegen. Alle beurskoersen zakten in, waardoor ook de banken in de problemen kwamen. Er gingen geruchten dat de solvabiliteit van sommige banken gering was. Veel kleinere banken dreigden over de kop te gaan. De Nederlandsche Bank bood redding als lender of last resort: de bank verstrekte kredieten aan de zwakke banken of stond garant voor hun verplichtingen. In ruil daarvoor moesten deze banken vaak een reorganisatie doorvoeren.
 
Ook deden verhalen de ronde dat het niet pluis was bij de Robaver. Volgens de bank zelf zaten daar Amsterdamse concurrenten achter, die jaloers waren op de snelle expansie van de Robaver. In 1922 werd de afkeer van de concurrenten van president-directeur Westerman versterkt toen de middelgrote Marx & Co.’s Bank over de kop ging en onder meer de Robaver ervandoor ging met de levensvatbare onderdelen. De Nederlandsche Bank draaide op voor de schulden en verloor 27 miljoen gulden – bijna het hele kapitaal.
           
Ondertussen werd steeds duidelijker dat de Robaver wel degelijk in gebreke bleef. De bank had verzuimd reserves aan te leggen en te veel kredieten verstrekt – vooral aan het scheepvaart- en mijnbouwconcern Wm. H. Müller & Co., dat voor miljoenen guldens bij de Robaver in het krijt stond.

Het bedrijf leed onder de recessie. Bovendien had de ambitieuze directeur van Müller & Co., Anton Kröller, enorme bedragen geïnvesteerd in de kunstcollectie van zijn vrouw Helene Kröller-Müller. En om het allemaal verder te compliceren was Kröller ook nog eens commissaris bij de Robaver, wat het moeilijker maakte stevige hervormingen te eisen van het scheepvaart- en mijnbouwbedrijf. Het old boys network zat zichzelf in de weg.
           
In het jaarverslag over 1923 repte de Robaver eufemistisch van enkele ‘kleine problemen’ als gevolg van de recessie, maar de beleggers begonnen hun aandelen te dumpen. Om de koers overeind te houden, kocht de bank de aandelen zelf op. In april 1924 riep Westerman de hulp in van de Nederlandsche Bank. Hij had 41 miljoen gulden nodig.
 

'Snelle overnames leverden Westerman de bijnaam ‘Willem de Veroveraar’ op'

 
President-directeur Gerard Vissering reageerde aarzelend: het trauma met Marx & Co.’s Bank was nog vers. Vissering was een internationaal gerespecteerd bankier, maar ‘volkomen ontbloot van menschenkennis’, zoals de Amsterdamse scheepsmagnaat Ernst Heldring geïrriteerd in zijn dagboek noteerde. Heldring was als commissaris bij de Nederlandsche Bank en als voorzitter van de Amsterdamse Kamer van Koophandel betrokken bij het crisisoverleg. Hij moest ook niets hebben van Westerman, die hij onbetrouwbaar vond.
           
Pas na drie weken zei Vissering zijn steun toe. De Robaver kreeg gedurende een halfjaar ruim 28 miljoen gulden krediet. Westerman verklaarde dat hij zijn bedrijf ‘over den berg’ had gebracht en ging op vakantie. Maar het getreuzel had de crisis verergerd. De beleggers bleven hun aandelen afstoten; de ondersteuning van de koers kostte de bank inmiddels 2 miljoen gulden per dag.

Half juni rolde de eerste kop: Piet van Tienhoven, een van de directieleden van de Robaver, moest aftreden. ‘Volgens de kranten,’ schreef Heldring, ‘omdat het werk hem te veel wordt; volgens Vissering, om van de Rotterdamsche Bank het odium weg te nemen dat feitelijk op hem rust, en volgens [de] algemeene opinie, omdat er te groote stroppen zijn, waarvan hij de schuldige is.’ Westerman kreeg een telegram waarin hem dringend werd verzocht terug te keren.

Op 27 juni overlegden de commissarissen van de Nederlandsche Bank over de situatie. Vissering liet weten dat de aandelen van de Robaver niet op koers te houden waren en dat hij ook niet van plan was daar geld in te blijven steken. Er dreigde een run op de bank, die de Robaver niet zou overleven.
 
De ineenstorting van de bank zou op een nationale ramp uitdraaien en de stabiliteit van de gulden in gevaar brengen. Om alle crediteuren te betalen was 100 miljoen gulden nodig, maar dat wilde de Nederlandsche Bank niet opbrengen. Vissering wilde dat de staat ook meedeed. Minister van Financiën Hendrik Colijn verklaarde zich bereid voor 50 miljoen gulden garant te staan, al wilde hij de Robaver niet rechtstreeks steunen. De hulpoperatie moest via de Nederlandsche Bank lopen.
           
Na overleg met de Robaver publiceerde Vissering een communiqué, waarin hij verklaarde dat hij de noodlijdende bank zou steunen. Dit communiqué had niet het bedoelde geruststellende effect en maakte het publiek juist onrustig. Een deel van de klanten van Robaver begon zijn geld te verplaatsen.

Ondertussen zocht Westerman stiekem contact met Colijn. Hij haalde de minister over tot een steunactie voor de aandelen. Colijn liet Vissering weten dat hij voor 60 miljoen gulden garant zou staan als de Nederlandsche Bank aan de redding meewerkte. Zo bleef een speciaal opgericht syndicaat tot oktober van dat jaar toch aandelen Robaver opkopen. Het idee was dat de staat deze aandelen na de reorganisatie van de bank zou kunnen verkopen aan buitenlandse beleggers.
 
Heldring had de indruk dat Vissering zich in de luren liet leggen en niet op kon tegen Westerman, die ‘zich geheel gedraagt alsof hij een der prominente figuren in de bankwereld zal blijven en niet als iemand onder wiens leiding tenminste 44 millioen van de Rotterdamsche Bank […] zoek gemaakt zijn’. Ook de minister van Financiën leek in de ban van Willem de Veroveraar. ‘Colijn zeide mij onlangs, dat hij het beter vond dat Westerman niet ging, daar dat naar buiten toe opnieuw een slechten indruk zou maken. Ik geloof, dat zoo lang Westerman blijft, er van een reconstructie niets komt en de Rotterdamsche Bank het volgend jaar weer met een misleidende balans verschijnt, net zoo lang, tot de krach niet meer te houden is.’
             
Wat evenmin hielp, zo noteerde Heldring, was dat de staat een van de directieleden van de Robaver ook nog eens geridderd had. ‘Het publiek wordt op die wijze in de waan gebracht, dat alles in orde is.’
             
Na onzekere maanden volgde in oktober dan toch de reorganisatie van de Robaver. Directeur Westerman werd met een royaal pensioen weggestuurd. Zijn concurrent Adriaan van Hengel van de Amsterdamsche Bank nam tijdelijk de leiding over. Heldring beschreef hem als ‘brutaal en knap’. Van Hengel stelde zich op als kritische buitenstaander en reorganiseerde de Robaver met straffe hand. Hij trok zich niets aan van de Rotterdamse verhoudingen, wat hem niet populair maakte.

 

'Als de Robaver was omgevallen zouden 640 bedrijven en 400.000 werknemers zijn meegesleurd'


Ook pakte hij de firma Müller & Co. aan. Hij zorgde dat de levensvatbare onderdelen in een aparte onderneming terechtkwamen, waarvan de Robaver de aandelen kreeg. Anton Kröller slaagde er een paar jaar later in de resterende schulden van Müller & Co. af te lossen, maar uiteindelijk ging het bedrijf toch aan slecht beheer ten onder. De prachtige kunstverzameling van zijn vrouw werd aan de staat verkocht en is tegenwoordig te zien in het Kröller-Müller Museum. In 1927 droeg Van Hengel de Robaver met een kleine reserve over. Hij trad uit de directie en keerde terug naar Amsterdam.
 
Voor het eerst hadden de Nederlandsche Bank en de regering samen een bank geholpen. De reddingsoperatie was geen onverdeeld succes. Critici vonden dat de Nederlandsche Bank eerder had moeten ingrijpen bij de Robaver, maar de Nederlandsche Bank bracht daartegen in dat er niets viel te beginnen tegen wanpresterende zelfstandige banken zolang die niet om krediet vroegen. Heldring stelde dat de regering niet streng genoeg was geweest. ‘Naar mijn meening laat Colijn den Staat al te royaal opdraaien en had hij tot voorwaarde moeten stellen, dat de Nederlandsche Bank en de banken een deel van het risico droegen.’
           
Hoe dan ook stonden de Nederlandsche Bank en de regering onder enorme druk om te handelen. Als de Robaver was omgevallen, zouden 640 bedrijven met samen 400.000 werknemers zijn meegesleurd: de bank was too big to fail. De bankencrisis in de jaren twintig trof in Nederland zeker 37 banken, die samen minstens 200 miljoen gulden verloren (huidige waarde: 1,2 miljard euro).

De heftigheid van de problemen maakte duidelijk dat een beter toezicht op de banken nodig was, maar door de oorlog kwam pas in 1956 een wettelijke regeling tot stand. Hoewel daarvoor en daarna de nodige ongelukken met Nederlandse banken voorkwamen, brak de volgende grote bankencrisis pas in 2008 uit.
 

100 jaar NEHA
 
Dit artikel is het tweede uit een serie economische artikelen, die verschijnt ter gelegenheid van het 100-jarig bestaan van het Nederlandsch Economisch-Historisch Archief (NEHA) in Amsterdam. Het NEHA is in 1914 opgericht om de economische geschiedschrijving te stimuleren. Inmiddels beheert het een van de grootste bibliotheken ter wereld op economisch gebied.
 
De Nederlandsche Bank jubileert
 
De Nederlandsche Bank werd in 1814 opgericht door koning Willem I. De bank moest kredieten verlenen en bankbiljetten uitgeven, en zo zorgen voor een uniform ruilmiddel. Aanvankelijk werd de bank gewantrouwd. Pas na 1850 groeide de Nederlandsche Bank uit tot nationale bank en begon hij regels op te leggen aan particuliere banken en enig toezicht uit te oefenen.

Tot begin twintigste eeuw fungeerde de Nederlandsche Bank ook nog als gewone bank. Hij concurreerde met andere banken en verleende kredieten aan bedrijven. Geleidelijk veranderde de rol: de Nederlandsche Bank verschafte op den duur geen krediet meer aan bedrijven, maar alleen nog aan andere banken.
           
Aan het begin van de Eerste Wereldoorlog voorkwam de Nederlandsche Bank een run op alle banken en behoedde Nederland voor een acute crisis. Door de ingewikkelde internationale situatie moesten de bank, de regering en het bedrijfsleven nauw samenwerken en werd de rol van de Nederlandsche Bank groter.

Tijdens de Eerste Wereldoorlog liet Nederland de gouden standaard los. De waarde van papiergeld was daardoor niet langer gekoppeld aan goud. In 1925 werd de gouden standaard opnieuw ingevoerd, maar in 1936 definitief verlaten. Vanaf dat moment konden bankbiljetten niet meer worden ingewisseld voor goud en was de acceptatie van papiergeld vooral een kwestie van vertrouwen. De Nederlandsche Bank en vooral de regering voerden sindsdien een monetair beleid dat erop gericht was stabiliteit en vertrouwen te creëren.
Volgens de Bankwet van 1948 moest de Nederlandsche Bank de waarde van het geld op peil houden. De Bank werd verantwoordelijk voor de circulatie van bankbiljetten, het girale geldverkeer, de bevordering van het betalingsverkeer met het buitenland en het toezicht op kredietinstellingen.
           
Sinds de oprichting van de Europese Monetaire Unie en de invoering van de euro is het monetaire beleid geen nationale aangelegenheid meer. Het beleid wordt nu bepaald door de Europese Centrale Bank in Frankfurt. De Nederlandsche Bank werkt daar nauw mee samen.
 
 
Meer lezen
In Geschiedenis van de Nederlandse Bank. Visserings tijdvak 1914-1931 (1989) laat J. de Vries zien hoe de Nederlandsche Bank omging met de crisis rond de Robaver. De drie delen van Herinneringen en dagboek van Ernst Heldring 1871-1954 (1970), bezorgd door J. de Vries, geven een goed beeld van de Amsterdamse hogere kringen en het zakenleven van die tijd.
 
Christopher Colvin schreef een economische analyse van de Robaver-crisis in ‘Universal Banking Failure? in LSE Economic History working papers’ 98 (2007).
Joost Jonker beschrijft het Nederlandse bankentoezicht in Between private responsibility and public duty in: Financial History Review 3 (1996). In het online Biografisch Woordenboek van Nederland staan portretten van alle genoemde personen.