Contact | Adverteren | Login | Lezersservice

Enver Hoxha (1908-1985)

Door: Koen Vossen

Historisch Nieuwsblad 4/2014

Stalins ijverige leerling

De Albanese dictator Enver Hoxha was geen wereldvreemde megalomaan, maar een uitgekookte overlevingskunstenaar. Door manipulatie - en natuurlijk door geweld - hervormde hij Albanië volgens de marxistisch-leninistische beginselen. Na zijn dood in 1985 liet hij een land achter dat zichzelf was kwijtgeraakt.

 
Het Albanië waarin Enver Hoxha (spreek uit: Hotsja) opgroeide, was een arme, onderontwikkelde staat die pas kort tevoren onafhankelijk was geworden. In 1912, vier jaar nadat Hoxha werd geboren, hadden de Albanezen zich losgemaakt van het Ottomaanse Rijk. Het land stond al direct bol van de spanningen tussen de verschillende, dikwijls nog in stamverband levende religieuze groepen.

De grenzen waren bovendien zo getrokken dat een derde deel van de Albanezen buiten de nieuwe staat woonde, terwijl de buurlanden Griekenland, Servië, Montenegro en Italië aanspraak maakten op delen van het Albanese grondgebied.

Als zoon van een redelijk welgestelde islamitische koopman behoorde Hoxha tot de weinige Albanezen die naar school konden. Omdat hij goed kon leren en zijn vader over goede contacten beschikte, kreeg hij zelfs de mogelijkheid om in Frankrijk te studeren. Van 1930 tot 1936 woonde Hoxha in Montpellier en Parijs, en werkte hij korte tijd als ondersecretaris bij de Albanese ambassade in Brussel. Hij dompelde zich onder in de rijke Franse cultuur: hij bleef zijn
leven lang een groot liefhebber van Montaigne, Molière en Balzac.

Ook kwam hij al snel in aanraking met Franse communisten. In hen herkende hij de erfgenamen van de door hem zo bewonderde Franse revolutionaire traditie. Van studeren kwam vanaf dat moment weinig meer en in 1936 keerde hij zonder academische graad, maar met een gedegen opleiding in de communistische ideologie en strategie terug in Albanië.
 
Die communistische opleiding kwam hem goed van pas toen in 1939 de Italianen het land binnenvielen. Hoxha wist direct wat hij moest doen. Hij opende een tabakswinkel in Tirana, die vooral diende als ontmoetingscentrum voor Albanese communisten. Bovendien koos hij als bondgenoot de onverschrokken Mehmet Shehu, een oud-Spanje-strijder die graag opschepte over het aantal fascisten dat hij eigenhandig de keel had doorgesneden.

Met Shehu als zijn enforcer en adjudant verkreeg Hoxha een spilpositie in het georganiseerde Albanese verzet. Om de eenheid binnen het verdeelde partizanenleger te bewaren en nieuwe rekruten te werven, legde Hoxha de nadruk vooral op nationalistische thema’s en verdoezelde hij zijn communistische overtuiging.
 

'Tienduizenden Albanezen verdwenen in kampen of werden gewoon geëxecuteerd' 


De militaire prestaties van dit Albanese partizanenleger zijn na de oorlog in Albanië tot enorme proporties opgeblazen. Dankzij het geniale en heldhaftige leiderschap van Hoxha zouden de partizanen er zonder de hulp van het Rode Leger of de westelijke geallieerden in zijn geslaagd om de Duitsers te verjagen.

De waarheid ligt iets genuanceerder. De heldhaftige bevrijding van Albanië was feitelijk een gevolg van een tactisch terugtrekken van de Duitse legers, die weinig belangstelling meer hadden voor dit bergachtige, strategisch oninteressante gebied. Bovendien had Hoxha zich in de oorlogsjaren niet zozeer met de militaire strijd beziggehouden, maar vooral met de voorbereiding van de naoorlogse greep naar de macht.

Toen de Duitsers vertrokken en een machtsvacuüm achterlieten, lukte het Hoxha inderdaad om de macht naar zich toe te trekken. Op 11 januari 1946 werd de Volksrepubliek Albanië uitgeroepen, met Hoxha als premier.
 
Toch was Hoxha’s leiderschap aanvankelijk uiterst broos. Zo streefde een machtige groep communisten rondom Koçi Xoxe naar een integratie van de kleine en nauwelijks levensvatbare Albanese staat in de Joegoslavische federatie van Josip Tito. Ook de Joegoslavische partizanenleider had wel oren naar een overname van de Albanese boedel.

Maar Hoxha wantrouwde Tito en vreesde voor zijn eigen toekomst. Hij bleef hardnekkig vasthouden aan een onafhankelijk Albanië en speelde wederom in op nationalistische sentimenten.

Zijn overwinning in de machtsstrijd dankte Hoxha uiteindelijk vooral aan het conflict dat in 1948 ontstond tussen Tito en Sovjetleider Jozef Stalin. Joegoslavië besloot een onafhankelijke koers te gaan varen en stapte uit de Cominform. Met steun van Stalin kon Hoxha zich vervolgens ontdoen van alle ‘titoïstische’ tegenstanders en de absolute macht opeisen.

Zijn rechterhand Shehu kreeg als hoofd van de geheime politie, de Sigurimi, opdracht potentiële tegenstanders op te sporen en te elimineren. Het ‘titoïsme’ diende met wortel en tak te worden uitgeroeid. Tienduizenden Albanezen verdwenen in de jaren vijftig in kampen of werden simpelweg geëxecuteerd. Onder hen Xoxe, die volgens geruchten door Shehu eigenhandig was gewurgd.

Niet alleen in de meedogenloze vervolging van tegenstanders toonde Hoxha zich een ijverige leerling van Stalin. Hoxha kopieerde ook diens centraal geleide, op zware industrie gerichte planeconomie. Dat was niet zonder succes. Met financiële en technische hulp van de Sovjet-Unie veranderde Albanië in vijftien jaar tijd van een onherbergzaam, vrijwel volledig op landbouw, jacht en visserij gericht land in een zich langzaam ontwikkelende industrienatie met het begin van een infrastructuur.

In 1957 kreeg het zelfs een eigen universiteit. Ook werd het analfabetisme dankzij een omvangrijk educatieprogramma flink teruggedrongen, hoewel de officiële cijfers dat het aantal ongeletterden in vijftien jaar afnam van 85 naar 15 procent een tikkeltje overdreven lijken.
 

'De vrouw was niet langer eigendom van de man, maar van de staat'


Zeker is wel dat de positie van vrouwen werd verbeterd. In het vooroorlogse Albanië gold nog de wijsheid dat ‘een vrouw harder moet werken dan een ezel, want zij eet immers ook meer dan een ezel’. Onder Hoxha was de vrouw, in de woorden van de Amerikaanse Albanië-kenner Bernd J. Fischer, niet langer het eigendom van de man, maar van de staat. Dat gaf haar meer vrijheid en mogelijkheden tot studie, hoewel van haar ook werd verwacht dat zij ruimhartig bijdroeg aan de demografische groei van de natie. Abortus en voorbehoedsmiddelen waren dan ook verboden.

Ondanks alle hulp kwam het in de jaren zestig tot een breuk tussen Albanië en de Sovjet-Unie. Na het in Albanië massaal betreurde overlijden van ‘de geliefde vader’ Stalin in 1953, trad Nikita Chroesjtsjov aan als leider. Voor hem had Hoxha al snel de grootst mogelijke minachting. Niet alleen had Chroesjtsjov in een ‘geheime’ toespraak afgerekend met Stalin en de naam van Hoxha’s grote voorbeeld bezoedeld, de nieuwe Sovjetleider had bovendien heel andere plannen met Albanië.

Albanië zou met zijn mediterrane klimaat meer geschikt zijn voor fruitteelt, wijnbouw en visserij dan voor zware industrie, zo besloot Chroesjtsjov. Hoxha wenste echter niet af te wijken van het marxistisch-leninistische revolutieschema, dat niet fruitteelt, maar industrialisatie voorschreef.

Belangrijker was dat Chroesjtsjov weer voorzichtig toenadering tot Tito zocht. Hoxha vreesde dat Albanië hiervan het kind van de rekening zou worden. Dat de Sovjet-Unie van hem af wilde, bleek Hoxha eens te meer toen de geheime politie ver uitgewerkte plannen voor een machtswisseling binnen de Communistische Partij ontdekte. Voor Hoxha was het aanleiding voor nieuwe, grootscheepse zuiveringen van de eigen gelederen: vervangers zocht hij dikwijls in eigen of bevriende families.

In 1961 brak hij de facto met de Sovjet-Unie door Chroesjtsjov in een toespraak te beschuldigen van de communistische doodzondes ‘revisionisme, defaitisme en antimarxisme’. Hoewel Albanië formeel nog tot 1968 lid was van het Warschau-pact, zocht Hoxha voortaan steun bij de andere communistische grootmacht, China.
 
Het bondgenootschap met China moest de Albanese onafhankelijkheid garanderen en daarmee Hoxha’s machtspositie. Het opzichtige vertoon van hechte vriendschap tussen beide naties was echter grotendeels schijn. Zeker, ook uit China kwam wel enige praktische en financiële steun, bijvoorbeeld bij de bouw van waterkrachtcentrales, maar toch minder dan eerder vanuit de Sovjet-Unie en andere Oostblokstaten.

Communicatieproblemen en wederzijdse culturele vooroordelen maakten de samenwerking er niet makkelijker op. De Chinezen leefden geheel afgezonderd van de Albanese bevolking in hun eigen woonkazernes. De spectaculaire economische groei uit de jaren vijftig kwam geleidelijk tot stilstand en de levensstandaard begon langzaam maar zeker te dalen.

Overlevingskunstenaar Hoxha besefte dat in een dergelijk klimaat ‘revisionistische en titoïstische tendenzen’ (lees: verzet tegen zijn machtspositie) goed konden gedijen. Waar Hoxha in de jaren vijftig naar Stalin keek voor inspiratie, zag hij nu in Mao zijn gids in moeilijke tijden. De Chinese leider was in dezelfde tijd begonnen met zijn Culturele Revolutie, een ideologische campagne om de massa’s te mobiliseren tegen decadent geworden elites en foute kapitalistische gewoontes en ideeën. De aandacht kon daarmee slim afgeleid worden van nijpende structurele problemen.
 
De Culturele Revolutie die Hoxha begon had religie als voornaamste doelwit. Om de heilstaat te bereiken diende het geloof zowel in het publieke domein als in het privédomein geheel en al te worden uitgebannen. In 1967 doopte Hoxha Albanië om tot ‘de eerste atheïstische staat in de wereld’. Dat betekende dat alle katholieke kerken in het noorden en de moskeeën in het islamitische midden en zuiden van het land hun deuren sloten en werden omgebouwd tot sporthallen, varkensstallen of ‘atheïstische’ musea.

De meeste geestelijken verdwenen achter slot en grendel of werden, vaak zonder enige vorm van proces, vermoord. Op godsdienstoefeningen houden stonden voortaan fikse straffen, varkensvlees kwam verplicht op het menu, en ouders werden sterk aangemoedigd hun kinderen niet-religieuze namen te geven. Om die reden gaan tegenwoordig nog tal van Albanese veertigers met namen als Marenglen (samentrekking van Marx-Engels-Lenin) of Shpati (koosnaam voor Enver Hoxha) door het leven.

Als surrogaat voor religie benadrukte Hoxha nog meer de grootsheid van het Albanese volk, dat zowel in culturele als in raciale zin ver boven de Slavische, Latijnse en Griekse volkeren heette te staan. De Albanezen hadden zich geheel zelfstandig met het zwaard in de hand een weg door de geschiedenis gekapt en zij zouden dat blijven doen, zo luidde een van Hoxha’s eindeloos herhaalde uitspraken.
 
Aan het begin van de jaren zeventig had het bondgenootschap met China zijn langste tijd alweer gehad. De Chinezen zochten toenadering tot het Westen en hadden steeds minder belangstelling voor het kleine landje aan de Adriatische Zee. Met het overlijden van Mao kwam een einde aan het bondgenootschap. Ook China was ten prooi gevallen aan revisionisme, zo wist Hoxha, die zichzelf daarmee tot de laatste echte marxist-leninist uitriep.

Met de regelmaat van een wetenschapper publiceerde Hoxha boeken en artikelen, waarin hij de wereld haarfijn uitlegde dat alleen hij de juiste marxistisch-leninistische beginselen aanhing. Zijn verzamelde werken telden bij zijn overlijden tachtig kloeke banden.
 

'Op doktersadvies dronk Hoxha dagelijks een glas vers getapt babybloed'


Door de breuk met China was Albanië geheel op zichzelf teruggeworpen. Er was nauwelijks enige handel met het buitenland, pottenkijkers werden zo veel mogelijk geweerd en buitenlandse leningen aangaan was taboe. Autarkie was het nieuwe beleidsdoel. Om die verteerbaar te maken legde Hoxha het land een strenge, benepen moraal op, waarin elke vorm van luxe of frivoliteit als hoogverraad gold.

Tegelijk bereidde hij zijn volk voor op een nieuwe oorlog. Albanië, zo heette het, stond op het punt om te worden overvallen door een gecoördineerde actie van bloeddorstige Navo-imperialisten vanuit het westen, Joegoslavische en Russische revisionisten vanuit het noorden en oosten, en Griekse neofascisten vanuit het zuiden.

Om de verwachte invasie te kunnen weerstaan werd Albanië omgetoverd tot een enorm militair oefenterrein met maar liefst 700.000 kleine bunkers. Op iedere vier inwoners was er één bunker. Van de naar schatting 3 miljoen Albanezen waren er 800.000 op een of andere manier aan het leger verbonden. De Sigurimi van Mehmet Shehu telde een vergelijkbaar aantal informanten en had van vrijwel iedere Albanees een rapport tot zijn beschikking. Big Brother bestond en leefde in de jaren zeventig in Tirana.
 
Anders dan vaak is beweerd, was Hoxha ook in zijn nadagen geen door paranoia en almachtsfantasieën gekwelde idioot. Wel deed hij het na een hartaanval in 1973 wat rustiger aan. Hij sleet zijn dagen in relatieve weelde in een van zijn villa’s. Deze stonden in een voor de gewone burgers verboden wijk van Tirana, waar de communistische elite – die uit slechts enkele families bestond - zich had verschanst. Zijn dagelijkse routine bestond eruit op doktersadvies een glas vers getapt babybloed te drinken, Le Monde en de International Herald Tribune te lezen, en te schrijven aan een nieuw boek. De man die de Albanezen in de openbaarheid zagen verschijnen was meestal een dubbelganger, zo is naderhand uitgekomen.

Meer nog dan over zijn eigen veiligheid maakte Hoxha zich zorgen over de veiligheid van zijn familie. Zou zijn opvolger niet beginnen met een ‘dehoxhaïsatie’ en Hoxha’s familie als mogelijke concurrenten uitschakelen? Dat was niet eens zo’n onlogische gedachte. Hoxha kende immers als geen ander de omgangsvormen binnen de Albanese Communistische Partij en had bovendien gezien wat er zowel in de Sovjet-Unie als in China na de dood van de grote leider was gebeurd.

Meer concreet vreesde Hoxha vooral een machtsovername van zijn oude strijdmakker Mehmet Shehu. Het boterde al langer niet tussen Hoxha’s vrouw en Shehu - en het hoofd van de Sigurimi was niet het type man dat zulke ruzies op zijn beloop liet.
 
Shehu zou niet de opvolger van Hoxha worden. Tot grote verrassing van de buitenwereld werd de ‘beul van de Balkan’ in december 1981 dood aangetroffen in zijn huis. Zelfmoord, zo luidde de officiële verklaring. In zijn kort daarop verschenen boek De titoïsten onthulde Hoxha dat Shehu vlak voor zijn zelfmoord was ontmaskerd als geheim agent van maar liefst vier geheime diensten: de Amerikaanse, Britse, Joegoslavische en Russische.

Die verklaring is nog onwaarschijnlijker dan het hardnekkige gerucht dat Hoxha eigenhandig Shehu heeft doorgeschoten. Hoe dan ook, de dood van Shehu zorgde ervoor dat Enver Hoxha met een iets geruster hart op 11 april 1985 zijn laatste adem kon uitblazen.

Zijn opvolger was de altijd loyaal gebleken Ramiz Alia. Deze gaf de dochter van Hoxha direct de opdracht om in het centrum van Tirana een mausoleum voor haar vader te bouwen.

Het door Ramiz Alia voortgezette Hoxha-regime zou nog enkele jaren bestaan. In de vloedgolf van revoluties die sinds 1989 over Oost-Europa kwam viel ook het Albanese regime. Alia werd opgevolgd door de leider van de Democratische Partij, Sali Berisha, nota bene een voormalige lijfarts van Hoxha. Voor het eerst konden Albanese burgers met eigen ogen de weelde zien waarin de communistische nomenklatoera had geleefd.
 
Na meer dan veertig jaar communisme bestaat er onder de Albanezen nog steeds een groot wantrouwen jegens alles wat met de staat te maken heeft. Ook de in de tijd van Hoxha bereikte verworvenheden, zoals het uitgebreide educatiesysteem en de vrouwenemancipatie, zijn hierdoor onder druk komen te staan. Zo worden scholen nog steeds geassocieerd met de staat en de geheime politie, wat voor sommige Albanezen reden is hun kinderen thuis te houden.

De nationale identiteit van Albanië is zozeer met Hoxha verbonden geraakt dat het land zichzelf geheel opnieuw moet uitvinden. Aangezien lidmaatschap van de Europese Unie voorlopig geen optie lijkt, zullen de Albanezen dat wederom moeten doen vanuit een zeker isolement.

Nederlandse bewonderaars

Albanië heeft altijd een zekere aantrekkingskracht gehad in Nederland. De avonturier-schrijver A. den Doolaard baseerde zijn roman De herberg met het hoefijzer op zijn verblijf in het Noord-Albanese Teth. Vanaf de jaren zestig organiseerde ‘reiscomponist’ Dolf Went exclusieve rondreizen in het land van de Adelaar, met NRC-columnist J.L. Heldring als een van de eerste deelnemers. Heldring zou in zijn columns nog herhaaldelijk terugkomen op de reis, die zijn conservatieve mensvisie verder sterkte.

Vooral in de jaren zeventig trok Albanië ook tal van West-Europese communisten, die in Hoxha de laatste zuivere marxist-leninist zagen. Dat zelfstandig reizen niet mogelijk was, dat de meeste westerse literatuur en muziek in beslag genomen werd, en lange haren, baarden, minirokken en spijkerbroeken taboe waren, moesten de Albanië-gangers op de koop toe nemen.

Zij wisten niet dat de Nederlandse veiligheidsdienst de Albanië-gekte stimuleerde om de versplintering binnen extreem-links te bevorderen. De journalist Rudie Kagie was een van de onwetende Nederlandse Hoxha-adepten die Albanië in de jaren zeventig bezochten. Hij schreef er het boek De papieren heilstaat over. Toen hij begin jaren negentig terugkeerde, ontmoette hij zijn oude, door de Sigurimi aangestelde gids. ‘We zijn allemaal voor de gek gehouden,’ vertrouwt deze Kagie toe.
 
Meer lezen
Enver Hoxha’s memoires zijn in het Engels uitgebracht onder de titel The Artful Albanian. Enkele redevoeringen en pamfletten van Hoxha zijn in het Nederlands vertaald en uitgegeven door de Marxistisch-Leninistische Uitgeverij en Uitgeverij Ordeman. Op www.enverhoxha.info zijn tal van teksten, geluidsfragmenten en beeldfragmenten van Hoxha te vinden.
 
De Albanees Ismail Kadare schreef de roman De opvolger, over de mysterieuze dood van Mehmet Shehu.
 
Neutrale wetenschappelijke studies zijn er ook. Voor dit artikel is gebruikgemaakt van Miranda Vickers, The Albanians. A Modern History (1995), Peter R. Prifti, Socialist Albania since 1944. Domestic and Foreign Developments (1978) en Bernd J. Fischer, ‘Enver Hoxha and the stalinist dictatorship in Albania’, in: Bernd J. Fischer (red.), Balkan Strongmen. Dictators and Authoritarian Rulers in Southeast Europe (2007).
 

Blijf op de hoogte via onze nieuwsbrief

Gouden Eeuw

Eerste Wereldoorlog

Tweede Wereldoorlog

VOC

Middeleeuwen