Contact | Adverteren | Login | Klantenservice | Privacy
Log in
Wachtwoord vergeten
Historisch Nieuwsblad 2/2014

Engeland en de Amerikaanse Onafhankelijkheidsoorlog

Amerika verloren, rampspoed geboren

Door: Bas de Vries
Met deze knop kunt u artikelen toevoegen aan een leeslijst op uw persoonlijke pagina. Klik hier om in te loggen.

‘Mijn God, alles is voorbij,’ stamelde de Britse premier Lord North toen het nieuws over de pijnlijke nederlaag in de Amerikaanse Onafhankelijkheidsoorlog hem bereikte. Het verlies van de kolonie veroorzaakte grote angst bij veel Britten. Toch  hadden zij het de Amerikaanse opstandigheid grotendeels aan zichzelf te danken.

De Britse koning George III regeerde maar liefst zestig jaar: van 1760 tot zijn dood in 1820. Toch had het weinig gescheeld of hij had al in 1781 het bijltje erbij neergegooid. Aanleiding: de nederlaag van het Britse leger bij Yorktown (Virginia) tegen de troepen van George Washington. Iedereen in Londen wist dat dit voor een beslissende wending zou zorgen in de Amerikaanse Vrijheidsoorlog.

Het dreigende verlies van de koloniën kwam zo hard aan, dat George als telg uit het Huis Hannover op het punt stond de wijk te nemen naar Duitsland. Zijn afscheidsrede was al klaar. Daarin zei hij niet alleen de troon van Groot-Brittannië en Ierland vaarwel, maar ook de Britse eilanden zelf:

‘Zijne Majesteit constateert met grote spijt dat hij niet langer van nut kan zijn voor zijn vaderland, wat hem tot de pijnlijke stap brengt om het voor altijd te verlaten. Als gevolg daarvan draagt Zijne Majesteit de kroon over aan zijn zoon en wettige opvolger George, de prins van Wales, van wie hij hoopt dat diens inspanningen voor het heil van het Britse rijk succesvoller zullen blijken te zijn.’
 

Conflict met de koloniën

Vier jaar eerder had de koning al duidelijk gemaakt waarom hij de Amerikaanse Vrijheidsoorlog beschouwde als ‘de belangrijkste waarin welk land dan ook ooit verwikkeld is geweest’. Zouden de Amerikaanse koloniën de kans krijgen zich af te scheiden, dan kon het niet anders of andere delen van het rijk zouden spoedig volgen, schreef hij in een brief aan premier Lord North.

Eerst zou Brits-West-Indië verloren gaan, en uiteindelijk zelfs Ierland. Met desastreuze gevolgen, volgens George III: ‘Dit eiland zal op zichzelf worden teruggeworpen en snel echt arm worden, want (…) handelaren zullen hun welvaart verplaatsen naar gunstiger klimaten en fabrikanten zullen dit land verlaten voor het Nieuwe Rijk.’

George III zou deze tekst nooit uitspreken; hij bleef nog tientallen jaren aan de macht (zij het dat hij de laatste tien jaar van zijn leven vanwege geestesziekte werd vervangen door zijn zoon als ‘Prince Regent’). Maar zijn hevige reactie op de pijnlijke nederlaag in Amerika stond niet op zichzelf. Ook de eerdergenoemde premier Lord North leek compleet verslagen toen het slechte nieuws van overzee hem bereikte: ‘Mijn God, alles is voorbij.’
 

Door het conflict met de koloniën zakten de fundamenten onder het koninkrijk weg

De Britten waren ervan overtuigd dat de handel met de Amerikaanse staten onmisbaar was voor de eigen economie. Oud-premier William Pitt (de Oudere) had ooit uitgerekend dat het land daar jaarlijks 2 miljoen pond aan overhield, een zeer substantieel bedrag voor die tijd. Vandaar dat een andere grote naam uit de Britse politiek, het toen kersverse Lagerhuislid Edmund Burke, al in 1766 waarschuwde dat door het conflict met de koloniën ‘de fundamenten onder het koninkrijk wegzakken’.

En dan te bedenken dat Groot-Brittannië de Amerikaanse opstand voor een belangrijk deel aan zichzelf te danken had. Tijdens de Franse en Indiaanse oorlog hadden Britten en ‘Amerikanen’ nog zij aan zij gevochten. En toen die oorlog in 1763 eindigde in een klinkende overwinning, waarmee de Britten ten koste van aartsrivaal Frankrijk hun heerschappij vestigden over een groot deel van Noord-Amerika, werd de overwinning in verschillende Amerikaanse steden uitbundig gevierd.
 

Benjamin Franklin beschouwde zichzelf in de eerste plaats als Brit

Benjamin Franklin, de man die dertien jaar later een van de opstellers van de Amerikaanse Onafhankelijkheidsverklaring zou zijn, beschouwde zichzelf in die dagen nog in de eerste plaats als Brit. De toekomst van Amerika zag hij binnen het Britse rijk, waar hij met trots over sprak. En hij was bepaald de enige niet, zou hij later tegenover een commissie in het Lagerhuis verklaren.

Over de Amerikanen zei hij: ‘Ze hadden niet alleen respect, maar ook liefde voor Groot-Brittannië, zijn wetten, zijn gewoonten en zijn manieren, en zelfs voor zijn mode, die de handel sterk deed toenemen. Ze beschouwden het (Britse) parlement als het grote bolwerk en de beschermer van hun vrijheden en voorrechten en spraken er altijd over met het uiterste respect en ontzag.’
 

Financiële consequenties

Dat veranderde echter drastisch toen de Britse regering eenmaal de financiële consequenties van de Franse en Indiaanse oorlog tot zich had laten doordringen. Minister van Financiën George Grenville had in 1763 uitgerekend dat het Britse financieringstekort inmiddels de 122 miljoen pond oversteeg.

Zou het niet logisch zijn, redeneerde hij, als de Amerikanen zouden helpen de schulden af te betalen? Profiteerden zij niet volop van de bescherming van het Britse leger en de marine? Was het om die reden eigenlijk niet merkwaardig dat de gemiddelde Brit 26 shilling per jaar aan belastingen betaalde, terwijl een inwoner van de staat Massachusetts niet meer dan 1 shilling bijdroeg aan de Britse schatkist?

Eenmaal premier stuurde Grenville daarom in het voorjaar van 1765 de Stamp Act (Zegelwet) naar het Lagerhuis; een voorstel om in de Amerikaanse koloniën belasting te heffen op alle wettelijke handelingen, zoals het opstellen van een testament of een diploma. Maar ook scheepsvrachten, kranten, boeken, dobbelstenen en speelkaarten werden belast. Belastingen kortom, die vrijwel alle Amerikanen zouden raken.
 

Er werd weinig enthousiast op de Stamp Act gereageerd

Niet verwonderlijk dus dat er op z’n zachtst gezegd weinig enthousiast op de Stamp Act gereageerd werd. Ten eerste, wierpen de Amerikanen tegen, hadden ze al stevig aan de oorlog tegen Frankrijk bijgedragen: militair, maar ook financieel. Daarnaast betaalden ze wel degelijk belasting, namelijk aan hun eigen staat. Het zou heel vreemd zijn als zij dan ook nog eens werden aangeslagen door een Brits parlement waarin zij bovendien zelf niet vertegenwoordigd waren (no taxation without representation).

Dit soort rationele argumenten maakte echter weinig indruk in Londen. Net zo min als de resoluties tegen de Stamp Act die in het voorjaar en de zomer van 1763 in veel volksvertegenwoordigingen (assemblies) in de Amerikaanse koloniën werden aangenomen. Voor de regering van George Granville was het belastingconflict in zekere zin net zo principieel: zouden de ‘ongehoorzame’ Amerikanen hun zin krijgen, dan bestond het risico dat zij in meer kwesties de Britse autoriteit ter discussie zouden stellen.
 

Opstand en verzet

Met die koppige opstelling bereikte Grenville echter precies wat hij wilde voorkomen: anti-Britse emoties overzee, die op sommige plaatsen zelfs uitmondden in grof geweld. Dat was met name het geval in Boston, de grootste stad van Massachusetts, een kolonie die na de Franse en Indiaanse oorlog in een recessie was geraakt.

Het volk van Boston, berucht om zijn opstandigheid, richtte zijn agressie in augustus op een zekere Andrew Oliver, van wie werd gezegd dat hij verantwoordelijk zou worden voor het innen van de gehate nieuwe belastingen. Zijn huis werd aangevallen en geplunderd door een woedende menigte. Later die maand onderging de luitenant-gouverneur van Massachusetts hetzelfde lot.

De onrust sloeg over naar andere koloniën en al snel was het duidelijk dat de Stamp Act op dermate veel verzet stuitte, dat die in de praktijk waarschijnlijk niet of nauwelijks te innen zou zijn. De Amerikaanse ‘zegelagenten’ die door de Britten waren aangesteld tegen een salaris van 300 pond per jaar, zagen zich gedwongen hun werk neer te leggen.
 

De Amerikaanse 'zegelagenten' zagen zich gedwongen hun werk neer te leggen

Voor zover dit nog niet voldoende reden was voor het Britse parlement om haar wetsvoorstel te heroverwegen, ontstond er ook de dreiging van een Amerikaanse boycot van Britse goederen. Een negental koloniën kwam in oktober 1765 zelfs bij elkaar op een ‘Stamp Act-congres’ in New York, waar – nadat de Amerikaanse loyaliteit aan de Britse kroon was onderstreept – onder meer werd gewaarschuwd voor de economische consequenties van het invoeren van de gehate nieuwe belasting.

Uiteraard waren vooral de Londense handelaren gevoelig voor het risico van een boycot van Britse goederen. In een petitie aan het Lagerhuis smeekten zij hun volksvertegenwoordigers ‘henzelf en hun families te behoeden voor een dreigende ondergang’. In de aanloop naar de behandeling van de wet liep de druk in Londen zo steeds verder op; een dreigende wolk van massawerkloosheid hing boven het Lagerhuis.

Het debat dat daarop in de eerste maanden van 1766 volgde, was in de eerste plaats een boeiende botsing tussen de onwrikbare verdedigers van het Britse gezag over de koloniën en pragmatici als William Pitt de oudere. De woedende premier George Grenville was de meest uitgesproken representant van de eerste groep.
 

'Wie  de koning adviseert zijn soevereiniteit over Amerika op te geven is de grootste vijand van dit land'

Hij had geen goed woord over voor de ‘opruiende’ Amerikanen en al helemaal niet voor al die ‘facties in dit Huis’ die zich door hen lieten intimideren: ‘Wie de koning adviseert zijn soevereiniteit over Amerika op te geven is de grootste vijand van dit land en zal tot in de eeuwigheid worden beschuldigd.’

Pitt bracht daar tegenin dat die soevereiniteit helemaal niet ter discussie stond. Hij verzekerde zijn gehoor: ‘Ik ben geen hoveling van de Amerikanen. (…) Laten we hun handel controleren, hun fabrikanten aan banden leggen, en verder elke mogelijke macht over hen uitoefenen, maar laten we hen niet zonder toestemming geld uit de zakken kloppen.’

De oud-premier van Whig-huize kreeg steun van zijn partijgenoot en oorlogsheld kolonel Barré, die blijk gaf van een kijk op het kolonialisme waarmee hij twee eeuwen vooruitliep: ‘Elke kolonie heeft zijn onafhankelijkheidsdatum. De dwaasheid of wijsheid van ons gedrag zal bepalen of deze dag in de nabije of in de verre toekomst zal plaatsvinden. Als we onoordeelkundig handelen, kan dit punt nog tijdens het leven van vele leden van dit Huis worden bereikt.’


Verdeeldheid

Het hoeft weinig verbazing te wekken dat de Britse politici destijds zo verdeeld waren in hun reacties op de Amerikaanse opstandigheid. Er was geen precedent; nooit eerder had een kolonie in deze mate verzet getoond. Consensus leek er alleen te bestaan over het grote belang van de keuze die moest worden gemaakt.

Uiteindelijk trokken de pragmatici aan het langste eind, ook vanuit het besef dat het Britse leger in Amerika simpelweg niet groot genoeg was om de Stamp Act op zoveel duizenden kilometers van Londen af te dwingen. En vanuit de vrees dat de andere grootmachten, Frankrijk en Spanje, economisch zouden profiteren als Groot-Brittannië en de Amerikanen tegenover elkaar zouden blijven staan.

Bij de stemming in het Lagerhuis op 18 maart 1766 waren er 275 leden die tegen de Stamp Act stemden, tegenover 167 voorstemmers. Maar het ging hier nadrukkelijk om een politiek compromis: tegelijkertijd werd er een Declaratory Act (Bevestigingswet) aangenomen, die het Britse parlement nadrukkelijk het recht gaf om de koloniën wetten op te leggen ‘in alle mogelijke kwesties’. Die laatste woorden waren bewust gecursiveerd om ze extra nadruk te geven.
 

Met het intrekken van de Stamp Act werd brandstof geleverd voor nieuwe conflicten

De indieners van de Bevestigingswet vonden het kortom van groot belang dat de Amerikanen begrepen dat zij met het intrekken van de Stamp Act slechts een tijdelijke overwinning hadden behaald. Daarmee werd direct alweer de brandstof geleverd voor nieuwe conflicten – en uiteindelijk ook voor de Amerikaanse Onafhankelijkheidsverklaring die tien jaar later door dertien koloniën zou worden aangenomen.

De Britten, die met de Stamp Act zelf een sfeer van verzet in Amerika hadden gecreëerd – een sfeer die vóór die tijd helemaal niet aanwezig was als we Benjamin Franklin mogen geloven – bleven naar manieren zoeken om meer inkomsten uit de koloniën te halen. De Amerikanen, die al 150 jaar gewend waren dat het ‘moederland’ afstand hield en hen veel vrijheden gunde, kregen plotseling te maken met wat zij zagen als een aanhoudende en volstrekt onacceptabele Britse bemoeizucht.

Toen het Lagerhuis in 1767 besloot voor allerlei producten douaneheffingen in te voeren, liepen de spanningen verder op. In Amerika ontstond zoveel verzet, dat ook deze maatregel weer moest worden ingetrokken. Met één belangrijke uitzondering: thee.
 

Een groep van zestig mensen besloot in de haven van Boston Britse thee in het water te kieperen

Eind 1773 kwamen de irritaties daarover tot een hoogtepunt. Een groep van zo’n zestig mensen die zich ‘Sons of Liberty’ noemden, besloot in de haven van Boston kratten Britse thee ter waarde van zo’n 10.000 pond in het water te kieperen. De actie zou de geschiedenis ingaan als de ‘Boston Tea Party’; tot op de dag van vandaag een inspiratiebron voor Amerikanen die zich afzetten tegen een te grote rol van een sturende overheid.

In de maanden daarna escaleerde het conflict verder. De Britse overheid besloot in reactie op de Boston Tea Party hard op te treden tegen de kolonisten, in een poging ze terug in het gareel te krijgen. Het maakte het Amerikaanse verzet er alleen maar geharnaster. Totdat in 1765 Amerikaanse milities slaags raakten met Britse troepen bij Lexington en Concord, óók in Massachusetts.
 

Oorlog

De Amerikaanse Onafhankelijkheidsoorlog was begonnen, een langdurige, bloedige oorlog die niet lang na de overgave van 7000 Britse soldaten bij Yorktown zou eindigen in een Amerikaanse overwinning.

Achttien jaar na de gezamenlijke overwinning op de Fransen gingen dertien koloniën zelfstandig verder als de Verenigde Staten. Groot-Brittannië leerde een gevoelige les: zijn autoriteit in het verre Amerika was anderhalve eeuw gebaseerd geweest op loyaliteit – affectie zelfs – en traditie, niet op een reëel afdwingbare machtspositie.

Toen de Britten die macht wel probeerden uit te oefenen, raakte de status quo volledig verstoord. Zeker toen de Amerikanen merkten dat bij voldoende druk vergaande maatregelen als de Stamp Act door het Lagerhuis gewoon weer werden ingetrokken.


Overigens was de relatie tussen beide landen na de onafhankelijkheidsstrijd ook opvallend snel weer hersteld. Van een ineenstorting van de handel tussen Groot-Brittannië en de VS was geen sprake. Eerder bleek er die Special Relationship te zijn, waar vooral de Britten tot op de dag van vandaag met zoveel genoegen op wijzen.

Ook de zorgen van koning George III werden snel weggenomen. Ergens in de jaren tachtig van de achttiende eeuw – de exacte datum is niet bekend – schreef hij opnieuw zijn gedachten op, dit keer bij wijze van terugblik op het verlies van de koloniën. Daarin sprak hij een verwachting uit die haaks stond op zijn gedachtes na de slag bij Yorktown: ‘Het is te hopen dat wij meer zullen profiteren van de handel als vrienden dan we ooit aan ze konden ontlenen als koloniën.’
 

Meer lezen 

Over (de aanloop naar) de Amerikaanse revolutie is méér dan de spreekwoordelijke boekenkast volgeschreven. Een aanrader is A Struggle for Power van de Amerikaan Theodore Draper, die dit boek in 1996 op zijn 83ste afrondde. Met veel oog voor detail, inclusief verslagen van de debatten in het Britse Lagerhuis over de opstandige koloniën.

Welkom bij Historisch Nieuwsblad!

Maak nu gratis kennis met de journalistiek van Historisch Nieuwsblad. In dit dossier hebben wij de mooiste verhalen uit ons archief voor u gebundeld. Lees bijvoorbeeld hoe de Stasi tijdens de Koude Oorlog spioneerde in Nederland, waarom we 1968 kunnen bestempelen als rampjaar en wat ooggetuigen van de Tachtigjarige Oorlog in hun dagboek schreven.