Contact | Adverteren | Login | Klantenservice | Privacy
Log in
Wachtwoord vergeten
Historisch Nieuwsblad 11/2013

BOEKEN: Mao’s ware aard

De Chinese Revolutie was vanaf het begin meedogenloos

Door: Bastiaan Bommeljé
Met deze knop kunt u artikelen toevoegen aan een leeslijst op uw persoonlijke pagina. Klik hier om in te loggen.

Het belang van dit deprimerende meesterwerk kan nauwelijks worden overschat. De tragiek van de bevrijding (The Tragedy of Liberation) is het tiende boek over de moderne geschiedenis van China van historicus Frank Dikötter – geboren in Nederland, opgegroeid in Zwitserland, gepromoveerd in Engeland aan de School of Oriental and African Studies van de University of London, en nu hoogleraar in Hongkong. Het boek legt met een gecombineerde dreun van academische precisie, meticuleus onderzoek, scheermesscherpe helderheid en ingehouden woede een nieuwe standaard op tafel voor de studie van het contemporaine Chinese verleden.

In 2010 publiceerde Dikötter deel 1 van een beoogde trilogie: Mao’s massamoord (Mao’s Great Famine, bekroond met de prestigieuze Samuel Johnson Prize for Non-Fiction), over ‘de Grote Sprong Voorwaarts’, die tussen 1958 en 1962 aan waarschijnlijk meer dan 40 miljoen Chinezen het leven kostte. Dit nieuwe werk is het tweede van de geplande drie delen over de alomvattende, talloze levens verslindende terreur van de Chinese Revolutie onder Mao Zedong.

The Tragedy of Liberation bestrijkt de jaren tussen 1945 en 1957, de periode van de Chinese Revolutie die dikwijls is gezien als de ‘bevrijding’ van de oude klassenmaatschappij, de ‘bevrijding’ van de rechts-nationalistische Kwomintang onder Chiang Kai-Sjek en de ‘bevrijding’ van decennia van bloedvergieten op Chinese bodem. Deze tijd gold als de onbedorven periode van Mao’s bewind, dat – zo neigt men tegenwoordig zelfs in China te zeggen – later werd overschaduwd door de Grote Sprong Voorwaarts en de Culturele Revolutie. De huidige machthebbers in China gebruiken peperdure pr-bureaus als Saatchi & Saatchi om het begin van het ‘Nieuwe China’ te presenteren als de periode waarin de ‘echte bedoelingen’ van Mao (jiefang – bevrijding, en fanshen – emancipatie) konden bloeien.
  
Dikötter maakt aan deze mythe resoluut een definitief einde. Sterker nog: hij vernietigt het beeld met een lawine aan voorheen ontoegankelijke historische bronnen. De echte bedoelingen van Mao hadden weinig van doen met vrijheid, gelijkheid en broederschap, maar omschreven de terreur van de partij als volgt: wen – permanent, zhun – precies, en bovenal hen – meedogenloos.
 
Wie dacht dat de 52-jarige historicus met eerdere boeken als The Discourse of Race in Modern China (1992) en China before Mao.The Age of Openness (2007) zijn faam als revisionistisch geschiedschrijver wel had verdiend, zal naar adem happen bij lezing van dit boek. Dankzij nieuwe Chinese archiefwetten kreeg Dikötter (die zowel het Chinees als het Russisch beheerst) met zijn uit veiligheidsoverwegingen anonieme Chinese medewerkers toegang tot de historische collecties van de provincies Guangdong, Sichuan, Hunan, Guangxi. Daarin bevinden zich talrijke kopieën van geheime politierapporten, ongecensureerde verslagen van partijkaders, en brieven en dagboeken van ooggetuigen die bedoeld waren voor de centrale archieven van de Communistische Partij. Deze bronnen bieden uit de eerste hand zicht op wat de ‘bevrijding’ betekende voor de gewone Chinezen.

Nu, van ‘bevrijding’ was weinig sprake. Dikötter laat zien dat repressie en bloedvergieten vanaf het allereerste begin inherent waren aan Mao’s revolutie. Het communistische regime begon vanaf dag één zijn tegenstanders uit de weg te ruimen. In deze voorheen dikwijls zo bewierookte periode van de Chinese Revolutie kwamen, zo rekent Dikötter voor, ten minste 5 miljoen mensen om het leven door moord, terreur, honger of ontberingen, terwijl de levens van talloos veel meer miljoenen volkomen ontwricht raakten. De klasseloze maatschappij werd ingeluid met de instelling van niet minder dan zestig nieuwe ‘klassen’, variërend van ‘goed’ via ‘gemiddeld’ naar ‘slecht’. Tegen de slechte klassen kon geweld worden gebruikt; de allerslechtsten moesten worden uitgemoord, en wel door hun eigen naasten of dorpsgenoten, zodat iedereen bloed aan de handen had.

Naast alle gruwelijke details over terechtstellingen, martelingen en willekeurige executies biedt dit boek voor het eerst een beeld van de mate waarin de communisten op verzet stuitten bij hun nationalisaties, collectivisering van de landbouw (de geliquideerde ‘landheren’ waren volgens Dikötter in feite kleine boeren) en ‘de omschakeling van de geesten’. Dikötter bericht in detail over talrijke stakingen, oproeren en confrontaties met politie en leger (waarbij men soms als enig wapen pispotten gevuld met urine kon gooien).

Even gedetailleerd schetst hij de afrekening van de nieuwe machthebbers met deze tegenstand, die neerkwam op met wiskundige precisie uitgevoerde moordcampagnes. Aanvankelijk werd gestreefd naar de uitroeiing van één op de duizend inwoners (‘We kunnen de één per duizend overschrijden, maar niet te veel,’ noteerde Mao). Zijn handlangers gingen in hun ijver vaak nog verder; zo kwam de later door het Westen liefdevol als ‘hervormer’ omarmde Deng Xiaoping in de door hem bestuurde provincies tot een gemiddelde van 1,69 doden per duizend inwoners.

Later koos de Grote Roerganger exactere quota voor de moordcampagnes: 100.000 doden voor heel Oost-China en 3000 voor nader benoemde provincies. In zes provincies in Centraal-China werden tussen oktober 1950 en november 1951 welgeteld zo’n 300.000 mensen omgebracht. ‘Het moorden mag absoluut niet te vroeg worden gestopt,’ stipuleerde Mao.
 
De conclusie van Dikötter is duidelijk. De Communistische Revolutie in China is in haar diepste wezen gedrenkt in fysieke en psychische terreur. De gehele entourage van Mao was daarbij betrokken, inclusief de altijd als intellectueel beschouwde Zhou EnLai. Deze hoofdlijn van het betoog in De tragiek van de bevrijding is volstrekt overtuigend, en de subtiele schildering van de pathologische wisselwerking tussen Mao en Stalin is bovendien zeer intrigerend.
 


Men kan wijzen op het feit dat de Kwomintang met evenveel sadisme probeerde zijn macht te vestigen, maar daarin niet slaagde. Wellicht werden de communisten – meer dan Dikötter suggereert – aanvankelijk wel degelijk verwelkomd als degenen die de (burger)oorlog hadden beëindigd, en speelde ook een bijna religieuze massaverblinding mee. Tevens zou men erop kunnen wijzen dat ook tijdens de keizertijd de staat in China volstrekt almachtig was (de keizer kon zelfs de Tibetaanse lama’s ‘verbieden’ te reïncarneren) en dat bloederigheid niet nieuw was: nog in het begin van de twintigste eeuw werden veroordeelde misdadigers in het openbaar berecht door middel van de ‘dood door duizend sneden’ (zeg maar: zeer langzaam in stukjes gehakt).

Het derde deel van Dikötters trilogie zal handelen over de Culturele Revolutie, en ook dat belooft weinig opbeurende lectuur te worden. Hopelijk heeft hij al veel materiaal weten te verzamelen, want Chinese historici melden dat de archieven nu alweer moeilijker toegankelijk worden. Dat zou jammer zijn, want boeken als deze zijn nodig om de allerlaatste restanten van de idolatrie over Mao’s revolutie te doen verstommen.

Zoals de visie van Harry Mulisch op de Culturele Revolutie luidt: ‘In een onbeschrijflijke storm keerde een volk uit zelfbehoud terug tot zijn revolutionaire inspiratie, en vernietigde de kiemen en uitwassen van de vereeuwiging overal waar het die maar kon vinden.’ – Yeah, right.
 

De tragiek van de bevrijding. De geschiedenis van de Chinese Revolutie 1945-1957
Frank Dikötter
496 p. Unieboek-Het Spectrum, € 29,99